Vorm van bindweefsel: steunweefsel
Kraakbeen (chondro-)
➢ Cellen mooi afgelijnd -> lacunes -> isogene groepen: kraakbeen
➢ Volwassen kraakbeencellen (chondrocyten) zijn nog in staat om te delen (hierdoor krijg je
isogene groepen in lacunes)
➢ Kraakbeen matrix is hard, maar flexibel
➔ Chondrocyten: bevinden zich in lacunes omringd door kraakbeenmatrix
➢ Onvolwassen kraakbeencellen aan de periferie: chondroblasten, maken de botmatrix aan,
zullen zichzelf insluiten
➔ Chondroblasten ontstaan uit ongedifferentieerde cellen in een bindweefselgedeelte, rondom
kraakbeen = perichondrium
➔ In perichondrium bevinden zich fibroblasten -> krijgen signalen om zich om te vormen tot
chondroblasten
IT = interterritoriale matrix
TM territoairale matrix
, Subtypering van kraakbeen :
Hyalien kraakbeen Elastisch kraakbeen Vezelig kraakbeen
➢ Egaal uitzicht ➢ Elastische vezels ➢ Isogene groepen in rij
➢ Collageen type II (orceïne) ➢ Collageen type I vezels
vezels
Botweefsel (osteo-)
➢ Cellen mooi afgelijnd -> lacunes -> geen isogene groepen -> botweefsel
➢ Zeer harde verkalkte matrix -> geen diffusie van voedingstoffen
➢ Osteocyten (volwassen botcellen) : volledig omgeven door botmatrix, in lacunes
➔ Extracellulaire matrix = verkalkt
➔ Geen diffusie van voedingstoffen -> oplossing: canaliculi, kleine kanaaltjes
➢ Botbalkjes + mergholte (beenmerg)
➢ Periferie: periost bestaat uit verschillende lagen
➢ Osteoblasten (onvolwassen botcellen): bevinden zich aan de rand van een botbalkje -> nog niet
ingesloten door zijn eigen botmatrix
Plexiform bot Lamellair bot
➢ Primair bot ➢ Secundair bot
➢ Collageen vezels hebben geen specifieke ➢ Volwassen bot
oriëntatie ➢ Lamellen: colageen vezels hebben een
➢ Veel osteoblasten aanwezig specifieke oriëntatie