1. Algemeen
De neoklassieke theorie krijgt kritiek omdat:
- Er inconsistenties binnen de theorie zitten
- De voorwaarden (zoals perfecte concurrentie) in de realiteit vaak
niet vervuld zijn
- De theorie zelf in vraag wordt gesteld
Daarnaast is er kritiek op het idee van perfecte concurrentie:
- Consument: handelt niet altijd rationeel, maar als
“tevredenheidsdier”
- Producent: streeft vaak naar monopolie i.p.v. concurrentie
→ Hierdoor is perfecte concurrentie eerder een theoretisch model dan
realiteit
Collectieve goederen
Er bestaan verschillende soorten collectieve goederen:
- Zuiver collectief: niet-uitsluitbaar en niet-rivaal (bv. defensie)
- Quasi-collectief: gedeeltelijk collectief
- Sociale goederen: belangrijk voor welzijn (bv. onderwijs)
- Goederen van openbaar nut: basisvoorzieningen (bv.
infrastructuur)
2. Monopolie
Overheidsmonopolie/ natuurlijk monopolie
- Overheidsmonopolie: overheid is enige aanbieder (bv.
spoorwegen)
- Natuurlijk monopolie: één producent is efficiënter door hoge
vaste kosten (bv. nutsvoorzieningen)
Monopolist = prijszetter
- De monopolist bepaalt zelf de prijs (geen concurrentie)
- Doel: winst maximaliseren
Voorwaarde:
MO=MK
Factoren waarmee monopolist rekening houdt
- Elasticiteit van de vraag (hoe gevoelig consumenten zijn voor
prijs)