Module 1: Beginsituatie
Leerdoelen:
• Ik analyseer de beginsituatie van individuele leerlingen en van de klasgroep op basis
van observaties en gegevens.
• Ik leid ontwikkelingsbehoeftes en onderwijsnoden af uit de analyse van de
beginsituatie.
• Ik formuleer specifieke onderwijs- en ondersteuningsnoden concreet en doelgericht.
• Ik vat de essentiële informatie uit handelingsplan samen voor gebruik in de
klaspraktijk.
• Ik leg het verschil uit tussen gestandaardiseerde toetsen en klastoetsen aan de hand
van voorbeelden.
• Ik benoem voor- en nadelen van het gebruik van leerlingvolgsystemen in de
klaspraktijk.
• Ik formuleer criteria waaraan een goed leerlingvolgsysteem moet voldoen.
• Ik bespreek een leerlingvolgsysteem kritisch op bruikbaarheid en meerwaarde voor
de klaspraktijk.
• Ik verzamel en interpreteer data over het leren en ontwikkelen van leerlingen op een
correcte manier.
• Ik interpreteer de resultaten van gestandaardiseerde LVS-toetsen met aandacht voor
betrouwbaarheid en validiteit.
1.1 Beginsituatie als vertrekpunt voor een krachtige leeromgeving
“De beginsituatie is niet alleen een momentopname, maar een dynamisch gegeven dat
continu in beweging is (Royackers, 2023). “
“Naast kennis (cognitieve component) spelen ook sociale, emotionele en contextuele
factoren een grote rol.”
à BeginsituaOe:
• CogniOeve beginsituaOe: bv. voorkennis, leerresultaten, leerstrategieën.
• Sociaal-emoOonele context: bv. moOvaOe, relaOes in de klas, zelQeeld
• Fysieke en materiële context: bv. leeromgeving, thuissituaOe, taalachtergrond.
• Medische of specifieke ondersteuningsnoden: bv. diagnoses, extra noden,
gemoOveerd verslag.
1
,à Voorbeeld: Liesbet scoort laag op begrijpend lezen. Uit kindgesprekken en
oudergesprekken blijkt dat thuis nauwelijks Nederlands wordt gesproken. Hierdoor heeft ze
een beperkte woordenschat. Je houdt als leerkracht rekening met deze beginsituatie. Je
biedt extra visuele ondersteuning en gezamenlijke leesmomenten aan.
à In de negenOende eeuw waren scholen sterk gericht op klassikaal onderwijs en
uniformiteit.
• Doel: grote groepen leerlingen dezelfde basiskennis en vaardigheden aan te leren,
vaak met weinig oog voor individuele verschillen
• Indelen op basis van leeXijd: onderliggende veronderstelling dat deze groep min of
meer dezelfde capaciteiten en behoeXen had à "one-size-fits-all"-model = norm
baseren op een ficOeve, gemiddelde leerling.
• In realiteit = grote variëteit in cogniOeve, sociaal-emoOonele, motorische en
taalvaardigheden, zelfs binnen één klasgroep
à Waarom is het problemaOsch om op het gemiddelde te focussen?
• Leerlingen met hoge capaciteiten kunnen ondergeprikkeld raken à demotivatie,
verveling en zelfs onderpresteren
• Leerlingen met specifieke ondersteuningsnoden kunnen gefrustreerd raken als de
instructie systematisch te hoog gegrepen is à faalangst en afhaken
1.2 Specifieke onderwijsbehoeften
à De klasgroep als mini-maatschappij
• Vast houden aan een fictieve gemiddelde leerling à risico om niemand écht te
bedienen.
• Inzetten op het doorbreken van dit paradigma via differentiatie en een inclusieve
aanpak
• Elke leerling heeft unieke talenten, uitdagingen en interesses. Deze verschillen
zorgen voor een rijke leeromgeving, maar ook voor complexiteit.
àVoorbeeld: In een zesde leerjaar heeX Lise een grote voorsprong in wiskunde; ze lost
moeiteloos vraagstukken op. Tegelijk heeX Senne net extra Ojd en concrete materialen nodig
voor dezelfde opdrachten. Wanneer je enkel mikt op de gemiddelde moeilijkheidsgraad, laat
je beide leerlingen in de kou staan.
à Specifieke onderwijsbehoeXen
• Wat een leerling nodig heeX om opOmaal te leren en zich te ontwikkelen.
• Niet focussen op beperkingen of diagnoses maar op de ondersteunings- en
ontwikkelingsbehoe2en van een leerling
2
,à Deze benadering sluit aan bij het uitgangspunt van handelingsgericht werken (HGW):
• “Wat heeft deze leerling nodig om een bepaald doel te bereiken?”
