GOEDERENRECHT
HOOFDSTUK 1. DE LEER VAN DE INDELING VAN DE GOEDEREN
ALGEMENE INLEIDING:
Open vragen + inzichtsvragen + begrijpend lezen.
Tegen 20 maart: leesdossier van 4 teksten ( 3 juridische teksten + 1 filosofische tekst) aan de hand van zelfstudie leren, en daar worden er
begrijpend lezen vragen gesteld, je mag die dus meedoen naar de examens. Inhoudelijke vragen maar ook een eigen inzichtsvraag.
Leesteksten mogen onderlijnd en gefluorisceerd worden, maar geen aantekeningen.
Examen: 18 juni.
ENKELE BEGRIPPEN
Aanvankelijk noemde dit zakenrecht, nu is de naam veranderd door het nieuw BW: boek 3 goederenrecht is inwerkinggetreden op 1
september 2021.
Het privaatrecht regelt de verhouding tussen burgers, zowel fysieke als rechtspersonen. Het privaatrecht slaat ook op personen, maar onze
materie zijn goederen en kadert binnen het vermogensrecht (= recht tot regeling van de patrimoniale subjectieve rechten). Recht is gericht
op het matrimonium, lees: op het vermogen van fysieke en rechtspersonen.
Met patrimoniaal impliceren we dat ze op geld waardeerbaar zijn. Binnen eht vermogensrecht heb je 3 essentiele rechten:
Vorderingsrechten
o Geven het recht op een prestatie van een ander rechtsobject: iets doen, laten of geven. (Art. 5.46 lid 2 BW) • Wij gaan hier
niet verder op in, want al reeds behandeld in verbintenissenrecht, maar komt wel vaak terug.
o Intellectuele rechten
o Rechten die aan een auteur (in meest ruime zin) een tijdelijk, exclusief exploitatie recht op een originele creatie van de
menselijke geest. Laten aan auteur toe aan derden te verbieden de creatie te gebruiken.
o Wij gaan ook hier niet verderop in, zie intellectuele eigendomsrechten.
Zakelijke rechten
o Staat tegenover de andere vermogensrechten omdat we in dat zakelijk recht een rechtstreeks zeggenschap geven over een
goed.
o Enkel wetgever kan zakelijke rechten creëren (art. 3.3, lid 1 BW).
o De heerschappij die je kan hebben over een goed kan zeer ruim zijn, het meest ruime goederenrecht is het eigendomsrecht,
maar je kan ook een beperktere heerschappij hebben: zakelijke gebruiksrechten die facetten hebben van alomvattend
eigendomsrecht, maar niet alles: vruchtgebruik, opstal, erfdienstbaarheden, … (art. 3.3, lid 3 BW).
o Ook belangrijk aspect voor economisch recht.
Bijkomende zakelijke rechten: de zakelijke zekerheden (art. 3.3, lid 4 BW).
o Dit zijn een accessorium van een schuldvordering (een waarborg)
o Ze waarborgen deze schuldvordering (bv. Als je een huis wil kopen neem je hypotheek (= garantie voor de bank, als zij het
goed verkopen, ga je hen eerst goed uitbetalen) maar ook: bijzondere voorrechten, pand en retentierecht)
o <-> persoonlijke waarborgen (als zij niet betaalt, mag je bij mij aankloppen). ◦Betrekking op de geldwaarde van het goed, via
het goed zelf.
Naast de zakelijke rechten en zakelijke zekerheden wordt ook de indeling van goederen en de studie van de oorspronkelijke wijzen van
eigendomsverkrijging met ook bijzondere aandacht voor de bezitsleer bestudeerd in het goederen recht. Ook het publiciteitssysteem komt
aanbod.
1
,DE MODERNISERING VAN HET GOEDERENRECHT
Het goederenerecht is gemoderniseerd geweest door de rechtspraak en rechtsleer. Behalve het appartementsrecht en enkele
aanpassingen aan opstal en hervormingen binnen Hypotheekwet, werd er heel lang (tot 2021) gewerkt met het Burgerlijk Wetboek van
1804, deze moet je situeren in een bijzonder agrarische samenleving.
Met ingang van 1 september 2021: inwerkingtreding van Boek 3 onder Koen Geens. Dit boek moet je lezen met de wet van 4 februari 2020
(wet die het boek publiceerd). Vermits hervorming blijft veel van wat voordien werd geschreven nog nuttig.
