Lesnota’s + boek samengevat
1. Wat is filosofie?
1.1 voorwoord
Men gaat op zoek naar zekerheid (dagelijks leven, bestaan, wetenschap, technologie, ...)
Zekerheid: soort illusie
• Taak filosofie: de mens leren hoe te leven zonder zekerheid, zonder verlamd te worden door
onzekerheid (Bertrand Russel, Engels filosoof) ➟ onzekerheden opzoeken en verdragen
• We streven naar een einddoel; een antwoord op alles, maar we zijn te snel verleid te denken alles te
weten
Bertrand Russell: (1872-1970)
- Driehoeksrelatie tussen filosofie, theologie, en wetenschap
- Mens leren hoe te leven zonder zekerheid, de onzekerheden aanvaarden
• Filosofie is ‘een stelsel van vele wegen die van nergens naar niets leiden’ (Ambrose Bierce)
➔ er is geen sluitende definitie; filosofie is zeer veelzijdig en kent verschillende
raakvlakken met o.a. wetenschap en religie ➔ zeer breed, filosofie heeft niet één essentie
➔ een verklaring voor veelzijdigheid en ongrijpbaarheid = geschiedenis
• Kind: waarom-vragen-> deconstructie (waarom ben ik zo, waarom leef ik,…)
(Sketch Louis CK)
• WEIRD acroniem wetenschap: western, educated, industrialized, rich, democratic
Bepaalt de samenleving.
Deze subjecten gebruikt voor hedendaags psychologisch onderzoek-> problematisch
12% wereld is WEIRD-> dus dit is niet representatief voor hele wereld
Statistisch: WEIRD opvallend afwijkend van andere samenlevingen: ook figuurlijk weird
2. drie kenmerken: Attitude; methodologie en domein
2.1 attitude
• Filosofie = liefde voor (levens)wijsheid, verlangen naar meer weten
⇏ maar: ook religieuze leiders, politici, wetenschappers, ... kunnen levenswijs zijn
• Filosofie = kritisch zijn, kritisch denken (gewoontes, alledaagse zekerheden en fundamenten, maar
evenzeer details worden in twijfel getrokken)
⇏ autoriteiten worden uitgedaagd en in twijfel getrokken; is hetgeen wij zien, denken, zeggen,
ondervinden, ... wel de waarheid?
o Autoriteit van personen (filosofen, politici, ...)
o Autoriteit van eigen vermogens (zintuigen, cognitieve vermogens)
Illustratie: Müller-Lyer illusie:
➸ twee evenwijdige en horizontale lijnen worden als verschillende
lengte ingeschat, terwijl ze hetzelfde zijn
➸ zelfs na opmeten, blijven onze ogen twee verschillende lengtes
zien
=> kritiek is niet einddoel; doel = openen van mogelijkheid dat dingen anders kunnen zijn, mens moet
zich niet zomaar neerleggen bij status quo
, => maar: niet enkel filosofen zijn kritisch, ook wetenschappers (zijn ook ruimdenkend, kritisch en
rationeel)
• Filosofie is een Dubbele vraag:
Positieve definitie “filosofie is….”: verzameling van kenmerken uniek voor filosofie
Negatieve bepaling “filosofie verschilt van….”: mate waarin filosofie verschilt van aangrenzende
domeinen
• Dus dubbele doelstelling:
➔ Kennis maken met filosofie: wat gebeurt erin?
➔ Kennis maken met manier van denken (rode draad)-> thema anti essentialisme-> probleem*
• Filosofie is een attitude: kritisch denken (bv hebben wij een lichaam?) (geen unieke attitude)
• Filosofie is een methodologie (intuïtie, conceptuele analyse, gedachte-experiment)
• Essentialisme: overtuiging: bepaalde fenomenen hebben essentiële eigenschappen, hebben
dingen die bij een bepaald domein horen;
Enkel leden van die verzameling hebben die eigenschappen
➔ Probleem*: zwart-witte denkwijze; essentialisme: ander domein-> gaat niet bij filosofie
• Begripsverwarring: verschillende definities: essentialisme
• Filosofie is een domein
➔ Onbeantwoorde vragen bv. bestaat god? Wat is ziekte?
➔ Maar: geen uniek domein
• Filosofie= heterogeen, bestaat uit veel verschillende dingen
• Filosofie = een attitude, = kritisch denken (vergaand); ook wetenschappelijk
• Descartes: kritisch denken: hebben wij een lichaam? Bestaat de buitenwereld?-> twijfel
• Methodologie: elke wetenschap heeft zijn methode
• RCT: randomized controlled trail: wet onderzoeksontwerp waarbij deelnemers willekeurig worden
verdeeld in twee groepen: een behandel- en controlegroep. De controlegroep krijgt placebo
2.2 Methode en Domein van de Filosofie
Filosofen gebruiken drie belangrijke methodes: intuïtie, conceptuele analyse en gedachte-
experimenten.
• Intuïtie
- 17e-18e eeuw: directe, onbetwijfelbare kennis.
- 20e eeuw: spontane, subjectieve overtuigingen (common sense).
- Gebruik: niet uniek voor filosofie, ook aanwezig in de wetenschap.
- Voorbeeld: folks physics – intuïtieve manier waarop mensen denken over hoe dingen werken (bv.
een bal valt naar beneden als je hem loslaat).
• Conceptuele Analyse
- Analyse en verfijning van begrippen zoals liefde, tijd, ziekte en verdringing.
- Doel: betere vragen stellen die dieper inzicht mogelijk maken.
- Gebruik: methode wordt ook buiten de filosofie toegepast.
• Gedachte-experimenten
- Doel: probleemverheldering zonder gebruik van empirische data.
- Meestal “beeld je in”-scenario’s om intuïties op het spoor te komen.
- Voorbeelden:
o Brains in a vat: onze wereld en gedachten zijn mogelijk een illusie, veroorzaakt door een
computer die onze hersenen in een pot vloeistof aanstuurt.
o DBS (Deep Brain Stimulation): manipulatie van specifieke hersendelen via elektrische
stimulatie.
- Belang: zulke scenario’s kunnen niet volledig uitgesloten worden → twijfel aan zekerheden over de
buitenwereld.
- Gebruik: gedachte-experimenten worden ook toegepast in andere domeinen.
• Ontstaan van Experimentele Filosofie
- Filosofie en wetenschap werken samen op basis van empirische bevindingen.
, • Geen Unieke Methoden
- Intuïtie, conceptuele analyse en gedachte-experimenten worden ook buiten de filosofie gebruikt.
➔ Geen sluitend criterium om filosofie als uniek te beschouwen.
• Filosofie als Omlijnd Domein
- Filosofie behandelt fundamentele, vaak onbeantwoordbare vragen (bv. bestaat God? Wat is
liefde?).
2.3 besluit
- Gaat over abstracte vragen die we normaal niet in het dagelijks leven stellen.
- Visie:
o Sommigen zien filosofie als kunst zonder echte vooruitgang.
o Toch heeft filosofie nieuwe wetenschappen voortgebracht (zoals psychologie).
o Ook binnen de wetenschap is er voortdurende verandering en bestaan er tegenstrijdigheden
tussen theorieën (bv. massa bij Newton vs. massa bij Einstein).
3. vier deeldomeinen
filosofie = academische discipline die 4 deeldomeinen bevat
maar: ook de vraag ‘wat zijn die deeldomeinen?’ wat niet eenvoudig te beantwoorden is
3.1 Moraalfilosofie: WAT JE MOET DOEN, HET GOED LEVEN
➔ Gaat over morele plichten: wat we wel of niet moeten doen.
• Normatieve universum: verzameling van rechten, plichten, aanbevelingen, geboden en verboden.
o Onderscheid tussen esthetische, juridische en ethische kwesties.
o Ethische kwesties = deelverzameling van het normatieve universum.
• Niet altijd eenduidig: discussie of juridische wetten een weerspiegeling zijn van ethiek.
• Centrale thema’s:
o Wat betekent het om het goede te doen?
o Wat is een goed leven?
Deeldomeinen kunnen verder onderverdeeld worden, maar grenzen zijn vaag.
3.2 Epistemologie*: WETEN, KENNIS, WAAROVER KUNNEN WE ZEKERE KENNIS HEBBEN
➔ studie van de aard, structuur en mogelijkheid van kennis
• Centrale vragen:
- Wat is kennis?
- Hoe weten we wat we denken te weten?
• Onderzoekt:
- Reikwijdte en betekenis van kennis.
- Wat kunnen we weten?
- Wat betekent het om overtuigd te zijn?
• Gedachte-experiment: Brain in a vat
- Vraagt of en in welke mate we gerechtvaardigd zijn te geloven dat onze kennis waar is.
3.3 Logica*: DEUGDELIJK REDENEREN, REGELS VAN HET REDENEREN
➔ Logica bestudeert correct redeneren en argumenteren.
- Richt zich sterk op het herkennen en weerleggen van drogredenen.
- Voorbeeld: slippery slope — beweren dat kleine stappen onvermijdelijk leiden tot extreme,
ongewenste gevolgen (vb. homohuwelijk leidt zogezegd tot absurde situaties).
3.4 Metafysica*: FUNDAMENTELE KWESTIES, MOELIJK BEGRIP: VOORBEELDEN VAN PROBLEMEN: VRIJE WIL & RUIMTE
EN TIJD,…-> HEBBEN WE ECHTE VRIJE KEUZES?
➔ Metafysica onderzoekt de aard en structuur van de werkelijkheid, voorbij wat we waarnemen.
- Centrale vragen: Wat betekent bestaan? Bestaat er meer dan materie?
- Materialisme: alles is materieel, inclusief mentale toestanden; vrije wil bestaat niet
(determinisme).
, - Dualisme: mentale toestanden bestaan uit niet-materiële ‘geestessubstantie’.
- Ontbreken van vrije wil zou grote gevolgen hebben voor bijvoorbeeld het strafrecht.
➔ *: wetenschapsfilosofie (epistemologie, logica en metafysica) `
4. Geschiedenis van de westerse filosofie: Filosofie en haar geschiedenis
• Definitie via geschiedenis:
- Filosofen bouwen voort op oude ideeën.
- Probleem: cirkelredenering – we nemen aan dat we filosofie al begrijpen.
• Filosofie onder druk:
- Moest zich steeds heruitvinden tegenover mythologie, theologie en wetenschap.
• Ontstaan Westerse Filosofie (6de eeuw v.C.)
- Griekenland: Stadstaten ➔ wetten en waarden ter discussie.
- Natuurfilosofen:
▪ Thales (water), Anaximander (onbepaalde substantie), Anaximenes (lucht).
- Breuk met mythologisch denken: ➔ filosofisch in plaats van religieus verklaren.
• Eerste piek: Plato en Aristoteles
- Plato: Kennis in ideeënwereld.
- Aristoteles: Kennis via waarneming.
➔ Fundamenten van westerse filosofie.
• De Middeleeuwen
- Christendom dominant: Filosofie in dienst van geloof ➔ tunnelvisie.
- Augustinus en Aquino: Probeerden geloof en verstand te verzoenen.
• Moderne Tijd
- Wetenschappelijke revolutie: Naturalistisch denken herleeft.
- Wisselwerking: Filosofie en wetenschap versterken elkaar, maar scientisme ontstaat.
