V Z C 2 – F A R M A CO L O GI E
MIDDELEN BIJ AANDOENINGEN VAN HET CARDIOVASCULAIR STELSEL
MIDDELEN BIJ HYPERTENSIE
→ Verpleegkundige moet vaak de bloeddruk meten bij patiënten
o Indien te laag = hypotensie (pt kan in shock geraken)
o Indien te hoog = hypertensie (vaatlijden en hartproblemen maar pas op langere termijn)
→ Dus voor vpk belangrijk om fysiologie van de BD te kennen en de werking van gmn te kennen die hoge BD
zullen verlagen (= antihypertensiva)
Arteriële bloeddruk
=
Druk vn het bloed op de vaatwand
Systolische BD + diastolische BD
Druk bij Druk bij
samentrekking ontspanning
Hart (= hoog) Hart (= laag)
Wat is de bloeddruk?
→ Bij iedere hartslag trekt het hart samen en wordt er vanuit de LI hartkamer bloed in de slagaders van de grote
bloedsomloop (systemische circulatie) gepompt
o Dit bloed oefent druk uit op de slagaderwand = arteriële druk / bloeddruk
▪ Systolische bloeddruk: het eerste cijfer, wanneer het hart samentrekt en het bloed eruit
stroomt
▪ Diastolische bloeddruk: tweede cijfer, wanneer het hart zich ontspant en met bloed gevuld
wordt
o Uitgedrukt in mmHg
Wanneer is de bloeddruk te hoog?
→ 140 mmHg systolisch en/of 90 mmHg diastolisch (bij normale personen)
→ > 160 mmHg systolisch (bij > 60 jaar, zonder diabetes, familiaire cholesterolemie of hart- en vaatziekte)
→ > 180 mmHg systolisch en > 110 mmHg diastolisch = ernstige hypertensie
→ Bij sommige mensen, vooral 60+ komt een geïsoleerde systolische hypertensie voor:
o Sytolisch > 140 mmHg
o Diastolisch < 90 mmHg
o = belangrijke risicofactor voor hart- en vaatziekten
Primaire/idiopathische/essentiële hypertensie:
→ Geen directe oorzaak, meestal een combo van risicofactoren
→ 90% van de gevallen
Secundaire hypertensie:
→ 10% van de gevallen
→ Echte medische oorzaak:
, o Nierarteriestenose = vernauwing van de slagaderwand in de nierslagader
o Feochromocytoom = een gezwel dat ontstaat in het merg van 1 van de bijnieren
Mensen met hypertensie:
→ In het begin: asymptomatisch
→ Jarenlange hypertensie:
o Mogelijke schade aan organen (hersenen, nieren) en aan het CV systeem
o Sneller aderverkalking (vnl. bij diabetici)à
o Het hart ziet ook af (moet meer werk verzetten)
Fysiologie van de bloeddruk:
Bloeddruk (RR)
Perifere weerstand (PW) Hartminuutvolume (HMV)
VC en VD = cardiac output = hoeveelheid
Wordt bepaald door de BV bloed die hart/min. wegpompt
Slagvolume (SV) Hartfrequentie
Volume per hartslag Slagen per minuut
Einddiastolisch volume Eindsystolisch volume
PW wordt ook bepaald door:
→ Hoe rekbaar zijn de bloedvaten (compliantie)
→ Elasticiteit van de bloedvaten
→ Atherosclerose aanwezig? (bij ouderen!)
Ook de totale hoeveelheid vocht speelt een rol in de vullingstoestand van de vaten:
→ In volgend schema → belangrijkste factoren die mee de bloeddruk bepalen:
Slagvolume (SV)
= HMV Totaal bloedvolume
1. pomp 2. vocht
Hartfrequentie
Vullingstoestand vaten
ARTERIËLE BLOEDDRUK
PW
Elasticiteit bloedvaten Diameter bloedvaten Viscositeit van bloed
3. VC en VD
,Wat te doen bij vaststellen van hypertensie?