Voor het gehele goederenrecht kan je nog stellen dat we nog steeds verder bouwen op het Burgerlijk Wetboek van 1804.
Je zal nog steeds het oude recht moeten kennen omdat alles zaken van voor die datum, nog steeds onder het oude recht vallen en moeten
behandeld worden met dit recht. In sommige gevallen is er geen retroactiviteit.
BELANG VAN HET ZAKENRECHT
Maatschappelijke welvaart. Goederenrecht is bijzonder belangrijk voor goederenrecht, want het biedt u een maatschappij zoals voordien
waar een paar mensen alles bezitten en u alleen gebruiksrechten krijgt. Dit heeft men met de Franse Revolutie gecontesteerd. Men wou af
van de monopolie, armoede en ongelijke behandeling van anderen.
We willen naar een systeem dat elke burger kan zeggen, dit is van mij, ik wil het doorgeven, maar enkel als ik het wil. Dit bestaat nog maar
zo’n 200 jaar doordat ze willen herverdelen moet je een goed rechtssysteem hebben. Vermogen draagt bij aan levenskwaliteit van de
betrokken burger.
Hernando De Soto: ontdekkingsreiziger en econoom die deze visie neerschreef: eigendomstitel geven aan je bevolking (=
publiciteitssysteem) is cruciaal.
Want snel en met zekerheid weten wie welk vermogen heeft, is nuttig voor de medecontractanten en voor de overheid. Vandaar dat we nu
een goed formeel eigendomssysteem hebben waarbij de eigendomsakte wordt overgeschreven naar het kantoor rechtszekerheid van de
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. De zekerheid waarmee je kan aantonen dat een goed van jou is, bepaalt ook
de mate waarin men krediet kan veringen om verdere investeringen te financieren.
Als er geen instantie bestaat waar snel en adequaat betrouwbare antwoorden op vragen te vinden zijn, blijft de bezitting de facto
onwaarschijnlijk lan gonbeweeglijk in de markt, met alle nefaste gevolgen voor de welvaart van de burgers. Het eigendomsrecht wordt dan
ook als grondrecht beschermd (art. 16 Gw.).
ZAAK - VOORWERP - GOED - VRUCHTEN - OPBRENGSTEN - VERMOGEN
Enkele definities overlopen.
Zaak (algemeen): al wat bestaat, met uitzondering van de mens. dit begrip gaat evolueren naar ‘goed’.
Goederen: alle voorwerpen die vatbaar zijn voor toe-eigening met inbegrip van de vermogensrechten zelf. Als je een
vorderingsrecht hebt, dan is dat een goed. (Art. 3.41 BW).
Voorwerp: wat geen persoon en geen dier is, ongeacht of het voorwerp natuurlijk of kunstmatig, lichamelijk of onlichamelijk is.
(Art. 3.38 BW).
o Dieren blijven goederen, maar ze zijn geen voorwerp.
Lichamelijke voorwerpen: zintuigelijk waarneembaar en worden gemeten middels ene momentopname (bv. Aardgas)
o <-> onlichamelijk voorwerp: schuldvordering, auteursrecht, … (Art. 3.40 BW).
Dieren: hebben een gevoelsvermogen en biologische noden. Ze zitten in het eigendomsrecht, maar er bestaat hier bijzondere
wetgeving voor om de heerschappij op dat god zodanig te modaliseren zodat er respectvol mee omgegaan wordt. (Art. 3.39 BW).
o Nieuwgeboren dieren en de voortbrengselen van dieren worden als vruchten beschouwd (Art. 3.42 lid 3 BW).
Vruchten: datgene wat een goed periodiek voortbrengt zonder dat dit de substantie van het goed wijzigt, ongeacht of dit uit
zichzelf gebeurt of als gevolg van de valorisatie ervan. (Art. 3.42 lid 1BW).
o De substantie blijft, maar wordt gevaloriseerd zodanig dat ze vruchten opbrengt.
o Bv. Lammetjes, huuropbrengst van een huis.
Opbrengsten: datgene wat een goed opbrengt maar waardoor de waarde van het goed onmiddellijk of geleidelijk wordt
verminderd. (Art. 3.42 lid 2 BW).
o Je gaat het goed opgebruiken.
o Bv. Zandwinning.
Onderscheid tussen opbrengsten en vruchten speelt een belangrijke rol bij vruchtgebruik.
