𝜇 = steekproef
0 = populatie
Typen van multivariate relaties:
Spurieuze relatie= Een associatie tussen X1 en Y is spurieus als beide variabelen afhankelijk zijn
van een derde variabele, X2.
Ketting relatie= X1 heeft invloed of X2 en X2 heeft weer invloed op Y. X1 X2 Y. Variabele X2 is
hierbij een intervening/mediator variabele.
Meerdere oorzaken= Y wordt veroorzaakt door X1 EN X2 (of meerdere oorzaken). Soms zijn
variabelen die aparte oorzaken van Y zijn statistisch onafhankelijk.
Indirect en direct= Als er een suppressor variabele is, ontstaat het effect alleen als die variabele
wordt gecontroleerd. Als het effect van X1 op Y verandert door de aanwezigheid van X2, spreek
je van statistische interactie.
Lurking variabele= een variabele die niet is meegenomen in een studie, maar wel invloed heeft
op de associatie in kwestie.
Simpson’s paradox= als elke associatie in een partiële tabel, na het controleren van een
variabele, de tegenovergestelde richting heeft van de bivariate associatie.
Soorten problemen
Steekproeffout (sampling error) Natuurlijke steekproefvariantie
Sampling bias Selectieve steekproeftrekking
Respons bias Onjuiste antwoord
Non-respons bias Selectieve deelname
Type 1 fout: hangt af van het gekozen significantieniveau
Type 2 fout: hangt af van de effectgrootte, de steekproefgrootte en de variantie in de
steekproef.
- Effectgrootte = hoe sterk het effect van een handeling is op een populatie, waarbij
vergeleken wordt met een andere populatie waarop die handeling niet wordt toegepast.
Cross-sectioneel onderzoek: wordt ieder individu in een groep eenmaal en op hetzelfde tijdstip
geobserveerd of gemeten.
Longitudinaal: Longitudinaal onderzoek is onderzoek waarbij herhaaldelijk en steeds op
dezelfde manier metingen worden verricht om een ontwikkeling in kaart te brengen.
Met univariate toetsen bepaal je globaal genomen, de kans dat een bepaald
steekproefresultaat afkomstig is uit een bepaalde populatie. Bivariate toetsen zeggen iets over
het verband tussen twee variabelen in de populatie op basis van het steekproefresultaat.
De variantie is in de statistiek een maat voor de spreiding van een reeks waarden, dat wil
zeggen de mate waarin de waarden onderling verschillen. Hoe groter de variantie, hoe meer de
, afzonderlijke waarden onderling verschillen, en dus ook hoe meer de waarden van het
"gemiddelde" afwijken.
- Gepoolde variantieschatting =
o het gemiddelde van de varianties binnen de groep (van elk individueel punt tot
het gemiddelde van die groep), daarom is het "Binnen" en niet "tussen". = within.
o Pooled variantie is de SS/df (eigenlijk aantal vrijheidsgraden gecorrigeerd door
SS). Daarom is het gelijk aan de Gemiddelde SS
- Practitioning variance= je gaat proberen variantie te begrijpen en dat toe te wijzen aan
verschillende factoren/interacties.
Standaarddeviatie: de deviatie van een geobserveerde waarde yi ten opzichte van het
gemiddelde 𝑦 is: (yi - 𝑦), oftewel het verschil ertussen.
Interkwartielafstand: het verschil tussen de 3de en 1ste kwartiel. Spreiding middelste helft van
alle waarden.
Omnibus test = globale test = is er een verschil in 1 of meer van de gemiddelden = geen verschil
laten zien in welke groep verschilt = deze enkele "test" beperkt het risico op Type I-fouten bij
het maken van meerdere vergelijkingen in ANOVA
Levene’s test: testen of de varianties gelijk zijn. Deze test gebruiken we om te kijken of de
varianties gelijk zijn voor alle groepen
Tukey’s post-hoc test vergelijkt alle [k*(k-1)/2] pair-wise combinaties tussen groepen. Je doet
meerdere t-testen The Tukey’s post-hoc test applies a correction for the number of
hypotheses being tested.
- Tukey hoe meer groepen, hoe dikker de staarten kans op type 2
fout groeit.
- Voor ongelijke varianties, kan Games-Howell post hoc test worden
geselecteerd
- Voor ongebalanceerde groepsverschillen, rapporteert SPSS resultaten
met Tukey-Kramer correctie
- Exploratief omdat je geen idee hebt
Contrasten = conformatief (bevestigend) = explanatory je hebt van tevoren al een
inschatting gemaakt
Verschil tussen t-verdeling en q-verdeling.
- Hoe meer groepen (k), hoe dikker de staarten van de q verdeling. Kritieke waardes
van de q- verdeling zijn hoger dan die van de t-verdeling.
