Deel I: afstamming en adoptie
Hoofdstuk 1: Afstamming
Afdeling I: inleiding
Afstamming = juridische band tussen ouders en kind waar rechten en verplichten uit
voortvloeien
Afstamming is een element van de staat van een persoon
Staat van een persoon = geheel van bepaalde hoedanigheden van een persoon die zijn
rechtspositie in de familie en maatschappij bepalen (art. 6, §2 oud BW)
Oorspronkelijke afstamming (bloedband) juridische / adoptieve afstamming (wil van
de partijen van een gezin te stichten)
Meemoeder sinds 1/1/2015: bij lesbisch koppel → de vrouw die het kind draagt is de
moeder en de echtgenote is de meemoeder
Bezit van staat: verschillende elementen die samen de afstamming bepalen
o Een aspect waarbij een burger rechten verkrijgt of verliest (bvb. nationaliteit)
o Bezit van staat moet voortdurend zijn (art. 331nonies oud BW)
o Voorbeelden: betrokkenen heeft kind als zijne behandeld, kind heeft altijd de
naam van de betrokkene gedragen…
Afdeling II: evoluties in het afstammingsrecht
§ 1. Het Burgerlijk Wetboek 1804
Vroeger stigma als kinderen geboren werden buiten een huwelijk → onderscheid tussen:
o Wettige kinderen: geboren binnen het huwelijk
o Onwettige kinderen: geboren buiten het huwelijk
▪ Werden gediscrimineerd
§2. Arrest Marckx
Paula marckx
Bewust alleenstaande moeder (was nog niet echt aanvaardt, kinderen werden
gediscrimineerd). Zodat de kinderen dezelfde rechten zouden hebben als anderen,
moesten ze erkend worden
o Stapt naar het EHRM en kreeg daar gelijk => daardoor moest de wet aangepast
worden
o Wetgeving rond natuurlijke kinderen was in strijd met recht op eerbiediging van
gezins- en familieleven (art. 8 EVRM) en discriminatieverbod (art. 14 EVRM)
§3. Afstammingswetten van 31 maart 1987 en 1 juli 2006
In 1987: discriminatie ten opzichte van natuurlijke kinderen gestopt
In 2006: opnieuw wegwerken van discriminaties (vooral tussen man en vrouw. bv.: vaders
konden kinderen erkennen, moeder niet)
§4. Wet van 6 juli 2007 medisch begeleide voortplanting
Medisch begeleide voortplanting beïnvloeden afstammingsrecht
o Versterken de rol van de wil (intentie in totstandkoming van een
afstammingsband)
o Door de wet werken de afstammingsregels in het voordeel van de wensouders
1
,§5. Rechtspraak Grondwettelijk Hof en wet 21 december 2018
Bepalingen van het afstammingsrecht zijn strijdig met art. 10, 11, 22 en 22bis GW
o GwH stuurt op een hervorming waarbij de rechter de mogelijkheid wordt geboden om
rekening te houden met de belangen van de betrokken personen
Wet 21 december 2018: wegwerking van ongrondwettigheden in het afstammingsrecht
Recht van het kind om zijn afstamming te kennen primeert in onze samenleving
o Anoniem bevalling is dus niet mogelijk → ouders worden geregistreerd
▪ Er ligt een verantwoordelijkheid bij het ziekenhuis om een melding te
maken van de bevalling
§6. Meerouderschap
Nieuwe wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen → wensouders
Nederlandse Staatscommissie Herijking Ouderschap 2016: meerouderschap moet
vanuit het belang van het kind mogelijk zijn
Afdeling III: afstamming langs moederszijde
§1. Overzicht
De afstamming langs moederszijde kan op drie wijzen gevestigd worden:
Op grond van een geboorteakte
Door erkenning
Door gerechtelijke vaststelling
=> de drie wijzen zijn identiek voor alle kinderen (geen onderscheid tussen kinderen
binnen of buiten een huwelijk)
§2. Geboorteakte
A. Vestiging van de afstamming
Moeder is de vrouw die in de geboorteakte is vermeld(art. 44, 2° + 312, §1 oud BW)
o Mater semper certa est = door de vermelding in de geboorteakte, komt de vaststelling
langs moederszijde automatisch vast te staan
o Vrouw in geboorteakte = vrouw die bevallen is
o Ook indien niet zwanger op natuurlijke wijze bvb. draagmoeder
Anonieme bevalling (kan niet in België! Wel in Frankrijk)
o Oplossing in België is de vondelingenschuif (1 puzzelstuk voor de moeder en 1 voor
het kind moest de moeder later willen bewijzen dat ze de moeder is)
Voorwaarde voor geboorteakte: kind wordt levend geboren (= 1 keer ademen; zien aan
longblaasjes)
Doodgeboren Kind
o Geen geboorteakte
o Meer dan 180 dagen na verwekking: wel aangifte
o Minder dan 180 dagen na verwekking: geen aangifte
B. Betwisting van de afstamming
Enkel mogelijk indien er geen Bezit van Staat is
o Bezit van Staat + naam van de moeder in geboorteakte → geen betwisting mogelijk
o Geen Bezit van Staat + naam van moeder in geboorteakte → wel betwisting mogelijk
2
,§3. Erkenning
A. Vestiging van moederschap door erkenning
Art. 313 § 1 oud BW: erkenning is een vrijwillige rechtshandeling die uitgaat van de
persoon die de bedoeling heeft om een afstammingsband met het kind te creëren.