2
, Vermogen: juridische algemeenheid die het geheel van de bestaande en toekomstige goederen (baten) en verbintenissen (lasten)
omvat. (Art. 3.35 lid 1 BW).
o Dit is een variabele samenstelling: niet alleen wat je nu hebt, maar ook wat je zal krijgen, verdient, spaart, koopt, …
o Elk persoon heeft een vermogen en staat met gans zijn vermogen in bij een schuldvordering (Art. 3.36 lid 1 BW).
o Wij hebben eenheid van vermogen: je staat in voor je volledige vermogen, je kan geen zaken uitsluiten. (Art. 3.35 lid 2
BW).
Let op: er zijn beroepsuitoefenaars (advocaten, gerechtsdeurwaarders, ..) die ook een volledig vermogen hebben,
maar daarnaast ook kwaliteitsrekeningen (= derdenrekening) met gelden van derden die zij onder hun
verantwoordelijkheid, tijdelijk moeten beheren. Maar enkel die gevallen bij de wet bepaald. (Art. 3.37 BW).
belangrijk in het erfrecht en het verbintenissenrecht
Voor verbintenissenrecht zie je het belang best duidelijk, je moet vermogen hebben voor vorderingen: je geraakt niet ver zonder.
Maar voor het erfrecht is het vermogen ook zeer belangrijk maar minder vanzelfsprekend: als je niet geregeld hebt zal wet (wettelijk
erfrecht) bepalen wat er met jouw vermogen gebruikt. Het vermogen gaat over de erfgenamen en vermengd zich met de erfgenamen. Dus
alle vermogensbestanddelen, schuldvorderingen maar ook schulden. Als jij daden van beschikking stelt, dan wordt jij geacht de erfenis te
aanvaarden en moet jij ook de schulden betalen, nl zuiver aanvaarden. Bij in bewaringnemen, geldt dit niet. (Art. 4.41 ev BW).
Veronderstel dat je zeker weet dat er veel schulden zijn, dan kan je de nalatenschap verwerpen. Als iedereen verworpen heeft om te
erven, dan komt het naar de Belgische staat. (Art. 4.44 ev BW).
Naast zuiver aanvaarden en verwerpen dan heb je nog een derde optie: aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving (Art. 4.49 ev
BW).
Je gaat een horizontale splitsing maken tussen het vermogen van de overledene en van de erfgenaam en SE kan zich enkel verhalen op het
vermogen van de overledene en is er te kort? Probleem voor SE (niet voor erfgenaam).
INDELING VAN DE GOEDEREN
Waarom indelen? Omdat goederen in functie van de categorie waartoe ze behoren, een eigen rechtsstatuut hebben: in functie van de
onderscheiden regels die in onsrechtssysteem erop van toepassing zijn, dele wen de goederen in.
=> basis tot normering.
GOEDEREN VOLGENS DE GRAAD VAN TOE-EIGENINGSMOGELIJKHEID:
= in welke mate heb je de toelating van de overheid om heerschappij op die goederen te doen.
Belang van indeling: doorslaggevend voor de vraag of een goed wel het voorwerp kan uitmaken van zakelijke rechten.
“Is dergelijke heerschappij wel mogelijk?”
GOEDEREN IN EN BUITEN DE HANDEL
In de handel: kunnen het voorwerp zijn van vermogensrechten dus van private toe-eigening en verhandeling tussen de burgers. Ze
maken deel uit van het rechtsverkeer. (Art. 5.48 BW).
Buiten de handel: komen in feite wel in aanmerking voor private toe-eigening en verhandeling maar niet in rechte
Gemene voorwerpen (res communes): goederen die aan niemand toebehoren en die gebruikt worden in het algemeen belang en in
het belang van toekomstige generaties (link naar duurzaamheid). Deze onmogelijkheid is in feite, niet in rechte zoals bij goederen
buiten de handel. (Art. 3.43 lid 1 BW).
Niet vatbaar voor toe-eigening voor hun totaliteit maar wel voor een deel bv. Men gebruikt wel grondwater in
waterkrachtcentrales, maar het is niet van hen.
Goederen zonder eigenaar (res nullius): (Art. 3.43 lid 2 BW).
o Ofwel hebben ze nooit een eigenaar gehad maar zijn ze wel vatbaar voor toe-eigening.
o Ofwel heeft de eigenaar er afstand van gedaan (res derelictae), dit pas vanaf ze zich op het openbaar domein bevinden.