0 = populatie
Typen van multivariate relaties:
Spurieuze relatie= Een associatie tussen X1 en Y is spurieus als beide variabelen afhankelijk zijn
van een derde variabele, X2.
Ketting relatie= X1 heeft invloed of X2 en X2 heeft weer invloed op Y. X1 X2 Y. Variabele X2 is
hierbij een intervening/mediator variabele.
Meerdere oorzaken= Y wordt veroorzaakt door X1 EN X2 (of meerdere oorzaken). Soms zijn
variabelen die aparte oorzaken van Y zijn statistisch onafhankelijk.
Indirect en direct= Als er een suppressor variabele is, ontstaat het effect alleen als die variabele
wordt gecontroleerd. Als het effect van X1 op Y verandert door de aanwezigheid van X2, spreek
je van statistische interactie.
Lurking variabele= een variabele die niet is meegenomen in een studie, maar wel invloed heeft
op de associatie in kwestie.
Simpson’s paradox= als elke associatie in een partiële tabel, na het controleren van een
variabele, de tegenovergestelde richting heeft van de bivariate associatie.
Soorten problemen
Steekproeffout (sampling error) Natuurlijke steekproefvariantie
Sampling bias Selectieve steekproeftrekking
Respons bias Onjuiste antwoord
Non-respons bias Selectieve deelname
Type 1 fout: hangt af van het gekozen significantieniveau
Type 2 fout: hangt af van de effectgrootte, de steekproefgrootte en de variantie in de
steekproef.
- Effectgrootte = hoe sterk het effect van een handeling is op een populatie, waarbij
vergeleken wordt met een andere populatie waarop die handeling niet wordt toegepast.
Cross-sectioneel onderzoek: wordt ieder individu in een groep eenmaal en op hetzelfde tijdstip
geobserveerd of gemeten.
Longitudinaal: Longitudinaal onderzoek is onderzoek waarbij herhaaldelijk en steeds op
dezelfde manier metingen worden verricht om een ontwikkeling in kaart te brengen.
Met univariate toetsen bepaal je globaal genomen, de kans dat een bepaald
steekproefresultaat afkomstig is uit een bepaalde populatie. Bivariate toetsen zeggen iets over
het verband tussen twee variabelen in de populatie op basis van het steekproefresultaat.
De variantie is in de statistiek een maat voor de spreiding van een reeks waarden, dat wil
zeggen de mate waarin de waarden onderling verschillen. Hoe groter de variantie, hoe meer de
, afzonderlijke waarden onderling verschillen, en dus ook hoe meer de waarden van het
"gemiddelde" afwijken.
- Gepoolde variantieschatting =
o het gemiddelde van de varianties binnen de groep (van elk individueel punt tot
het gemiddelde van die groep), daarom is het "Binnen" en niet "tussen". = within.
o Pooled variantie is de SS/df (eigenlijk aantal vrijheidsgraden gecorrigeerd door
SS). Daarom is het gelijk aan de Gemiddelde SS
- Practitioning variance= je gaat proberen variantie te begrijpen en dat toe te wijzen aan
verschillende factoren/interacties.
Standaarddeviatie: de deviatie van een geobserveerde waarde yi ten opzichte van het
gemiddelde 𝑦 is: (yi - 𝑦), oftewel het verschil ertussen.
Interkwartielafstand: het verschil tussen de 3de en 1ste kwartiel. Spreiding middelste helft van
alle waarden.
Omnibus test = globale test = is er een verschil in 1 of meer van de gemiddelden = geen verschil
laten zien in welke groep verschilt = deze enkele "test" beperkt het risico op Type I-fouten bij
het maken van meerdere vergelijkingen in ANOVA
Levene’s test: testen of de varianties gelijk zijn. Deze test gebruiken we om te kijken of de
varianties gelijk zijn voor alle groepen
Tukey’s post-hoc test vergelijkt alle [k*(k-1)/2] pair-wise combinaties tussen groepen. Je doet
meerdere t-testen The Tukey’s post-hoc test applies a correction for the number of
hypotheses being tested.
- Tukey hoe meer groepen, hoe dikker de staarten kans op type 2
fout groeit.
- Voor ongelijke varianties, kan Games-Howell post hoc test worden
geselecteerd
- Voor ongebalanceerde groepsverschillen, rapporteert SPSS resultaten
met Tukey-Kramer correctie
- Exploratief omdat je geen idee hebt
Contrasten = conformatief (bevestigend) = explanatory je hebt van tevoren al een
inschatting gemaakt
Verschil tussen t-verdeling en q-verdeling.
- Hoe meer groepen (k), hoe dikker de staarten van de q verdeling. Kritieke waardes
van de q- verdeling zijn hoger dan die van de t-verdeling.