o Erkenning door de moeder is wel uitzonderlijk (mater semper regel)
Art. 329bis oud BW: voorwaarden
o Toestemming van het kind indien het meerderjarig is.
o Indien het kind minderjarig is, van de vader en van het kind (vanaf de leeftijd van
12 jaar)
Procedure in geval van weigering van toestemming: art. 329bis §2, lid 3 oud BW (zie
vaderschap)
Hoe? Art. 327/1 §1 Oud BW: bij akte van erkenning, opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand die de aangifte van de erkenning heeft ondertekend overeenkomstig dit
artikel (zie vaderlijke erkenning)
o Gehuwde erkenner: art. 313 § 3 oud BW – meedelen aan echtgenoot / echtgenote
B. Betwisting van erkenning moederschap
Voorwaarde: geen bezit van staat (art. 330 oud BW)
o Absolute grond niet-ontvankelijkheid?
o GwH betwisting vaderlijke erkenning: art. 330 § 1, eerste lid, tweede zin >< art. 22
Gw. – ongrondwettelijk gevonden
Wie? (art. 330 § 1, eerste lid oud BW) – voorbehouden vordering: de vader, het kind, de
vrouw ten aanzien van wie de afstamming is vastgesteld en door de vrouw die het
moederschap van het kind opeis
Wanneer? (art. 330 § 1, vierde lid oud BW) de termijn verschilt naargelang wie de
vordering instelt.
o Vader, moeder (erkenner): 1 j ontdekking dat erkenner niet moeder is
o Beweerde moeder: 1 j na ontdekking dat zij moeder is of na kennisname
erkenning
o Kind: ten vroegste 12 j en uiterlijk 22 j of binnen 1 j na ontdekking dat erkenner
niet moeder is
o Kind: ten vroegste 12 j en uiterlijk 22 j of binnen 1 j na ontdekking
→ GwH (25 mei 2016) betwisting vaderlijke erkenning: termijn van 1 j vanaf
ontdekking, voor kind ouder dan 22 j >< 10-11 GW
Gegrondheid: art. 330 § 2 oud BW – bewijzen dat de erkenner niet de moeder is, bewijs
met alle middelen van recht
o Voor erkenner en personen die toestemming hebben gegeven (art. 329bis) geldt
bovendien: art. 330 § 1, tweede lid oud BW, zij mogen de erkenning alleen
betwisten indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.
2-in-1 vordering door beweerde moeder (art. 330, §3 en 332quinquies oud BW)
Zie vaderlijke afstamming – gerechtelijke vaststelling)
Gevolg
o Algemeen: afstammingsband t.a.v. erkenner tenietgedaan
o 2-in-1 door beweerde moeder: afstammingsband t.a.v. erkenner tenietgedaan +
vaststelling afstammingsband t.a.v. verzoeker art. 330 § 3 oud BW
3
, §4. Gerechtelijke vaststelling van het moederschap
Toepassingsgebied: art. 314, lid 1 oud BW: wanneer de afstamming van de moeder niet
(meer) vaststaat (uitzonderlijk)
Wie? Art. 332ter oud BW: voorbehouden rechtsvordering – het kind, door de vader van het
kind of door de vermeende moeder
Voorwaarde: art. 314 lid 1 oud BW → art. 332quinquies oud BW (zie vaderlijke
afstamming). De eiser moet bewijzen dat de vermeende moeder van het kind is bevallen,
hij kan dit op twee manieren bewijzen
Bewijs: Art. 314, derde lid oud BW
Hoe? Art. 314, vierde en vijfde lid oud BW, bewijzen dat er een bezit van staat is tov de
vermeende moeder, ofwel, als er geen bezit van staat is, door alle wettelijke middelen
Afdeling IV: afstamming langs vaderszijde
§1. Inleiding
Verschillende wijzen van vestiging van de afstamming naargelang het kind binnen of buiten het
huwelijk is geboren
Binnen het huwelijk → de echtgenoot van de moeder is van rechtswege vader (art. 315 oud
BW)
Buiten het huwelijk
o De vader kan het kind erkennen (art. 319 oud BW)
o Vaderschap kan gerechtelijk vastgesteld worden (art. 322 oud BW) - onderzoek
naar het vaderschap
§2. Vaderschapsregel
A. Vestiging van de afstamming
Vaderschapsregel (art. 315 oud BW): pater is est quem nuptiae demonstrant
Voorwaarden:
o Afstamming van moederszijde is zeker
o Moeder is gehuwd met een man
o Kind is geboren tijdens huwelijk of binnen 300 dagen na het huwelijk (breed
toepassingsgebied)
▪ Als het na 300 dagen is, moet je bewijzen dat je de vader bent (DNA-test)
Zolang het kind binnen het huwelijk geboren is, is de echtgenoot vader
o Ook als de moeder voor het huwelijk een affaire had
Niet van toepassing:
o Huwelijk van personen met hetzelfde geslacht (art. 143, lid 2 oud BW)
o Op een man die wettelijk samenwoont met de moeder
Vermoedens (behoudens tegenbewijs)
Kind wordt vermoed verwekt te zijn in het tijdvak van de 300e tot en met de 180e dag voor
de geboortedag (art. 326 oud BW)
Het kind wordt vermoed verwerkt te zijn binnen het tijdvak en op het tijdstip dat voor hem
gunstig is
o Een kind mag het meest gunstige tijdstip kiezen: stel dat een man sterft voor het
kind is geboren, kan het kind zeggen dat het binnen de 300 dagen verwekt was
om zo de erfenis te kunnen krijgen
4