→ Eerst aanpassen van de levensstijl: rookstop, vermindering alcoholgebruik, bestrijden overgewicht, oorzaak
stress wegnemen
→ Medicamenteuze behandeling is afh. Van globaal cardiovasculair risico en orgaanschade
→ Laag risico: medicamenteuze behandeling indien na maanden druk hoger dan ‘normaal’ (140/90)
→ Hoog risico, orgaanschade, zeer hoge waarden: onmiddellijk medicamenteuze behandeling
Wanneer iets ondernemen bij hypertensie?
→ Risicofactor voor cardiovasculaire, cerebrovasculaire en renale morbiditeit en mortaliteit
→ Zelden dringend
o Bij orgaanbeschadiging (hart, hersenen of nieren): antihypertensiva inspuiten (ZH)
o Zonder orgaanbeschadiging: orale behandeling
→ Is er wel degelijk hypertensie aanwezig?
→ Secundaire hypertensie dient uitgesloten (bv. Als gevolg van een behandeling)
OPGELET: hypotensie
→ Ouderen die antihypertensiva nemen kunnen na de maaltijd last hebben van postprandiale hypotensie
o Na de maaltijd gaat het meeste bloed naar het GI-stelsel voor vertering van de maaltijd
o Dus VALGEVAAR!
Renine-angiotensine-aldosteron systeem (RAAS):
→ = een complex systeem waarmee het lichaam de bloeddruk en de hoeveelheid circulerend vocht en
elektrolyten regelt
→ Trigger voor activatie RAAS:
o Daling van de bloeddruk
o Verminderd circulair volume
o Te weinig natrium in het bloed
→ Uitscheiding van renine door nieren in bloedbaan
→ Omzetting angiotensine
o Renine zet angiotensinogeen (door lever geproduceerd) om in angiotensine I
o Angiotensine I wordt door ACE omgezet naar angiotensine II
▪ Effecten van angiotensine II:
• Vasoconstrictie
• Stimulatie vd bijnierschors voor uitscheiding van aldosteron
• → bloeddrukstijging, vasthouden Na en water in nier en toename K-uitscheiding
▪ Negatieve feedback:
• Renine en angiotensine II zorgen dat er minder renine zal afgescheiden worden door
de nier (dus die bloeddrukstijging is tijdelijk)
Behandeling gebaseerd op gmn die een gunstig effect hebben op het cardiovasculair systeem:
→ Diuretica
→ ẞ-blokkers
→ Calciumantagonisten
→ Middelen inwerkend op het renineangiotensinesysteem
→ Combinatiepreparaten van deze middelen
Er is een beperkte plaats voor:
→ -blokkers
→ Centraal werkende antihypertensiva
→ Vasodilatoren
→ sowieso duur het soms lang tegen dat men de juiste medicamenteuze behandeling heeft gevonden en afgesteld
heeft op de patiënt
, ß- BLOKKERS
→ Stofnaam eindigt vaak op –‘lol’
Werking:
→ Blokkeren van de ß-receptoren van het sympatisch zenuwstelsel
→ Exacte werkingsmechanisme is nog onduidelijk!
Belangrijk om te weten:
→ Voorkeur gaat uit naar cardioselectieve ß-blokkers
o Vnl. ß1-receptoren, geen bronchoconstrictie)
ß-blokkers werken op verschillende manieren:
→ Vertragen van hartfrequentie (en hartritme) dus ook daling HMV
→ Verminderen pompkracht van hart en hoeveelheid bloed dat wordt uitgepompt door het hart met daling van
HMV
→ Remmen van secretie van renine met als gevolg minder effect van het RAAS, dus bloeddrukdaling
Keuze ß-blokker:
→ Liefst cardioselectieve ß-blokker → vnl via ß1-receptoren thv hart
o ß1 “MANBABE”:
▪ Metoprolol
▪ Atenolol
▪ Nebivolol ß-receptor locaties:
▪ Bisoprolol
▪ Acebutolol ß1 = Hart (1 Hart)
▪ Betaxolol ß2 = longen (2 longen)
▪ Esmolol
→ Indien een niet-selectieve ß-blokker:
MIDDELEN BIJ AANDOENINGEN VAN HET CARDIOVASCULAIR STELSEL
MIDDELEN BIJ HYPERTENSIE
→ Verpleegkundige moet vaak de bloeddruk meten bij patiënten
o Indien te laag = hypotensie (pt kan in shock geraken)
o Indien te hoog = hypertensie (vaatlijden en hartproblemen maar pas op langere termijn)
→ Dus voor vpk belangrijk om fysiologie van de BD te kennen en de werking van gmn te kennen die hoge BD
zullen verlagen (= antihypertensiva)
Arteriële bloeddruk
=
Druk vn het bloed op de vaatwand
Systolische BD + diastolische BD
Druk bij Druk bij
samentrekking ontspanning
Hart (= hoog) Hart (= laag)
Wat is de bloeddruk?
