Anatomie hypofyse
- Hypothalamus in de buurt van het derde ventrikel
- Bestaat uit verschillende kernen in groene kader
vermeld
- Is rostraal begrensd door chiasma opticum waar het
nervus opticus door loopt
- Eminentia mediana = belangrijk omdat daar axonen
doorlopen met stimulerende en inhiberende hormonen
o Deze mondt uit in de arterie hypofysialis
superior → stelt daar zijn hormonen vrij
- Hypothalamus in verbinding met hypofyse => hypofyse
bestaat uit 2 delen
o Voorste deel = adenohypofyse → deel dat veel
hormonen vrijstelt en aanmaakt => bestaat uit 3delen:
pars tuberalis (deel in de steel), pars distalis (grootste),
pars intermedia (deel ertussen)
o Soms zijn er cysten tussen neuro- en adenohypofyse = restanten van het rakje van Rathke
o Achterste deel = pars nervosa → neurohypofyse => andere origine van weefsel
- Als je een grote hypofyse tumor hebt => stretch op dura met hoofdpijn tot gevolg of het kan duwen
op chiasma opticum (gezichtsveld uitval = bitemporaal)
- Neus en oog liggen aan de linkerkant als je zo naar de foto kijkt
Ontwikkeling hypofyse
- Vanuit ectoderm ontstaat het voorste
gedeelte van de hypofyse
- Vanuit diencefalon = achterste deel
- Rathke’s zakje = soms zie je nog restanten
ervan → dit zijn dan cysten
- Congenitale aanlegstoornissen = wanneer
de 2 niet goed naar elkaar migreren
o Syndroom van Kallman = geen goede
migratie → mensen kunnen niet ruiken =
anosmie, hypofysaire uitval = hypofyso
,Adeno- en neurohypofyse
- Eminentia mediana: axonen die
inhibitoire en stimulerende hormonen
bevatten → die passeren die eminentia en
geven hun hormonen af in arterie hypofysialis
superior en mondt uit in een kluwen van
bloedvaten => primaire en secundaire plexus
- Bovenste hypofysaire arterie en
onderste
- Stel dat er iemand is met zwaar
traumatic brain injury →
bloeding/trombose/dat de steel doorscheurt
=> dan heb je geen functie meer van je
hypofyse = hypopituïtarisme (moeten
behandeld worden met schildklierhormoon, …)
Relatie hypofyse – omgeving
Sagittaal beeld
- Neurohypofyse = ander weefsel → andere densiteit =
kleurt altijd als een bright spot aan
- II chiasma = chiasma opticum
Coronaal beeld
- Naast carotis = sinus
cavernosus → andere zenuwen
lopen hierdoor: oculomotorius,
trochlearis, abducens (3,4,6)
,Hypothalamus, adeno- en neurohypofyse
- Hypothalamus en hypofyse samen controleren:
schildklier, bijnieren, gonaden, lichaamsgroei,
melksecretie, bloeddruk, renalte water-excretie,
voedsel- en drankinname, energieverbruik
- TSH = thyroid stimulating hormone
- ACTH = adenocorticotroop hormoon →
stimuleert bijnieren
- FSH = follikel stimulerend, LH = luteïne
hormoon
- Endorfines worden afgesplitst van ACTH
- Neurohypofyse: ADH = antidiuretisch hormoon
Distributie van adenohypofysaire cellen
- Het meest aanwezige hormoon = groeihormoon
- TSH = anterieur, prolectine = posterieur, ACTH = meestal centraal
Hypothalamo-hypofysaire relaties
- Neurohypofyse:
o Neuronale connectie (hypothalamo-hypofysaire tractus)
o Vanuit supraoptische nucleus (ADH of AVP) en paraventriculaire nucleus
(oxytocine): neuronaal transport van prohormoon
- Adenohypofyse:
o Vasculaire connectie (hypofysair portaal systeem)
