Le vocabulaire
Chapitre 2. Le contrat
Un accord Een akkoord
Un achat Een aankoop
Acheter Kopen
Un acheteur Een koper
Vendre Verkopen
Un vendeur Een verkoper
Une vente Een verkoop
Une assurance Een verzekering
Un assureur Een verzekeraar
Un(e) assuré(e) Een verzekerde
Assurer Verzekeren
Un bail Een huurovereenkomst
Un bailleur Een verhuurder
Une location Een huur
Un locataire Een huurder
Louer Huren, verhuren
Capable de In staat om
Une capacité Een vermogen
Une cause Een oorzaak
Conclure Afsluiten
Une condition Een voorwaarde
Un consentement Toe- of instemming
Un contractant Een contracterende partij
Contracter (Een contract) afsluiten
Un contrat Een contract
Un contrat d’assurance Een verzekeringscontract
Un contrat de bail Een huurcontract
Contrat de donation (une) Een schenkingsovereenkomst
Un contrat de mariage (un) Een huwelijkscontract
Un contrat de prêt (un) Een leningsovereenkomst
Un contrat de travail (un) Een arbeidsovereenkomst
Un contrat de vente (un) Een verkoopcontract
Convenir Overeenkomen
Une convention Een overeenkomst
Un dol Bedrog
Une tromperie Bedrog
Une erreur Een fout, vergissing, dwaling
Une violence Een geweld
Une volonté Een wil
Un donataire Een begunstigde (van een
schenking)
Un donateur Een schenker
Dû Verschuldigd
Écrit Geschreven
1
Chapitre 2. Le contrat
Un accord Een akkoord
Un achat Een aankoop
Acheter Kopen
Un acheteur Een koper
Vendre Verkopen
Un vendeur Een verkoper
Une vente Een verkoop
Une assurance Een verzekering
Un assureur Een verzekeraar
Un(e) assuré(e) Een verzekerde
Assurer Verzekeren
Un bail Een huurovereenkomst
Un bailleur Een verhuurder
Une location Een huur
Un locataire Een huurder
Louer Huren, verhuren
Capable de In staat om
Une capacité Een vermogen
Une cause Een oorzaak
Conclure Afsluiten
Une condition Een voorwaarde
Un consentement Toe- of instemming
Un contractant Een contracterende partij
Contracter (Een contract) afsluiten
Un contrat Een contract
Un contrat d’assurance Een verzekeringscontract
Un contrat de bail Een huurcontract
Contrat de donation (une) Een schenkingsovereenkomst
Un contrat de mariage (un) Een huwelijkscontract
Un contrat de prêt (un) Een leningsovereenkomst
Un contrat de travail (un) Een arbeidsovereenkomst
Un contrat de vente (un) Een verkoopcontract
Convenir Overeenkomen
Une convention Een overeenkomst
Un dol Bedrog
Une tromperie Bedrog
Une erreur Een fout, vergissing, dwaling
Une violence Een geweld
Une volonté Een wil
Un donataire Een begunstigde (van een
schenking)
Un donateur Een schenker
Dû Verschuldigd
Écrit Geschreven
1