→ Bij iedere hartslag trekt het hart samen en wordt er vanuit de LI hartkamer bloed in de slagaders van de grote
bloedsomloop (systemische circulatie) gepompt
o Dit bloed oefent druk uit op de slagaderwand = arteriële druk / bloeddruk
▪ Systolische bloeddruk: het eerste cijfer, wanneer het hart samentrekt en het bloed eruit
stroomt
▪ Diastolische bloeddruk: tweede cijfer, wanneer het hart zich ontspant en met bloed gevuld
wordt
o Uitgedrukt in mmHg
Wanneer is de bloeddruk te hoog?
→ 140 mmHg systolisch en/of 90 mmHg diastolisch (bij normale personen)
→ > 160 mmHg systolisch (bij > 60 jaar, zonder diabetes, familiaire cholesterolemie of hart- en vaatziekte)
→ > 180 mmHg systolisch en > 110 mmHg diastolisch = ernstige hypertensie
→ Bij sommige mensen, vooral 60+ komt een geïsoleerde systolische hypertensie voor:
o Sytolisch > 140 mmHg
o Diastolisch < 90 mmHg
o = belangrijke risicofactor voor hart- en vaatziekten
Primaire/idiopathische/essentiële hypertensie:
→ Geen directe oorzaak, meestal een combo van risicofactoren
→ 90% van de gevallen
Secundaire hypertensie:
→ 10% van de gevallen
→ Echte medische oorzaak:
, o Nierarteriestenose = vernauwing van de slagaderwand in de nierslagader
o Feochromocytoom = een gezwel dat ontstaat in het merg van 1 van de bijnieren
Mensen met hypertensie:
→ In het begin: asymptomatisch
→ Jarenlange hypertensie:
o Mogelijke schade aan organen (hersenen, nieren) en aan het CV systeem
o Sneller aderverkalking (vnl. bij diabetici)à
o Het hart ziet ook af (moet meer werk verzetten)
Fysiologie van de bloeddruk:
Bloeddruk (RR)
Perifere weerstand (PW) Hartminuutvolume (HMV)
VC en VD = cardiac output = hoeveelheid
Wordt bepaald door de BV bloed die hart/min. wegpompt
Slagvolume (SV) Hartfrequentie
Volume per hartslag Slagen per minuut
Einddiastolisch volume Eindsystolisch volume
PW wordt ook bepaald door:
→ Hoe rekbaar zijn de bloedvaten (compliantie)
→ Elasticiteit van de bloedvaten
→ Atherosclerose aanwezig? (bij ouderen!)
Ook de totale hoeveelheid vocht speelt een rol in de vullingstoestand van de vaten:
→ In volgend schema → belangrijkste factoren die mee de bloeddruk bepalen:
Slagvolume (SV)
= HMV Totaal bloedvolume
1. pomp 2. vocht
Hartfrequentie
Vullingstoestand vaten
ARTERIËLE BLOEDDRUK
PW
Elasticiteit bloedvaten Diameter bloedvaten Viscositeit van bloed
3. VC en VD
,Wat te doen bij vaststellen van hypertensie?
