DIFFERENTIËLE
PSYCHOLOGIE
2025-2026
,
,DEEL 1: CONSTRUCTEN EN THEORIEËN OVER INDIVIDUELE VERSCHILLEN
HOOFDSTUK 1: INTERESSEN
1. STRUCTUUR VAN INTERESSEN
INTERESSEN ALS INDIVIDUEEL VERSCHIL
• Grote verschillen tussen interessen van personen
◦ Verschillende aard (smal versus breed interessegebied)
◦ Verschillende intensiteit (één hobby versus verschillende hobby’s, tijd die je besteedt aan interesse)
• Motivationeel aspect! Als men interesse heeft, is men gemotiveerd om door te zetten
• Predictieve validiteit
◦ Interesses zijn geen goede predictor voor prestaties/vaardigheden
◦ Interesses zijn wel een goede predictor voor tevredenheid
◦ Interesses zijn predictief voor performansie: geen lange loopbaan meer, maar verschillende jobs → snel uitgedoofd
• Invalshoek vanuit de praktijk: oriënterend vermogen
◦ Interesses hebben een groot toepassingsterrein (bv: studiekeuze, arbeidsmarkt, leerlingenbegeleiding…)
◦ Sommige interesses gebruik je niet in je job: andere job of in andere activiteit vinden of later na job op focussen
PERSOONS- EN OMGEVINGSKARAKTERISTIEKEN
• Oriëntatie impliceert 2 componenten:
◦ Persoon (P)
◦ Omgeving (O)
• Assessement: persoon en omgeving
◦ We moeten het assessementmodel voor de persoon linken aan het model voor de omgeving
◦ Ideale model: eenzelfde model dat voor zowel persoon als omgeving gebruikt kan worden
• Het succes van de P-O koppeling is onder meer afhankelijk van:
◦ De breedte waarmee eigenschappen van persoon/omgeving worden gemeten
◦ De betrouwbaarheid waarmee eigenschappen van persoon/omgeving worden gemeten
• Taxonomie omvat de basiscomponenten = een soort grootste gemene deler van het terrein dat men wil
bestrijken/onderzoeken
◦ Afbakening van het terrein die men in kaart wil brengen is uiterst belangrijk voor de constructie van een taxonomie
◦ Taxonomie voor interessen: John Holland’s RIASOC typologie
Realistisch: met handen werken, praktijk → praktisch
Intellectueel: onderzoeken, analytisch
Artistiek: creatief bezig zijn
Sociaal: activiteit met anderen, niet materiële
Ondernemend: actie, dingen doen
Conventioneel: voorgeschreven procedures
2. RIASOC: MODEL EN ASSUMPTIES
JOHN HOLLAND
• 1959: publiceert artikel in de Journal of Counseling Psychology
• Boeken: “The Psychology of Vocational Choice” & “Making Vocational Choices”
• Deed intakegesprekken over interesses → rudimentaire theorie → mensen beter oriënteren in de grote organisatie van toen
• Intuïtief opgebouwde theorie, die later meer wetenschappelijk uitgewerkt en onderbouwd werd
• Model beheerst tot vandaag de dag nog steeds de agenda van person- en environment fit onderzoekers → model houdt
empirisch stand
• John groeide van praktijkpsycholoog tot top academische positie aan de Johns Hopkins University
, HOLLAND’S BASISASSUMPTIES
1) Beroepskeuze is een expressie van de persoonlijkheid
◦ Mensen maken keuzes op basis van wat ze graag doen
2) Interessevragenlijsten zijn persoonlijkheidsvragenlijsten
◦ Vandaag: overlappen deels maar ook uniek
3) Stereotypen over beroepen hebben een psychologische en sociologische betekenis
◦ Hebben stereotype beelden ook een kern van waarheid?
◦ Stereotypen om keuzes te maken
◦ Bv: op café, “ik ben psycholoog” “ah jij gaat mij helemaal analyseren zeker?”
4) Mensen met een gelijkend beroep hebben een gelijkend persoonlijkheidsprofiel en persoonlijkheidsontwikkeling
◦ Gelijk maar niet identiek
5) Gegeven hun gelijke profielen zullen dezelfde beroepsbeoefenaars relatief gelijkaardig reageren, problemen oplossen en
situaties structureren
◦ Gelijk reageren, problemen oplossen, op andere manier kijken naar bepaalde zaken, denken en handelen
◦ Bv: brandweermannen hebben aangeleerd hoe te reageren op brand
6) Tevredenheid met het beroep, stabiliteit in de uitoefening en prestatie zijn in functie van P-O match
HOLLAND’S VIER WERKASSUMPTIES
1) Personen kunnen worden beschreven naar hun gelijkenis met zes theoretische menstypen
◦ Dimensies die meer of minder van toepassing zijn
2) Hetzelfde geldt voor omgevingen
3) Personen zoeken omgevingen die hen toelaten om uitdrukking te geven aan hun geprefereerde activiteiten, belangstellingen
en waarden
◦ Aanpassen aan interesses of sneller opgeven van die omgeving en beter passende omgeving zoeken → afstand tussen
wat je graag doet en wat de job je biedt → fit is dynamisch: interesses veranderen
◦ Omgevingen worden door de personen gemaakt
4) (Criterium)gedrag is de resultante van de interactie tussen persoon en omgeving
◦ Meer tevredenheid en prestaties als omgeving matcht met interesses
DE 6 MENS- EN OMGEVINGSTYPES VAN HOLLAND
Het realistische mens- en omgevingstype
• Menstype
◦ Houdt van activiteiten waarin hij direct en manipulatief kan omgaan met dingen
◦ Hij gebruikt graag zijn lichaamskracht, hij mist sociale vaardigheden
• Realistische werkomgeving
◦ Er wordt gewerkt met machines, gereedschap, planten, dieren…
◦ De omgeving stimuleert en beloont mechanisch-technische vaardigheden
• Bv: loodgieter, bergwandelen/natuur
Het intellectuele mens- en omgevingstype
• Menstype
◦ Is er op uit om natuurkundige, biologische en culturele verschijnselen te doorgronden
◦ Hij bezit wetenschappelijke en mathematische vaardigheden
• Intellectuele werkomgeving
◦ Omgeving stimuleert analytische, wetenschappelijke, technische en verbale vaardigheden
• Bv: laborant, werken aan Ugent, programmeren (ICT)
Het artistieke mens- en omgevingstype
• Menstype
◦ Voorkeur voor vrije, ongestructureerde activiteiten waarin hij zich op kunstzinnige wijze kan uiten
• Artistieke werkomgeving
◦ Omgeving stimuleert waarden zoals esthetiek, verbeelding en oorspronkelijkheid
◦ Er is ruimte voor onconventioneel, origineel en zelfs rebellerend gedrag