o Vanuit neuronen van ventrale hypothalamus: vasculair transport van
‘releasing’ en ‘inhibiting’ hormoon naar hypofyse
Hypothalamische of hypofysiotrope hormonen
- Worden voornamelijk in pulsen gesecreteerd (sommigen zijn dag-nacht, of licht-donker)
- Hypothalamus ontvangt signalen zoals neurotransmitters vanuit thalamus, cortex, ruggenmerg,
visuele centra, limbisch systeem via neurotransmitters
o Adrenaline, noradrenaline, dopamine, serotonine, acetylcholine, …
- Hypothalamische hormonen stimuleren of inhiberen de hypofyse (via portaal systeem)
o CRH = corticotropine releasing hormone → stijging ACTH
o GnRH = gonadotropine RH → stijging LH en FSH
o GHRH = groeihormoon RH → stijging GH en TSH
o TRH = thyrotropine RH → stijging TSH en PRL
o Somatostatine → daling GH
o Dopamine → daling PRL
Hormonen van de neurohypofyse
- ADH = arginine vasopressine → hebben
we nodig omdat we onze urine moeten
kunnen concentreren
- Als er tekorten zijn van ADH → drinken
6-20 L per dag en plassen dit ook uit
- Vrijgesteld door supraoptische nucleus
= Ca2+ en Na+ afhankelijk => gaan
binden op vasopressine 2 receptoren in
, niertubuli en gaan aquaporine transporters klaarzetten zodat water geresorbeerd kan worden
- ADH werkt ook thv gladde spiercellen van melkklier alveolen en uterus = constrictie
o En het stimuleert de werking van CRH maar vooral van ACTH
- Wanneer moet het geactiveerd worden: bij veel bloedverlies, hypotensie, je bent in de Sahara, …
o Alcohol rem op vrijzetting van ADH, of door corticosteroïden
- Osmolariteit stijgt → dorst receptoren
en ADH receptoren gaan geactiveerd
worden → water intake stijgt + vrij water
stijgt dus je krijgt normalisatie van
osmolariteit
- Normale osmolariteit = 280 → als het
1% stijgt, wordt het systeem al geactiveerd
- Als effectief circulerend volume daalt
met 5-10% => dan ga je thv juxtaglomerulair
apparaat renine vrijstellen → angiotensine
II → ADH receptoren activeren
o Maar ook de lage druk receptoren in de
atria gaan geactiveerd worden => stijging
ADH
- Als BD daalt: hoge druk receptoren in
sinus caroticus geactiveerd → ADH
stimulatie
ADH pathofysiologie: diabetes insipidus
- Aandoening waarbij grote hoeveelheden hypo-osmotische urine worden uitgescheiden (10-20
L/dag) door dysfunctie van waterreabsorptie (vrije waterklaring):
o Polyurie
o Volumedepletie met hyperosmolariteit en hypernatriëmie
o Polydipsie = extreme dorst en overmatige vochtinname
- Etiologie
o Centrale diabetes insipidus: daling ADH release tgv problemen thv
▪ Hypothalame osmoreceptoren
▪ Supra-optische of paraventriculaire nuclei
▪ Supraopticohypofysaire tractus
o Nefrogene diabetes insipidus: renale tubulaire resistentie tov ADH of inadequate werking
van ADH thv nier
- SIADH = syndroom van inadequate secretie van ADH
o Aandoening waarbij onaangepaste secretie van ADH optreedt (komt frequent voor)
▪ Hyponatriëmie
▪ Hypo-osmolariteit
▪ Verminderd urinedebiet
o Etiologie:
▪ Maligniteit met autonome ectopische ADH secretie: kleincellig longcarcinoom
▪ Niet-maligne longaandoeningen oa pneumonie
▪ CZS aandoeningen
▪ Farmaca: SSRI, TCA, antipsychotica, amiodarone, …
▪ Hypothyroïdie