Hoofdstuk 1: Inleiding crisiscommunicatie
1. Wat verstaan we onder crisis?
Een crisis is een situatie waarbij de normale werking niet meer
volstaat en er moet worden overgeschakeld naar andere
werkprocedures. In zo’n situatie volstaat de gewone
communicatiedienst niet meer en is er nood aan een aparte aanpak:
crisiscommunicatie.
Een crisis wordt gekenmerkt door vier kernaspecten:
• Dreiging → er is gevaar (voor mensen, omgeving, organisatie)
• Onzekerheid → informatie is onvolledig of verandert snel
• Tijdsdruk → beslissingen en communicatie moeten snel gebeuren
• Nood aan coördinatie → meerdere actoren moeten samenwerken
Wat cruciaal is:
een crisis bestaat uit twee realiteiten:
• de feitelijke realiteit (wat er echt gebeurt)
• de gepercipieerde realiteit (hoe mensen het ervaren)
Een situatie wordt pas echt een crisis wanneer het publiek ze als
crisis ervaart. Perceptie speelt dus een centrale rol.
Voorbeeld uit de cursus:
Wat voor de overheid een gezondheidscrisis is (bv. covid), kan voor
burgers eerder een beperking van vrijheid zijn.
Belangrijk inzicht:
Crisisbeheer gaat niet alleen over feiten, maar ook over percepties
sturen.
2. Soorten crisissen
De cursus benadrukt dat er verschillende indelingen bestaan, meestal
gebaseerd op oorzaak en gevolgen.
Hoewel de cursus geen één vaste lijst oplegt, moet je wel begrijpen
dat het type crisis invloed heeft op communicatie.
Indeling obv oorzaak
- Natuurlijke crisissen
Crisissen veroorzaakt door natuurfenomenen.
,Voorbeelden:
• overstromingen
• stormen
• hittegolven
Kenmerk:
• weinig of geen schuldvraag
• focus op waarschuwen en instrueren
- Technologische / menselijke crisissen
Crisissen veroorzaakt door menselijke fouten of technische
problemen.
Voorbeelden:
• industriële ongevallen
• chemische incidenten
• transportongevallen
Kenmerk:
• vaak discussie over verantwoordelijkheid
• communicatie wordt gevoeliger (schuldvraag, vertrouwen)
- Intentionele crisissen
Crisissen waarbij er opzet in het spel is.
Voorbeelden:
• terrorisme
• sabotage
Kenmerk:
• sterke emotionele impact
• veel media-aandacht
• nood aan duidelijke en snelle communicatie
,Indeling obv verloop in de tijd
Men kijkt daarbij naar:
• hoe snel een crisis ontstaat
• hoe snel ze eindigt
Op basis daarvan onderscheiden we vier types:
- Fast-burning crisis
Dit zijn crisissen die plots ontstaan en ook relatief snel voorbij
zijn.
Voorbeelden zijn:
• ongevallen
• branden
• explosies
Deze crisissen kenmerken zich door:
• een plotse impact
• veel chaos in de beginfase
• een grote nood aan snelle communicatie
Hier ligt de focus van crisiscommunicatie vooral op directe en
duidelijke informatie en instructies.
- Slow-burning crisis
Deze crisissen ontwikkelen zich langzaam en blijven ook langdurig
aanwezig.
Voorbeelden:
• pandemieën
• klimaatproblematiek
Kenmerken:
• geen duidelijk beginpunt
• langdurige communicatie nodig
• risico dat mensen de ernst onderschatten of “moe” worden
Hier is het belangrijk om communicatie vol te houden en
gedragsverandering op lange termijn te ondersteunen.
, - Cathartic crisis
Deze crisissen bouwen zich langzaam op, maar eindigen plots.
Voorbeelden:
• schandalen
• problemen die lange tijd verborgen blijven en plots naar buiten
komen
Kenmerken:
• opgebouwde spanning
• plotselinge ontlading
• sterke mediabelangstelling
Communicatie moet hier snel inspelen op een situatie die al langer
onder de oppervlakte zat.
- Long-shadow crisis
Deze crisissen ontstaan plots, maar hebben een langdurige impact.
Voorbeelden:
• terroristische aanslagen
• zware rampen
Kenmerken:
• onmiddellijke schok
• langdurige gevolgen (maatschappelijk, psychologisch)
• langdurige communicatie nodig
Hier ligt de nadruk niet alleen op de acute fase, maar ook op nazorg
en betekenisgeving.
3. Wat verstaan we onder crisiscommunicatie?
Volgens de definitie uit de slides (Nationaal Crisiscentrum):
Crisiscommunicatie heeft als doel de bevolking te waarschuwen,
geruststellen en informeren over de situatie, het verloop en de
maatregelen.
Het gaat dus niet enkel om informatie geven, maar ook om:
• betekenis geven aan de situatie (sensemaking)
• gedrag sturen
• vertrouwen opbouwen of behouden