Zolang het zich bevindt op privaat domein, is het diefstal.
Onderscheid regeling voor onroerende en roerende goederen. Onroerende goederen zonder eigenaar, behoren tot de staat, maar het
gemene recht blijft van toepassing (wel nog as-recht) (Art. 3.43 lid 2 en 3.66 BW).
3
, Roerende geoderen zonder eigenaar zijn vatbaar voor private toe-eigening, voor zover degene die ze wil toe-eigenen, de verplichtingen die
aan een vinder worden opgelegd in art. 3.59 paragraaf 2 BW naleeft. Roerende goederen die behoren tot een nalatenschap: die kan je niet
toe-eigenen want het gaat naar de erfgenaam (is er geen erfgenaam -> dan is het voor de staat).
Gevonden goederen: goederen kunnen gevonden worden wanneer ze:
Verloren goederen zijn (eigenaar is onbekend)
Res nullius zijn
Schatten zijn (werden verborgen en hadden een eigenaar maar die kan zijn eigendomsrecht niet meer aantonen)
Hoe je een gevonden goed in je vermogen moet laten komen, heeft een zeker weg die we later zullen zien. We zulllen dit zien bij de
vondst.
GOEDEREN VOLGENS HUN GEBRUIK:
VERVANGBARE EN NIET-VERVANGBARE GOEDEREN
Vervangbaar: onderling inwisselbaar (Art. 3.44 lid 1 BW).
Criterium: de wil van de partijen zelf, dus niet een intrinsiek kenmerk van de goederen.
Belang van onderscheid ligt vooral in het verbintenissenrecht:
Kwijting van de schuld kan door het leveren van de vervangende zaak als het voorwerp een vervangbaar goed is ‣
Schuldvergelijking : enkel mogelijk voor geld en vervangbare zaken van dezelfde soort (Art. 5.225 BW).
VERBRUIKER EN NIET-VERBRUIKBARE GOEDEREN
Verbruikbare goederen: kan men niet gebruiken zonder erover te beschikken (Art. 3.44 lid 2 BW). Ze gaan verloren (feitelijk of
juridisch) bij het eerste gebruik dat men ervan maakt.
Belang: bruikleen/verbruikleen (voornamelijk bij vruchtgebruik) (Art. 1874 oud BW). Als vruchtgebruik valt op verbruikte goederen, dan
kan die het goed niet teruggeven in de staat van aanvang, dan gaan we andere regels toepassen. ( Art. 3.148, 3° BW). Vruchtgebruiker
heeft ook enkele verplichtingen wanneer het teruuggave van de goederen plaatsvindt (gaan we later verder op in bij vruchtgebruik) ( Art.
3.159 BW).
SOORT GOEDEREN EN BEPAALDE GOEDEREN (GENERA EN SPECIES)
Soort goederen: bv. je koopt melk, maakt niet uit welke doos melk. // genera (Art. 3.44 lid 3 BW)
Bepaalde goederen: individueel bepaalde goederen. // species
Vooral in goederen recht speelt dit een rol, het gaat om de aard van het goed.
Belang van dit onderscheid:
In het goederenrecht : teruggave bij einde vruchtgebruik, specialiteitsbeginsel, vermenging ‣ In het verbintenissenrecht :
leer van de eigendomsoverdracht en de risicoleer
UITBREIDING TE KENNEN (!!!)
De leer van het eigendomsoverdracht en de risicoleer: wanneer eigendom overgaat van loutere wilsovereenstemming
(consensus) en zo komt de verkoop tot stand tussen de partijen. Risico: ik verkoop mijn auto, wanneer moet de koper zich dan verzekeren
want stel dat er een boom op valt? Vanaf wanneer is het zijn risico? Wie moet dit betalen? De koper (het risico ging al over bij de
eigendomsoverdracht).
Koop je soort goederen: risico’s gaat over wanneer ze geïndividualiseerd zijn voor jou. (Art. 3.14, paragraaf 2, lid 3 BW)
Koop je bepaalde goederen: risico gaat over vanaf eigendomsoverdracht (Art. 5.80 BW)
Stel:
o Je koopt een huis: akkoord koper - verkoper
o Huis is verkocht door wederkerige verbinding
o Solo consensu: geen enkele vorm nodig toch gaan we een verkoopovereenkomst vastleggen
4
HOOFDSTUK 1. DE LEER VAN DE INDELING VAN DE GOEDEREN
ALGEMENE INLEIDING:
Open vragen + inzichtsvragen + begrijpend lezen.