• Denkwijze structureel ingebed à het nieuwe leersteunmodel = lln specifieke
onderwijsbehoeften actief ondersteunen in het gewoon onderwijs.
à Decreet Leersteun
• Verschuiven focus op labelen naar een focus op specifieke onderwijsbehoeften
à Het leersteunmodel
• Scholen proactief signaleren en in kaart brengen wat leerlingen nodig hebben
• In nauwe samenwerking met ouders en leersteuncentra
• Versterkt de inclusieve werking van scholen + zorgen dat leerlingen zoveel mogelijk in
het gewoon onderwijs kunnen blijven
1.2.1 SOB formuleren
Specifieke onderwijsbehoeften formuleren
• positief, concreet en doelgericht.
• Wat heeft deze leerling nodig om een bepaald doel te bereiken?
à Een goede formulering is:
• Positief: je beschrijft wat de leerling wél nodig heeft, in plaats van enkel te
benoemen wat hij of zij niet kan. Bijvoorbeeld: “Heeft behoefte aan visuele
ondersteuning tijdens de instructie”, in plaats van “Begrijpt uitleg niet goed.”
• Concreet en observeerbaar: vermijd vage termen zoals “moet beter opletten”, en
kies voor formuleringen als “Heeft baat bij herhaling in kleine stappen met check-
inmomenten.”
• Doelgericht: koppel de behoefte aan een leerdoel of ontwikkelingsdoel, zodat
duidelijk is waar je naartoe werkt.
à Voorbeelden;
• Amina is nieuw in de school en spreekt thuis voornamelijk Arabisch. Ze is
gemoOveerd, maar voelt zich onzeker bij schriXelijke opdrachten. à Amina heeX
nood aan mondelinge herhaling van instrucOes en de mogelijkheid om samen te
werken met een klasgenoot voor extra taalsteun.
• Milan is een zeer creaOeve leerling die graag buiten de lijntjes denkt. Tijdens
instrucOes dwaalt hij echter vaak af en mist hij essenOële uitleg. à Milan heeX nood
aan beknopte, visueel ondersteunde instrucOes, gevolgd door een check-inmoment
waarbij hij mondeling herhaalt wat hij moet doen.
3
, 1.2.2 SOB: 3 domeinen
à Handige hulpzinnen
• Scherp en praktisch te formuleren à inspiratielijst
• Deze lijst biedt voorbeeldzinnen en suggesties die je kan gebruiken en aanpassen aan
de context van jouw leerling.
• Door deze hulpzinnen te gebruiken, voorkom je dat je blijft hangen in algemene
opmerkingen en kan je direct handelingsgericht aan de slag.
à Specifieke onderwijsbehoeften formuleren
• Drie domeinen: didactisch, pedagogisch en organisatorisch. Elk domein vraagt
specifieke aandacht van de leraar om de leerling optimaal te begeleiden in zijn of
haar leerproces
1. Didactische aanpassingen
• Wat een leerling nodig heeft op vlak van inhoud en didactische aanpak
• Helpen de leraar om afstemming te vinden tussen leerinhoud en de leerstijl van de
leerling.
• Voorbeelden van didactische aanpassingen:
- Aanpassingen in instructie: visuele ondersteuning (bv. pictogrammen),
expliciete modeling (denk hardop), werken met stappenplannen.
- Aangepaste materialen: concreet materiaal bij wiskunde (blokjes,
meetinstrumenten), letterdozen bij taal.
- Tempoaanpassingen: verlengde instructie, extra inoefentijd, herhaling op
meerdere momenten.
2. Pedagogisch aanpassingen
• Relatie, emotionele veiligheid en motivatie
• Leerlingen leren beter als ze zich veilig, gewaardeerd en begrepen voelen.
• Voorbeelden van pedagogische aanpassingen:
- Extra voorspelbaarheid (bv. dagritmekaarten).
- Positieve bekrachtiging (complimenten, beloningssystemen).
- Gebruik van veilige werkplekken of stilteruimtes.
3. Organisatorische aanpassingen
• L leeromgeving en klasorganisatie
• Kleine organisatorische aanpassingen kunnen grote effecten hebben op de leerwinst
en het welbevinden.
• Voorbeelden van organisatorische aanpassingen:
- Andere zitplaats (bv. vooraan voor een slechthorende leerling).
- Rust- of concentratieplek waar een leerling zich even kan terugtrekken
- Aangepaste roosters of alternatieve werkmomenten.
4