1. INLEIDING
Doel = vorm geven aan een organisatie
• Een organisatie staat onder invloed van wat de buitenwereld van hen verwacht
• Men wilt ervoor zorgen dat een organisatie het beter doet dan ervoor
Niemand wil verandering waardoor je dit moet begeleiden belangrijk om te
communiceren (waarom is het belangrijk, wat is de bedoeling)
Strafrechtsbedeling = een complexe sociale instelling die potentiële, vermeende en daadwerkelijke
criminele activiteiten reguleert binnen grenzen die zijn ontworpen om mensen te beschermen tegen
onrechtmatige behandeling en onterechte veroordeling
• Traditioneel → politie, vervolging, rechtbanken, gevangenissen
Nood aan inclusie van partners zoals inlichtingendiensten, particuliere -
beveiligingsbedrijven, douaneautoriteiten, inspectiediensten, …
• Vanwege alomvattende en holistische benaderingen tegen criminaliteit, maatschappelijke
veranderingen en de toegenomen nadruk op de preventie van criminaliteit (pre-criminaliteit)
Management (enorm veranderd)
• "Managers" werken in organisaties en nemen beslissingen binnen een bepaalde set van culturele
waarden en instituties
Ze beïnvloeden en worden beïnvloed door de omgeving
o Omgeving (PEST) politiek, economisch, sociaal, technologisch
• De studie van management begint tijdens de industriële revolutie
Toename van de schaal van productie: Door de schaalvergroting in de productie zijn er
meer machines nodig, waarvoor personeel moet worden opgeleid om ze te bedienen.
Door veranderende samenleving moeten steeds meer mensen in fabrieken worden
gecoördineerd (men wou van de mens een voorspelbare machine maken.)
Public management komt van public administration
• De overheid moet een aantal producten/ diensten voor de burgers produceren
• Administratie = procedures, stappen die gezet moeten worden
Nadenken over hoe we de administratie zo efficiënt/ effectief mogelijk kunnen maken
(public administration)
Vroeger ging het om de procedure, regels
1
,PA (bv. de wet op het openbaar
ambt)
Verschuiving van PA naar PM gebeurde vooral om meer te publiceren (daarom ging men over naar
de sociale wetenschappen)
H.1 ORGANISATIES EN ORGANISATIESTRUCTUREN
1. ORGANISATIES
Drie betekenissen:
1. Institutioneel = een organisatie is een concreet, afzonderlijk systeem (een entiteit/ identiteit)
2. Instrumenteel = focus op de structuur, procedures en afbakening van verantwoordelijkheden
o Wie doet wat, wanneer, volgens welke standaarden, …
3. Procesmatig = focus op het proces van organiseren, op de activiteiten
= een bewust gecoördineerde sociale entiteit, met relatief duidelijk identificeerbare grenzen en die streeft
naar de realisatie van een gemeenschappelijke doelstelling of doelstellingen (ligt aan de grondslag van wat
een manager moet gaan doen)
• Sociale entiteiten samengesteld uit mensen interactie (je moet samenwerken met mensen maar
dat is niet altijd gemakkelijk)
Taakverdeling
• Doelgericht (je wilt iets realiseren) geen doel, geen bestaansreden
Belangrijk voor change management, want je houdt het altijd in je achterhoofd
• Bewust gecoördineerd (over nadenken) doel realiseren verdeling in departementen
Je gaat afspraken maken, een taakverdeling, .. die je vervolgens gaat samenbrengen (we
denken bewust na over het organiseren en waarom)
• Identificeerbare grenzen wat behoort tot organisatie en wat niet
EEN OPEN/GESLOTEN SYSTEEM?
1) Gesloten systeem = niet afhankelijk van zijn omgeving (ze worden niet beïnvloed door de omgeving,
er verandert niks als de omgeving dit vraagt)tt
Autonoom, begrensd, hermetisch afgesloten van buitenwereld
2
, Toch uitgangspunt van de eerste managementbenaderingen focus op interne systemen
o Jouw operatie/ werking wordt niet in vraag gesteld
o Maar echt gesloten systemen bestaan niet meer door globalisering, internet en
destructieve economische activiteiten (impact economie, politiek, … is te groot)
- Bv. justitie vroeger kon niets aan hun werking raken maar nu heeft de
media een grote invloed op rechterlijke uitspraken
2) Open systeem= continue wisselwerking onderhouden met zijn omgeving om zijn doelstellingen te
kunnen realiseren
Worden beschouwd als systemen -> interagerende componenten
o Bv. politie want als je iemand een boete geeft, dan komt er feedback
Omzetten van input naar output steeds in relatie met omgeving (feedback afnemers)
o Adaptatie aan externe omgeving is cruciaal
- Geldt voor iedere organisatie (bv. gevangenis)
- Men moet voortdurend innovatief zijn, men moet kijken naar wat er in de
samenleving gebeurd (wat burgers denken) →Op deze manier ga je
bepaalde doelstellingen gaan bepalen
DOELSTELLINGEN VAN ORGANISATIES
• Waarde creëren en de gecreëerde waarde verdelen/beschikbaar stellen aan klanten en
stakeholders (ze ervaren impact van u werking zoals politie, parket, CAW, …)
Bij private manegement gaat het altijd om geld (ze willen er beter uitkomen)
Werken = sociale connecties, zelfwaarde, zelfbeeld, sociaal vangnet, …
Vier te onderscheiden types van organisaties o.b.v. finaliteit:
• Zuivere publieke/sociale: focus op oplossen maatschappelijk probleem
maatschappelijke waarde creëren en verdelen (men zoekt een publieke meerwaarde, geen
winst)
• Sociaal economisch sociale en economische doelstellingen, maar maatschappelijke
waardecreatie en verdeling > economische
Men moet zelfstandig (autonoom) kunnen functioneren waardoor het economische
ook belangrijk is
o Je wordt betaald voorwat je doet maar winst staat niet centraal →
maatschappelijke doelstelling
- Bv. beschutte werkplaats, OCMW-ziekenhuis
= public management
• Economisch sociale economische waardecreatie en –verdeling > sociale doelen
Winst staat centraal maar tegelijk heb je ook een sociale functie
Er zijn minder subsidies, de organisatie moet zichzelf redden
o Bv. Privé-rusthuis, privé-kinderopvang
• Ondernemingen economische waardecreatie en – verdeling staat centraal
Je maakt winst en kan deze teruggeven aan de investeerders
3
, MAATSCHAPPELIJKE WAARDE (4 BENADERINGEN)
1. Realiseren van politieke mandaten
Publieke manager realiseert opgelegde doelstellingen zo efficiënt en effectief mogelijk
Opgelegde doelstellingen vaak echter abstract en vaag geen indicatie
maatschappelijke waarde
o Bv. “veiligheid verhogen in bepaalde week” maar hoe meet je dat, over welke
veiligheid gaat het, … (moeilijk om te weten of je wel/ niet goed bezig bent)
Functioneren maakt niet uit, pure realisatie van zaken
2. Realiseren van professionele maatstaven = wat moet er gebeuren om doelstelling te
bereiken (inhoudsgericht)
Experten expliciteren maatschappelijke waarde (bv. activering werklozen)
o Men komt af met eigen interpretatie maar niet noodzakelijk de goeie
o Als je iets wilt veranderen dan moet je crisis creëren men moet
veranderen, terwijl men anders niet graag verandert
Zinvol? Zie generaal en middelen adequaat leger/ziekenhuisdirecteur over besteding
sociale zekerheid
o Je moet opletten dat het geen eigenbelang wordt voor bepaalde
professionele organisaties
3. Uitkomst van analysetechnieken (ze sturen organisaties in bepaalde richtingen)
Rationeel vaststellen via kostenbatenanalyses, kosten-effectiviteitsanalyses,…
Zinvol? Hoe becijfer je maatschappelijke waarde?
o Beleid wil de dag van vandaag heel veel statistiek en registratie aangezien
subjectieve meningen te complex zijn
- Deze zijn wel nodig om de maatschappelijke waarde te berekenen
4. Klanttevredenheid of gemeenschapsgerichte politiezorg
Geaggregeerde individuele nut van de klanten
o De burger is klant van de overheid waardoor die tevreden moet zijn, terwijl
ze vroeger rechten/ plichten had
Zinvol? Finaliteit is maatschappelijke opdracht waarbij klantentevredenheid een
middel is en niet finale doel
o Kwaliteit ligt in het product, niet de tevredenheid
= de waarde die door publieke organisaties wordt gecreëerd door middel van het leveren van
producten, diensten, regelgeving, … (afspraak tussen opdrachtgever en publieke organisatie zelf)
Deze waarde wordt voortdurend gedefinieerd en hergedefinieerd door sociale en politieke
interactie (bv. burgemeesters, gouverneurs)
Managementprocessen helpen bij het creëren en verspreiden van waarde
• Plannen = formuleren van doelstellingen, ontwikkelen van strategieën om doelstellingen te
bereiken en plannen om activiteiten te coördineren en uit te voeren
• Organiseren = wie doet wat, wat moet er gedaan worden, hoe moet het gedaan worden en
wie is verantwoordelijk tegenover wie?
4