Tegen 20 maart: leesdossier van 4 teksten ( 3 juridische teksten + 1 filosofische tekst) aan de hand van zelfstudie leren, en daar worden er
begrijpend lezen vragen gesteld, je mag die dus meedoen naar de examens. Inhoudelijke vragen maar ook een eigen inzichtsvraag.
Leesteksten mogen onderlijnd en gefluorisceerd worden, maar geen aantekeningen.
Examen: 18 juni.
ENKELE BEGRIPPEN
Aanvankelijk noemde dit zakenrecht, nu is de naam veranderd door het nieuw BW: boek 3 goederenrecht is inwerkinggetreden op 1
september 2021.
Het privaatrecht regelt de verhouding tussen burgers, zowel fysieke als rechtspersonen. Het privaatrecht slaat ook op personen, maar onze
materie zijn goederen en kadert binnen het vermogensrecht (= recht tot regeling van de patrimoniale subjectieve rechten). Recht is gericht
op het matrimonium, lees: op het vermogen van fysieke en rechtspersonen.
Met patrimoniaal impliceren we dat ze op geld waardeerbaar zijn. Binnen eht vermogensrecht heb je 3 essentiele rechten:
Vorderingsrechten
o Geven het recht op een prestatie van een ander rechtsobject: iets doen, laten of geven. (Art. 5.46 lid 2 BW) • Wij gaan hier
niet verder op in, want al reeds behandeld in verbintenissenrecht, maar komt wel vaak terug.
o Intellectuele rechten
o Rechten die aan een auteur (in meest ruime zin) een tijdelijk, exclusief exploitatie recht op een originele creatie van de
menselijke geest. Laten aan auteur toe aan derden te verbieden de creatie te gebruiken.
o Wij gaan ook hier niet verderop in, zie intellectuele eigendomsrechten.
Zakelijke rechten
o Staat tegenover de andere vermogensrechten omdat we in dat zakelijk recht een rechtstreeks zeggenschap geven over een
goed.
o Enkel wetgever kan zakelijke rechten creëren (art. 3.3, lid 1 BW).
o De heerschappij die je kan hebben over een goed kan zeer ruim zijn, het meest ruime goederenrecht is het eigendomsrecht,
maar je kan ook een beperktere heerschappij hebben: zakelijke gebruiksrechten die facetten hebben van alomvattend
eigendomsrecht, maar niet alles: vruchtgebruik, opstal, erfdienstbaarheden, … (art. 3.3, lid 3 BW).
o Ook belangrijk aspect voor economisch recht.
Bijkomende zakelijke rechten: de zakelijke zekerheden (art. 3.3, lid 4 BW).
o Dit zijn een accessorium van een schuldvordering (een waarborg)
o Ze waarborgen deze schuldvordering (bv. Als je een huis wil kopen neem je hypotheek (= garantie voor de bank, als zij het
goed verkopen, ga je hen eerst goed uitbetalen) maar ook: bijzondere voorrechten, pand en retentierecht)
o <-> persoonlijke waarborgen (als zij niet betaalt, mag je bij mij aankloppen). ◦Betrekking op de geldwaarde van het goed, via
het goed zelf.
Naast de zakelijke rechten en zakelijke zekerheden wordt ook de indeling van goederen en de studie van de oorspronkelijke wijzen van
eigendomsverkrijging met ook bijzondere aandacht voor de bezitsleer bestudeerd in het goederen recht. Ook het publiciteitssysteem komt
aanbod.
1
,DE MODERNISERING VAN HET GOEDERENRECHT
Het goederenerecht is gemoderniseerd geweest door de rechtspraak en rechtsleer. Behalve het appartementsrecht en enkele
aanpassingen aan opstal en hervormingen binnen Hypotheekwet, werd er heel lang (tot 2021) gewerkt met het Burgerlijk Wetboek van
1804, deze moet je situeren in een bijzonder agrarische samenleving.
Met ingang van 1 september 2021: inwerkingtreding van Boek 3 onder Koen Geens. Dit boek moet je lezen met de wet van 4 februari 2020
(wet die het boek publiceerd). Vermits hervorming blijft veel van wat voordien werd geschreven nog nuttig.
Voor het gehele goederenrecht kan je nog stellen dat we nog steeds verder bouwen op het Burgerlijk Wetboek van 1804.
Je zal nog steeds het oude recht moeten kennen omdat alles zaken van voor die datum, nog steeds onder het oude recht vallen en moeten
behandeld worden met dit recht. In sommige gevallen is er geen retroactiviteit.
BELANG VAN HET ZAKENRECHT
Maatschappelijke welvaart. Goederenrecht is bijzonder belangrijk voor goederenrecht, want het biedt u een maatschappij zoals voordien
waar een paar mensen alles bezitten en u alleen gebruiksrechten krijgt. Dit heeft men met de Franse Revolutie gecontesteerd. Men wou af
van de monopolie, armoede en ongelijke behandeling van anderen.
We willen naar een systeem dat elke burger kan zeggen, dit is van mij, ik wil het doorgeven, maar enkel als ik het wil. Dit bestaat nog maar
zo’n 200 jaar doordat ze willen herverdelen moet je een goed rechtssysteem hebben. Vermogen draagt bij aan levenskwaliteit van de
betrokken burger.
Hernando De Soto: ontdekkingsreiziger en econoom die deze visie neerschreef: eigendomstitel geven aan je bevolking (=
publiciteitssysteem) is cruciaal.
Want snel en met zekerheid weten wie welk vermogen heeft, is nuttig voor de medecontractanten en voor de overheid. Vandaar dat we nu
een goed formeel eigendomssysteem hebben waarbij de eigendomsakte wordt overgeschreven naar het kantoor rechtszekerheid van de
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. De zekerheid waarmee je kan aantonen dat een goed van jou is, bepaalt ook
de mate waarin men krediet kan veringen om verdere investeringen te financieren.
Als er geen instantie bestaat waar snel en adequaat betrouwbare antwoorden op vragen te vinden zijn, blijft de bezitting de facto
onwaarschijnlijk lan gonbeweeglijk in de markt, met alle nefaste gevolgen voor de welvaart van de burgers. Het eigendomsrecht wordt dan
ook als grondrecht beschermd (art. 16 Gw.).
ZAAK - VOORWERP - GOED - VRUCHTEN - OPBRENGSTEN - VERMOGEN
Enkele definities overlopen.
Zaak (algemeen): al wat bestaat, met uitzondering van de mens. dit begrip gaat evolueren naar ‘goed’.
Goederen: alle voorwerpen die vatbaar zijn voor toe-eigening met inbegrip van de vermogensrechten zelf. Als je een
vorderingsrecht hebt, dan is dat een goed. (Art. 3.41 BW).
Voorwerp: wat geen persoon en geen dier is, ongeacht of het voorwerp natuurlijk of kunstmatig, lichamelijk of onlichamelijk is.
(Art. 3.38 BW).
o Dieren blijven goederen, maar ze zijn geen voorwerp.
Lichamelijke voorwerpen: zintuigelijk waarneembaar en worden gemeten middels ene momentopname (bv. Aardgas)
o <-> onlichamelijk voorwerp: schuldvordering, auteursrecht, … (Art. 3.40 BW).
Dieren: hebben een gevoelsvermogen en biologische noden. Ze zitten in het eigendomsrecht, maar er bestaat hier bijzondere
wetgeving voor om de heerschappij op dat god zodanig te modaliseren zodat er respectvol mee omgegaan wordt. (Art. 3.39 BW).
o Nieuwgeboren dieren en de voortbrengselen van dieren worden als vruchten beschouwd (Art. 3.42 lid 3 BW).
Vruchten: datgene wat een goed periodiek voortbrengt zonder dat dit de substantie van het goed wijzigt, ongeacht of dit uit
zichzelf gebeurt of als gevolg van de valorisatie ervan. (Art. 3.42 lid 1BW).
o De substantie blijft, maar wordt gevaloriseerd zodanig dat ze vruchten opbrengt.
o Bv. Lammetjes, huuropbrengst van een huis.
Opbrengsten: datgene wat een goed opbrengt maar waardoor de waarde van het goed onmiddellijk of geleidelijk wordt
verminderd. (Art. 3.42 lid 2 BW).
o Je gaat het goed opgebruiken.
o Bv. Zandwinning.
Onderscheid tussen opbrengsten en vruchten speelt een belangrijke rol bij vruchtgebruik.
2
, Vermogen: juridische algemeenheid die het geheel van de bestaande en toekomstige goederen (baten) en verbintenissen (lasten)
omvat. (Art. 3.35 lid 1 BW).
o Dit is een variabele samenstelling: niet alleen wat je nu hebt, maar ook wat je zal krijgen, verdient, spaart, koopt, …
o Elk persoon heeft een vermogen en staat met gans zijn vermogen in bij een schuldvordering (Art. 3.36 lid 1 BW).
o Wij hebben eenheid van vermogen: je staat in voor je volledige vermogen, je kan geen zaken uitsluiten. (Art. 3.35 lid 2
BW).
Let op: er zijn beroepsuitoefenaars (advocaten, gerechtsdeurwaarders, ..) die ook een volledig vermogen hebben,
maar daarnaast ook kwaliteitsrekeningen (= derdenrekening) met gelden van derden die zij onder hun
verantwoordelijkheid, tijdelijk moeten beheren. Maar enkel die gevallen bij de wet bepaald. (Art. 3.37 BW).
belangrijk in het erfrecht en het verbintenissenrecht
Voor verbintenissenrecht zie je het belang best duidelijk, je moet vermogen hebben voor vorderingen: je geraakt niet ver zonder.
Maar voor het erfrecht is het vermogen ook zeer belangrijk maar minder vanzelfsprekend: als je niet geregeld hebt zal wet (wettelijk
erfrecht) bepalen wat er met jouw vermogen gebruikt. Het vermogen gaat over de erfgenamen en vermengd zich met de erfgenamen. Dus
alle vermogensbestanddelen, schuldvorderingen maar ook schulden. Als jij daden van beschikking stelt, dan wordt jij geacht de erfenis te
aanvaarden en moet jij ook de schulden betalen, nl zuiver aanvaarden. Bij in bewaringnemen, geldt dit niet. (Art. 4.41 ev BW).
Veronderstel dat je zeker weet dat er veel schulden zijn, dan kan je de nalatenschap verwerpen. Als iedereen verworpen heeft om te
erven, dan komt het naar de Belgische staat. (Art. 4.44 ev BW).
Naast zuiver aanvaarden en verwerpen dan heb je nog een derde optie: aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving (Art. 4.49 ev
BW).
Je gaat een horizontale splitsing maken tussen het vermogen van de overledene en van de erfgenaam en SE kan zich enkel verhalen op het
vermogen van de overledene en is er te kort? Probleem voor SE (niet voor erfgenaam).
INDELING VAN DE GOEDEREN
Waarom indelen? Omdat goederen in functie van de categorie waartoe ze behoren, een eigen rechtsstatuut hebben: in functie van de
onderscheiden regels die in onsrechtssysteem erop van toepassing zijn, dele wen de goederen in.
=> basis tot normering.
GOEDEREN VOLGENS DE GRAAD VAN TOE-EIGENINGSMOGELIJKHEID:
= in welke mate heb je de toelating van de overheid om heerschappij op die goederen te doen.
Belang van indeling: doorslaggevend voor de vraag of een goed wel het voorwerp kan uitmaken van zakelijke rechten.
“Is dergelijke heerschappij wel mogelijk?”
GOEDEREN IN EN BUITEN DE HANDEL
In de handel: kunnen het voorwerp zijn van vermogensrechten dus van private toe-eigening en verhandeling tussen de burgers. Ze
maken deel uit van het rechtsverkeer. (Art. 5.48 BW).
Buiten de handel: komen in feite wel in aanmerking voor private toe-eigening en verhandeling maar niet in rechte
Gemene voorwerpen (res communes): goederen die aan niemand toebehoren en die gebruikt worden in het algemeen belang en in
het belang van toekomstige generaties (link naar duurzaamheid). Deze onmogelijkheid is in feite, niet in rechte zoals bij goederen
buiten de handel. (Art. 3.43 lid 1 BW).
Niet vatbaar voor toe-eigening voor hun totaliteit maar wel voor een deel bv. Men gebruikt wel grondwater in
waterkrachtcentrales, maar het is niet van hen.
Goederen zonder eigenaar (res nullius): (Art. 3.43 lid 2 BW).
o Ofwel hebben ze nooit een eigenaar gehad maar zijn ze wel vatbaar voor toe-eigening.
o Ofwel heeft de eigenaar er afstand van gedaan (res derelictae), dit pas vanaf ze zich op het openbaar domein bevinden.