• Leeftijd breekt de filosofie: filosofie is/was in de:
- Antieke oudheid: een mythologie
- Middeleeuwen: een religie
- Moderne tijd: een wetenschap
➔ Filosofie is oud: heruitvinden, herpositioneren-> moelijk te bepalen wat filosofie is (filosofie
= veel verschillende dingen)
5. slotsom
- Filosofie als lopend doel (moving target)-> jacht, jagen/schieten op het wild: het wild beweegt, is
moeilijk scherp te stellen -> ook zo bij filosofie
- Filosofie : je moet de onzekerheid verdragen: (wat is filosofie?), het houdt niet tegen te filosoferen
- Filosofie als therapeuthische activiteit: onzekerheid verdragen
- Filosofie als familie: prototypes en randgevallen
`
, Hoofdstuk 2: René Descartes
1. inleiding
• Descartes: frans middeleeuws filosoof, 17 e E
o Bepaalde filosofische rol: curiosus: teert op nieuwsgierigheid
o Descartes was ook een wetenschapper: wiskunde, fysica,…
o Verdiept zich vooral in epistemologie
o Kind van wetenschappelijke revolutie; bewondering voor wetenschap, maar minachting voor
toenmalige filosofie
‘zonder verstand praten over wat men niet weet’ => inspiratiebron
o Hij ergert zich aan zijn tijdgenoten, zeker zijn voorgangers: de scholastici (scholastiek); middeleeuwse
manier van filosoferen, heel complex geworden (bv leer thomas van aquino)
o 1 van de 5 schedels van Descartes
➔ Vluchtte naar de Nederlanden (vrijdenkenstaat)
➔ Tocht van zijn botten
➔ 1596-1650
• Geen lichaam nodig om te bestaan volgens hem-> dualist
• Onze essentie/eigenlijkheid ligt vervat in de geest, niet in lichaam; lichaam = bijkomstigheid
• Overgang scholastiek naar de moderne filosofie
• Hij speelde (volgens hem) een rol in de overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijd (ca 1500-
1700)
• Hij wilt een zekerheid/waarheid, geen waarschijnlijkheid
• ‘Hoe kunnen we weten wat waar is?’
• Wetenschap vandaag: waarschijnlijkheden, voorgangers: waarschijnlijkheden
• Erasmus: rol vergelijkbaar met die van Descartes
- Rol in de wetenschappelijke revolutie, soort afspiegeling van de revolutie
- Latijn destijds lingua franca
- Erasmus was de eerste die de geschiedenis van de vertalingen van de bijbel durfde uit te
pluizen
- Vertalingen mis, dingen weggelaten en/of toegevoegd-> zo ook dingen die niet in de
oorspronkelijke bijbelteksten stonden
- Hij was veel bezig met bijbelteksten
- Tijd in Leuven: ruzie met theologen
- Drietalencollege: wou nieuwe generatie intellecten
Hij vergelijkt de bijbelteksten om terug te keren naar de oorsprong (de “waarheid”) vd bijbel
Idem: zoektocht naar nieuwe bron van kennis (omgekeerde van autoriteiten)
2. Wetenschappelijke revolutie
2.1 achtergrond
• Wetenschappelijke revolutie: omschakeling ME naar moderne tijd, opkomst wiskunde en
natuurwetenschappen, gevecht met eeuwenoude vooroordelen
• In 17e E -> productieve periode: ontwikkeling wetenschap, waardoor wetenschappelijke revolutie die
zorgde voor verandering in tijdsgeest en mentaliteit
Middeleeuwen definitief voorbij
• Zowel Descartes als Erasmus probeerden de authoriteiten te ondergraven
• In de middeleeuwen was kennis afhankelijk van de authoriteiten; in de wetenschappelijke revolutie
was er een zoektocht naar nieuwe bron van kennis: Descartes met eigen intuïties, Erasmus met
authentieke teksten, empirisme,…
• Gevecht met eeuwenoude vooroordelen: middeleeuwen waren christelijk; veel late middeleeuwse
denkers hun vooroordelen waren gebaseerd op de bijbel, haalden daar hun kennis; dit denken haalde
de nieuwe wetenschap ondderuit