Hoofdstuk 1: inleiding in de farmacologie
1. ontdekking van geneesmiddelen
1.1 oorsprong
Verleden heden
Extractie uit planten Synthetisch design
-> vb. morfine (papaver) -> nieuwe gmn
Afgescheiden door schimmels -> structurele modificaties
-> vb. penicilline (penicillium species) + minder plaats nodig & optimale werking
Extractie uit dierlijke organen - bijwerking eruit halen, door te prutsen met
-> vb. insuline (koeien) molecule
1.2 ontdekking van farmaca
- per toeval:
-> vb. penicilline: antibioticum (door Alexander Flemming)
-> vb. coumarine: door bloedingen bij koeien, die niet goed bewaarde klaver aten
= orale anti-coagulantia (= anti-stollingsmiddelen)
- trial-and-error:
-> vb. anti-malaria middelen (proguanil & chloroquine)
- echt drugdesign als targeted therapy:
-> goed kennis vereist vd structuur receptor/eiwit, waarop de nieuwe molecule moet aangrijpen
-> vb. voor ontwikkeling <-> reumatoïde artritis of KK zoals monoclonale anti-lichamen
-> vb. trastuzumab: behandeling van HER2 (positieve vormen van borstKK)
- kleine wijzigingen aanbrengen aan reeds bestaande moleculen = “me too” geneesmiddelen:
-> op die manier krijg je nieuwe moleculen
-> vb. omeprazol – esomeprazol -> maagzuursecretie-inhibitor
Citalopram – escitalopram -> antidepressivum
- biologicals of biologische geneesmiddelen
-> afkomstig vn levende organismen & wordt door biotechnologische technieken aangepast
-> vb. cytokines & insuline (uit organen van dieren)
- biosimilars:
-> generieken (namaakproducten) van bestaande biologicals
-> ≠ altijd gelijk aan de referentiebiological (<-> generische geneesmiddelen)
- aanpassingen aan geneesmiddelen om de bijwerkingen als werking te kunnen gebruiken:
-> vb. sulfonamide AB
-> bijwerking: bloedsuiker naar beneden
-> dus nu: hypoglycemiërende sulfamiden
-> vb. viagra
-> bijwerking: tegen hoge bloeddruk
-> dus nu: erectiestoornissen
1
,2. ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel
2.1 preklinische fase
= dieren-experimenten
-> 1. studies in vitro
2. studies in vivo
-> er wordt gelet op:
1) toxiciteit / orgaanafwijkingen / oncogene eigenschappen
-> wat gebeurt er wanneer de concentratie te hoog is
2) werkingsmechanisme
3) farmacokinetische aspecten
-> absorptie
-> distributie
-> metabolisatie
-> eliminatie
2.2 klinische fase
FASE 1
- is het geneesmiddel veilig?
- lage dosis aan gezonde vrijwilligers
- onderzoeken van: werking, bijwerking en toxiciteit
FASE 2
- werkt het geneesmiddel? Wat is de optimale dosering?
- therapeutische werkzaamheid?
- toedienen aan patiënten met bepaalde ziekte/aandoening
- onderzoeken van: doeltreffendhied, bijwerkingen en optimale dosering
FASE 3
- werkt het geneesmiddel beter, even goed of minder dan al bestaande middelen of placebo?
- op grote schaal toegediend
- in vergelijking met placebo of andere reeds bestaande middelen (dubbel-blind onderzoek)
- geneesmiddel = goed & effectief -> registratie bij:
FAGG = federaal agentschap voor geneesmiddelen & gezondheidsproducten
EMA = Europese Medicine Agency
CHMP = committee for medicinal products for human use
FASE 4
- wat zijn nieuwe of zeldzame bijwerkingen of langetermijneffecten?
= post-marketing fase
- FAGG en EMA = verantwoordelijk voor de gm-bewaking of farmacovigilantie
- gemiddeld 12 jaar voor vergunning nieuw gm
-> octrooi (patent) slechts 8-10 jaar voor farmaceutisch bedrijf
-> na deze periode mogen andere bedrijven het namaken
Off-label = geneesmiddel wordt gebruikt voor andere indicatie, doelgroep of dosering
-> vb. bijwerking gebruiken als werking van dat geneesmiddel
2
, -> enkel toegestaan op voorschrift van de arts (B2)
3. wettelijke bepalingen
Artikel 1
Geneesmiddel = elke enkelvoudige of samengestelde substantie met therapeutische of
profylactische eigenschappen mbt ziekten bij mens/dier
Klassiek voorschrift
Moet bevatten:
-> naam, voornaam, adres voorschrijver
-> RIZIV identificatienummer voorschrijver
-> naam, voornaam ontvanger
-> gedagtekende handtekening voorschrijver
-> einddatum vd uitvoerbaarheid
-> indien niet vermeld = 3 maand
- door: huisarts, specialist, tandarts, vroedvrouw
Elektronisch voorschrift
moet altijd + BEV (bewijs van elektronisch voorschrift)
-> anders niet geldig
4. terugbetalingsmodaliteiten
- RIZIV = verantwoordelijk voor de beslissing of een gm al dan niet
Terugbetaald wordt
- remgeld = kleine bedrag dat betaald wordt door de patiënt
- of een patiënt recht heeft op een terugbetaling wordt bepaald door:
1) vergoedingscategorie waar het geneesmiddel toe behoort
2) grootte van de verpakking
3) statuut van de verzekerde
-> gewoon of met verhoogde tegemoetkoming
- soms specifiek attest nodig
-> vb. bij directe orale anti-coagualantia (rivaroxaban)
Hoofdstuk 2: het geneesmiddel
1. werking van geneesmiddelen
- causale werking:
-> curatieve werking op de oorzaak
-> vb. antibioticum
- profylactische werking / preventieve therapie:
-> aandoening voorkomen
-> vb. vaccin
3
, - substitutietherapie:
-> ontbrekende stoffen worden vervangen
-> vb. insuline, ijzer, vitamine B12
- symptomatische therapie:
-> symptomen wegnemen, zonder de oorzaak aan te pakken
-> vb. dafalgan, immodium
- palliatieve behandeling:
-> leven van de zorgvrager zo draaglijk mogelijk maken + verlichting klachten
-> vb. morfine, cortisone, dexamethasone
- diagnostische behandeling
-> oorzaak of aard van de aandoening vaststellen
-> vb. laxativum, bariumhoudende drankjes
- placebo-behandeling
-> geen werkzame bestanddelen
1.1 belangrijkste termen
- indicatie = aandoeningen waarbij een geneesmiddel voorgeschreven kan w (reden van voorschrijving)
-> vb. antihypertensiva, anti-epilepticum, anti-deppressiva, clexane
- contra-indicatie = aandoening waarbij een geneesmiddel niet voorgeschreven mag worden
-> vaak bij risico-patiënten: kinderen, zwangeren, ouderen, comorbiditeit
-> vb. voltaren: niet bij mensen met maagaandoeningen
Dafalgan bruis: niet bij mensen met zout-arm dieet, zit veel Na in
- gewenning = naarmate je een gm voor een langere tijd gebruikt, hoe meer je er van moet gebruiken om
De werkzaamheid te behouden
-> vaak bij verslavende middelen: vb. morfine, drugs, fentanyl, oxycodon
- bijwerking = alle effecten van een gm, behalve waar het voor was voorgeschreven (= indicatie)
-> vb. tradonal (bijwerking = misselijkheid, dus lithican bijgeven)
- interacties = stof/gm kan een ander gm versterken, verzwakken of met rust laten
-> vb. overdosering bij: grapefruitsap – simuastatine
-> vb. doxycycline niet innemen met melk
- verslaving = abstinentieverschijnselen bij plots stoppen
2. naamgeving van geneesmiddelen
Merkgeneesmiddel / referentiegeneesmiddel Generisch geneesmiddel
- speciale benaming - dezelfde werkzame stof als referentie gm
- bijzondere verpakking - door ander farmaceutisch bedrijf
- hoofdletter + ≠ EG of Sandoz - na verlopen octrooi
4
1. ontdekking van geneesmiddelen
1.1 oorsprong
Verleden heden
Extractie uit planten Synthetisch design
-> vb. morfine (papaver) -> nieuwe gmn
Afgescheiden door schimmels -> structurele modificaties
-> vb. penicilline (penicillium species) + minder plaats nodig & optimale werking
Extractie uit dierlijke organen - bijwerking eruit halen, door te prutsen met
-> vb. insuline (koeien) molecule
1.2 ontdekking van farmaca
- per toeval:
-> vb. penicilline: antibioticum (door Alexander Flemming)
-> vb. coumarine: door bloedingen bij koeien, die niet goed bewaarde klaver aten
= orale anti-coagulantia (= anti-stollingsmiddelen)
- trial-and-error:
-> vb. anti-malaria middelen (proguanil & chloroquine)
- echt drugdesign als targeted therapy:
-> goed kennis vereist vd structuur receptor/eiwit, waarop de nieuwe molecule moet aangrijpen
-> vb. voor ontwikkeling <-> reumatoïde artritis of KK zoals monoclonale anti-lichamen
-> vb. trastuzumab: behandeling van HER2 (positieve vormen van borstKK)
- kleine wijzigingen aanbrengen aan reeds bestaande moleculen = “me too” geneesmiddelen:
-> op die manier krijg je nieuwe moleculen
-> vb. omeprazol – esomeprazol -> maagzuursecretie-inhibitor
Citalopram – escitalopram -> antidepressivum
- biologicals of biologische geneesmiddelen
-> afkomstig vn levende organismen & wordt door biotechnologische technieken aangepast
-> vb. cytokines & insuline (uit organen van dieren)
- biosimilars:
-> generieken (namaakproducten) van bestaande biologicals
-> ≠ altijd gelijk aan de referentiebiological (<-> generische geneesmiddelen)
- aanpassingen aan geneesmiddelen om de bijwerkingen als werking te kunnen gebruiken:
-> vb. sulfonamide AB
-> bijwerking: bloedsuiker naar beneden
-> dus nu: hypoglycemiërende sulfamiden
-> vb. viagra
-> bijwerking: tegen hoge bloeddruk
-> dus nu: erectiestoornissen
1
,2. ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel
2.1 preklinische fase
= dieren-experimenten
-> 1. studies in vitro
2. studies in vivo
-> er wordt gelet op:
1) toxiciteit / orgaanafwijkingen / oncogene eigenschappen
-> wat gebeurt er wanneer de concentratie te hoog is
2) werkingsmechanisme
3) farmacokinetische aspecten
-> absorptie
-> distributie
-> metabolisatie
-> eliminatie
2.2 klinische fase
FASE 1
- is het geneesmiddel veilig?
- lage dosis aan gezonde vrijwilligers
- onderzoeken van: werking, bijwerking en toxiciteit
FASE 2
- werkt het geneesmiddel? Wat is de optimale dosering?
- therapeutische werkzaamheid?
- toedienen aan patiënten met bepaalde ziekte/aandoening
- onderzoeken van: doeltreffendhied, bijwerkingen en optimale dosering
FASE 3
- werkt het geneesmiddel beter, even goed of minder dan al bestaande middelen of placebo?
- op grote schaal toegediend
- in vergelijking met placebo of andere reeds bestaande middelen (dubbel-blind onderzoek)
- geneesmiddel = goed & effectief -> registratie bij:
FAGG = federaal agentschap voor geneesmiddelen & gezondheidsproducten
EMA = Europese Medicine Agency
CHMP = committee for medicinal products for human use
FASE 4
- wat zijn nieuwe of zeldzame bijwerkingen of langetermijneffecten?
= post-marketing fase
- FAGG en EMA = verantwoordelijk voor de gm-bewaking of farmacovigilantie
- gemiddeld 12 jaar voor vergunning nieuw gm
-> octrooi (patent) slechts 8-10 jaar voor farmaceutisch bedrijf
-> na deze periode mogen andere bedrijven het namaken
Off-label = geneesmiddel wordt gebruikt voor andere indicatie, doelgroep of dosering
-> vb. bijwerking gebruiken als werking van dat geneesmiddel
2
, -> enkel toegestaan op voorschrift van de arts (B2)
3. wettelijke bepalingen
Artikel 1
Geneesmiddel = elke enkelvoudige of samengestelde substantie met therapeutische of
profylactische eigenschappen mbt ziekten bij mens/dier
Klassiek voorschrift
Moet bevatten:
-> naam, voornaam, adres voorschrijver
-> RIZIV identificatienummer voorschrijver
-> naam, voornaam ontvanger
-> gedagtekende handtekening voorschrijver
-> einddatum vd uitvoerbaarheid
-> indien niet vermeld = 3 maand
- door: huisarts, specialist, tandarts, vroedvrouw
Elektronisch voorschrift
moet altijd + BEV (bewijs van elektronisch voorschrift)
-> anders niet geldig
4. terugbetalingsmodaliteiten
- RIZIV = verantwoordelijk voor de beslissing of een gm al dan niet
Terugbetaald wordt
- remgeld = kleine bedrag dat betaald wordt door de patiënt
- of een patiënt recht heeft op een terugbetaling wordt bepaald door:
1) vergoedingscategorie waar het geneesmiddel toe behoort
2) grootte van de verpakking
3) statuut van de verzekerde
-> gewoon of met verhoogde tegemoetkoming
- soms specifiek attest nodig
-> vb. bij directe orale anti-coagualantia (rivaroxaban)
Hoofdstuk 2: het geneesmiddel
1. werking van geneesmiddelen
- causale werking:
-> curatieve werking op de oorzaak
-> vb. antibioticum
- profylactische werking / preventieve therapie:
-> aandoening voorkomen
-> vb. vaccin
3
, - substitutietherapie:
-> ontbrekende stoffen worden vervangen
-> vb. insuline, ijzer, vitamine B12
- symptomatische therapie:
-> symptomen wegnemen, zonder de oorzaak aan te pakken
-> vb. dafalgan, immodium
- palliatieve behandeling:
-> leven van de zorgvrager zo draaglijk mogelijk maken + verlichting klachten
-> vb. morfine, cortisone, dexamethasone
- diagnostische behandeling
-> oorzaak of aard van de aandoening vaststellen
-> vb. laxativum, bariumhoudende drankjes
- placebo-behandeling
-> geen werkzame bestanddelen
1.1 belangrijkste termen
- indicatie = aandoeningen waarbij een geneesmiddel voorgeschreven kan w (reden van voorschrijving)
-> vb. antihypertensiva, anti-epilepticum, anti-deppressiva, clexane
- contra-indicatie = aandoening waarbij een geneesmiddel niet voorgeschreven mag worden
-> vaak bij risico-patiënten: kinderen, zwangeren, ouderen, comorbiditeit
-> vb. voltaren: niet bij mensen met maagaandoeningen
Dafalgan bruis: niet bij mensen met zout-arm dieet, zit veel Na in
- gewenning = naarmate je een gm voor een langere tijd gebruikt, hoe meer je er van moet gebruiken om
De werkzaamheid te behouden
-> vaak bij verslavende middelen: vb. morfine, drugs, fentanyl, oxycodon
- bijwerking = alle effecten van een gm, behalve waar het voor was voorgeschreven (= indicatie)
-> vb. tradonal (bijwerking = misselijkheid, dus lithican bijgeven)
- interacties = stof/gm kan een ander gm versterken, verzwakken of met rust laten
-> vb. overdosering bij: grapefruitsap – simuastatine
-> vb. doxycycline niet innemen met melk
- verslaving = abstinentieverschijnselen bij plots stoppen
2. naamgeving van geneesmiddelen
Merkgeneesmiddel / referentiegeneesmiddel Generisch geneesmiddel
- speciale benaming - dezelfde werkzame stof als referentie gm
- bijzondere verpakking - door ander farmaceutisch bedrijf
- hoofdletter + ≠ EG of Sandoz - na verlopen octrooi
4