Zolang het zich bevindt op privaat domein, is het diefstal.
Onderscheid regeling voor onroerende en roerende goederen. Onroerende goederen zonder eigenaar, behoren tot de staat, maar het
gemene recht blijft van toepassing (wel nog as-recht) (Art. 3.43 lid 2 en 3.66 BW).
3
, Roerende geoderen zonder eigenaar zijn vatbaar voor private toe-eigening, voor zover degene die ze wil toe-eigenen, de verplichtingen die
aan een vinder worden opgelegd in art. 3.59 paragraaf 2 BW naleeft. Roerende goederen die behoren tot een nalatenschap: die kan je niet
toe-eigenen want het gaat naar de erfgenaam (is er geen erfgenaam -> dan is het voor de staat).
Gevonden goederen: goederen kunnen gevonden worden wanneer ze:
Verloren goederen zijn (eigenaar is onbekend)
Res nullius zijn
Schatten zijn (werden verborgen en hadden een eigenaar maar die kan zijn eigendomsrecht niet meer aantonen)
Hoe je een gevonden goed in je vermogen moet laten komen, heeft een zeker weg die we later zullen zien. We zulllen dit zien bij de
vondst.
GOEDEREN VOLGENS HUN GEBRUIK:
VERVANGBARE EN NIET-VERVANGBARE GOEDEREN
Vervangbaar: onderling inwisselbaar (Art. 3.44 lid 1 BW).
Criterium: de wil van de partijen zelf, dus niet een intrinsiek kenmerk van de goederen.
Belang van onderscheid ligt vooral in het verbintenissenrecht:
Kwijting van de schuld kan door het leveren van de vervangende zaak als het voorwerp een vervangbaar goed is ‣
Schuldvergelijking : enkel mogelijk voor geld en vervangbare zaken van dezelfde soort (Art. 5.225 BW).
VERBRUIKER EN NIET-VERBRUIKBARE GOEDEREN
Verbruikbare goederen: kan men niet gebruiken zonder erover te beschikken (Art. 3.44 lid 2 BW). Ze gaan verloren (feitelijk of
juridisch) bij het eerste gebruik dat men ervan maakt.
Belang: bruikleen/verbruikleen (voornamelijk bij vruchtgebruik) (Art. 1874 oud BW). Als vruchtgebruik valt op verbruikte goederen, dan
kan die het goed niet teruggeven in de staat van aanvang, dan gaan we andere regels toepassen. ( Art. 3.148, 3° BW). Vruchtgebruiker
heeft ook enkele verplichtingen wanneer het teruuggave van de goederen plaatsvindt (gaan we later verder op in bij vruchtgebruik) ( Art.
3.159 BW).
SOORT GOEDEREN EN BEPAALDE GOEDEREN (GENERA EN SPECIES)
Soort goederen: bv. je koopt melk, maakt niet uit welke doos melk. // genera (Art. 3.44 lid 3 BW)
Bepaalde goederen: individueel bepaalde goederen. // species
Vooral in goederen recht speelt dit een rol, het gaat om de aard van het goed.
Belang van dit onderscheid:
In het goederenrecht : teruggave bij einde vruchtgebruik, specialiteitsbeginsel, vermenging ‣ In het verbintenissenrecht :
leer van de eigendomsoverdracht en de risicoleer
UITBREIDING TE KENNEN (!!!)
De leer van het eigendomsoverdracht en de risicoleer: wanneer eigendom overgaat van loutere wilsovereenstemming
(consensus) en zo komt de verkoop tot stand tussen de partijen. Risico: ik verkoop mijn auto, wanneer moet de koper zich dan verzekeren
want stel dat er een boom op valt? Vanaf wanneer is het zijn risico? Wie moet dit betalen? De koper (het risico ging al over bij de
eigendomsoverdracht).
Koop je soort goederen: risico’s gaat over wanneer ze geïndividualiseerd zijn voor jou. (Art. 3.14, paragraaf 2, lid 3 BW)
Koop je bepaalde goederen: risico gaat over vanaf eigendomsoverdracht (Art. 5.80 BW)
Stel:
o Je koopt een huis: akkoord koper - verkoper
o Huis is verkocht door wederkerige verbinding
o Solo consensu: geen enkele vorm nodig toch gaan we een verkoopovereenkomst vastleggen
4