→ Eerst aanpassen van de levensstijl: rookstop, vermindering alcoholgebruik, bestrijden overgewicht, oorzaak
stress wegnemen
→ Medicamenteuze behandeling is afh. Van globaal cardiovasculair risico en orgaanschade
→ Laag risico: medicamenteuze behandeling indien na maanden druk hoger dan ‘normaal’ (140/90)
→ Hoog risico, orgaanschade, zeer hoge waarden: onmiddellijk medicamenteuze behandeling
Wanneer iets ondernemen bij hypertensie?
→ Risicofactor voor cardiovasculaire, cerebrovasculaire en renale morbiditeit en mortaliteit
→ Zelden dringend
o Bij orgaanbeschadiging (hart, hersenen of nieren): antihypertensiva inspuiten (ZH)
o Zonder orgaanbeschadiging: orale behandeling
→ Is er wel degelijk hypertensie aanwezig?
→ Secundaire hypertensie dient uitgesloten (bv. Als gevolg van een behandeling)
OPGELET: hypotensie
→ Ouderen die antihypertensiva nemen kunnen na de maaltijd last hebben van postprandiale hypotensie
o Na de maaltijd gaat het meeste bloed naar het GI-stelsel voor vertering van de maaltijd
o Dus VALGEVAAR!
Renine-angiotensine-aldosteron systeem (RAAS):
→ = een complex systeem waarmee het lichaam de bloeddruk en de hoeveelheid circulerend vocht en
elektrolyten regelt
→ Trigger voor activatie RAAS:
o Daling van de bloeddruk
o Verminderd circulair volume
o Te weinig natrium in het bloed
→ Uitscheiding van renine door nieren in bloedbaan
→ Omzetting angiotensine
o Renine zet angiotensinogeen (door lever geproduceerd) om in angiotensine I
o Angiotensine I wordt door ACE omgezet naar angiotensine II
▪ Effecten van angiotensine II:
• Vasoconstrictie
• Stimulatie vd bijnierschors voor uitscheiding van aldosteron
• → bloeddrukstijging, vasthouden Na en water in nier en toename K-uitscheiding
▪ Negatieve feedback:
• Renine en angiotensine II zorgen dat er minder renine zal afgescheiden worden door
de nier (dus die bloeddrukstijging is tijdelijk)
Behandeling gebaseerd op gmn die een gunstig effect hebben op het cardiovasculair systeem:
→ Diuretica
→ ẞ-blokkers
→ Calciumantagonisten
→ Middelen inwerkend op het renineangiotensinesysteem
→ Combinatiepreparaten van deze middelen
Er is een beperkte plaats voor:
→ -blokkers
→ Centraal werkende antihypertensiva
→ Vasodilatoren
→ sowieso duur het soms lang tegen dat men de juiste medicamenteuze behandeling heeft gevonden en afgesteld
heeft op de patiënt
, ß- BLOKKERS
→ Stofnaam eindigt vaak op –‘lol’
Werking:
→ Blokkeren van de ß-receptoren van het sympatisch zenuwstelsel
→ Exacte werkingsmechanisme is nog onduidelijk!
Belangrijk om te weten:
→ Voorkeur gaat uit naar cardioselectieve ß-blokkers
o Vnl. ß1-receptoren, geen bronchoconstrictie)
ß-blokkers werken op verschillende manieren:
→ Vertragen van hartfrequentie (en hartritme) dus ook daling HMV
→ Verminderen pompkracht van hart en hoeveelheid bloed dat wordt uitgepompt door het hart met daling van
HMV
→ Remmen van secretie van renine met als gevolg minder effect van het RAAS, dus bloeddrukdaling
Keuze ß-blokker:
→ Liefst cardioselectieve ß-blokker → vnl via ß1-receptoren thv hart
o ß1 “MANBABE”:
▪ Metoprolol
▪ Atenolol
▪ Nebivolol ß-receptor locaties:
▪ Bisoprolol
▪ Acebutolol ß1 = Hart (1 Hart)
▪ Betaxolol ß2 = longen (2 longen)
▪ Esmolol
→ Indien een niet-selectieve ß-blokker: