Hoofdstuk 1
- Bij agogiek gaat het om de vraag hoe mensen veranderen en hoe je hierbij als agoog kunt
ondersteunen en beïnvloeden.
- Pedagogiek is agogiek met kinderen en andragogiek met volwassenen.
Het eigenlijke beïnvloeden: agogie
De praktijkleer ervan: agogiek
De wetenschap ervan: agologie
Het woord veranderen heeft twee betekenissen:
- Ik verander = onovergankelijk
- Ik verander mijn kamer = overgankelijk, lijdend voorwerp bij zich
Vraag: kun jij ook een mens veranderen? Nee, dat kan niet.
Kenmerken van agogie:
- Het gaat om psychosociale verandering (psychisch = alles wat je doet, sociaal = invloed van
anderen of gedrag naar anderen toe)
- De beïnvloeding vindt beroepsmatig plaats
- De beïnvloeding is doelgericht
- De veranderaar werkt systematisch
- Vindt bewust plaats
- De verandering wordt door de betrokkenen gewenst
- De beïnvloeding is niet wederzijds
- Het gaat om (jong)-volwassenen
Definitie:
- Agogiek is de leer van eenzijdige, systematische, doelgerichte en beroepsmatige
beïnvloeding die gericht is op het bereiken van:
o Een meer wenselijk geachte
o Psychosociale situatie van volwassenen (individueel of onderling verband)
o Die zich van deze beïnvloeding bewust zijn
o En die deze situatie ook nastreven.
4 soorten cliëntsystemen (niveaus van psychosociaal functioneren):
- Individuele personen (microniveau)
o Aspecten van het psychosociale functioneren zijn onder andere:
gevoelens, zijn houding, persoonlijke ervaringen, gedrag, zelfbeeld, identiteit
enz.
o Psychosociale veranderingen kunnen zijn :
Gaan aanvaarden dat een zoon zijn eigen keuzes maakt of meer open komen
te staan voor de problemen van groepsgenoten.
- Groepen (microniveau)
o Een verzameling van mensen die elkaar kennen, die met elkaar omgaan en die ook
herkenbaar zijn als bij elkaar horend. (echtparen, gezinnen, teams, klassen enz.)
o Aspecten van het psychosociale functioneren zijn onder andere:
Dezelfde als bij een individu, en ook jaloezie, communicatie, vriendschap,
onderling vertrouwen enz.
o Psychosociale veranderingen kunnen zijn :
, Echtgenoten geven elkaar meer vrijheid, een gezin leert ruzies te beperken.
- Organisaties (mesoniveau)
o Aspecten van het psychosociale functioneren zijn onder andere:
Dezelfde als een individu en groep en ook hiërarchie, geschreven regels,
formele posities, belangentegenstellingen enz.
o Psychosociale veranderingen kunnen zijn :
Invoering van een nieuw managementstructuur, gewijzigde taakverdeling
tussen twee afdelingen van een brandweer, een fusie van twee scholen enz.
- Grotere samenlevingsverbanden (macroniveau)
o Een grote, doorgaans anonieme verzameling mensen die een of ander
gemeenschappelijk kenmerk hebben. De samenstelling wisselt constant.
o Aspecten van het psychosociale functioneren zijn onder andere:
Die van alle voorgaande en de maatschappelijke waarden en normen, veelal
een eigen (sub)cultuur, communicatie is anoniem.
o Psychosociale veranderingen kunnen zijn :
Toenemend milieubewustzijn in Nederland, de scholing van vrouwen in een
ontwikkelingsland, de opkomst van vrijwillige hulp voor bejaarden in een
wijk.
Verandering:
- Vervangen of toevoegen
o Een kind dat gaat kruipen is toevoegen.
- Negatieve uitgangssituatie of positieve uitgangssituatie
o De verandering voor mensen die al een redelijk positieve uitgangssituatie hebben,
verloopt vaak makkelijker dan de mensen die een negatieve uitgangssituatie hebben.
- Niet veranderen is (soms) ook veranderen
o Voorbeeld: besluiten een relatie niet te verbreken.
- Incidentele of structureel
o Incidenteel: een crash dieet volgen
o Structureel: eet- en beweegpatroon aanpassen
o Het kan ook niet alleen maar incidenteel of structureel. Gradueel verschil: het één
kan ook de opmaat tot het andere zijn.
o Risico: meer-van-hetzelfde-oplossing, telkens hetzelfde doen, terwijl het het
probleem niet oplost.
- Veranderbaarheid, verantwoordelijkheid en vrijheid
o Geloof dat ze kunnen veranderen.
o Rol van de agoog: dat plekje in mensen opzoeken dat wel wil veranderen.
Franciscus van Assisi: ‘Geef me de moed om de dingen die ik kan veranderen te veranderen, de rust
om te accepteren wat ik niet kan veranderen. En de wijsheid om het verschil te zien.’
Een verandering kan eenmalig zijn = incidenteel
Maar het kan ook blijvend zijn = structureel
Mindset: iets wat in je hoofd zit, een overtuiging. Voorbeeld: perfectionisme
- Fixed mindset = Overtuiging dat men zelf, of de mens in het algemeen, niet of slechts
moeilijk kan veranderen.
- Growth mindset = Overtuiging dat men zelf, of de mens in het algemeen, kan veranderen.
Procesgericht veranderen:
- Eerder gericht op cliënt dan op probleem
- Werken aan acceptatie en veranderingsbereidheid
, - Motivatiecirkel Prochaska en DiClemente
o Als het gaat om het veranderingsproces zie je verschillende fasen.
Wat heeft de agogiek te bieden?
- Technieken
- Begrippenkader
- Vergroten gedrags- of handelingsrepetoire
- Eigen stijl ontwikkelen
- Jezelf als instrument zien
- Systematische aanpak
- Geen standaardoplossingen
Hoofdstuk 2
Om tot ander gedrag te komen is motivatie erg belangrijk.
• Is nodig om een veranderingsproces te beginnen, maar ook om daarin door te zetten.
• Motivatie in het algemeen groter als:
o er minder bedreiging is
o er meer goeds mee te bereiken (positieve bekrachtiging) of naars te voorkomen
(negatieve bekrachtiging) is
o er meer ondersteuning uit de omgeving is
o er meer/eerder effect waarneembaar is, helemaal wanneer dit succes sneller op de
actie volgt.
dus:
• inventariseren wat cliënt beweegt
• richten op kleine successen
• grote veranderingen helpen opdelen
De belaagde persoonlijkheid
• lagen in de persoonlijkheid
• Bovenste lagen, oppervlakkig (wat voor kleren draag je/wat is je kapsel)
• Onderste lagen, diepe verandering (geloof je/wat zijn je diepste overtuigingen)
• De hoeveelheid weerstand die je hebt, hangt af aan de soort verandering (welke laag)
• Als er een verandering heeft plaatsgevonden en die heb je je eigen gemaakt, dan is de
verandering geïnternaliseerd.
• We spreken van evenwicht als je gedrag overeenkomt met je wensen, als kennis en geloof
overeenkomen enzovoort.
Weerstand tegen verandering
Elke verandering gaat gepaard met weerstand, behalve als het zeer geleidelijk gaat
• constantheid geeft identiteit (je weet wat bij je hoort)
• eigenwaarde en zelfbevestiging van anderen
• (psychische) bedreiging en kwetsbaarheid
• bescherming van het ‘ego’ (het ego wil het liefst niet veranderen)
• afweer- of verdedigingsmechanismen
• Mens is een gewoontedier (we doen wat de massa doet en wat we gewend zijn, dat geeft
zekerheid)
Verdedigingsmechanismen:
Zet je onbewust in. Mechanismen om pijn, verdriet of veranderingen af te wenden.