NUTSDIEREN II
ECONOMIE
- Economie = gedrag van de mens beschrijven
Strategisch Operationeel
• Lange termijn beslissingen • Korte termijn beslissingen
• ‘’doing the right things’’ • ‘doing things right’’ = het juiste doen (is van
primordiaal belang)
• Heel lastig om strategisch de juiste keuzes
te maken
- Kern van de economie = organiseren van samenwerkingen tussen mensen
STRATEGISCH MANAGEMENT
- Wat is een strategie?
➔ 5 P’s
1) Plan: voorbeeld studeren → werken → eigen bedrijf
starten
2) Patroon: terugkijken op hoe je bent gekomen waar je nu
staat → voorbeeld: fusie Friesland Campina en nu ook
fusie met Milcobel
3) Positie: kijken op basis van je marktpositie → voorbeeld:
colruyt ten opzichte van AH of Delhaize
4) Perspectief: kijk naar de wereld
5) Plooi: regeling van de zaken binnen bedrijf bekijken
EXAMEN: wat is strategie vanuit plan, positie of patroon?
- Idee van een strategie: geeft richting aan een organisatie, focust op inspanningen, geeft betere
definitie van de organisatie aan de buitenwereld en biedt consistentie.
- Verschillende manieren (schools) om een strategie te maken:
1. Design school: conceptie proces
➔ Via SWOT analyse krijg je mission statement
➢ Intern: Strengths en Weaknesses
➢ Extern: Opportunities en Threats
➔ Beperkingen:
➢ Werkt alleen als mensen die beslissing nemen, als SWOT analyse
wordt opgesteld, alle informatie ter beschikking hebben, maar dit is
meestal NIET zo!
➢ Promoot inflexibiliteit
➢ Beperkte relevantie in praktijk
➔ Wanneer relevant?
➢ 1 persoon heeft alle relevante informatie voor de strategie, kan deze informatie
processen, informatie is beschikbaar voordat strategie wordt geïmplementeerd
2. Planning school: formeel proces
➔ Vaak toegepast in praktijk
, ➔ Eerst: brede strategie definiëren → dan praktisch
implementeren + doelen opstellen (KPI) + acties ondernemen
om doelen te halen + in detail uitvoeren → evalueren om terug
bredere doelstellingen te definiëren
➢ Vb. studiekeuze → consequentie voor sociaal leven
➔ Keuzes maken obv capital budgeting
➢ NPV = netto actuele waarde
➢ IRR = internal rate of return
➢ NPV en IRR zijn 2 indicatoren van rendabiliteit
➢ Economen: men wordt gelimiteerd door beschikbare financiële ruimte, iedereen wordt
beperkt door zijn financiële middelen
➔ Capital budgeting: eerst investeer ik in x, als dan nog geld over dan het geld gebruiken voor y.
➔ Beperkingen:
➢ Missen van strategische opties door combineren van investeringen (vb dak isoleren, dan
ook steiger bouwen maar als je jaar later ook ramen gaat
doen dan weer steiger nodig)
➢ Marktfeedback of strategische opties in markt
➢ Correcte info in cashflow/toekomstige opbrengsten: lastig
om deze info te verzamelen, in perfecte wereld heb je alle
info (vb hoeveel tijd met bepaalde DGK handeling bezig)
➢ Y-as = verhoging van de productiviteit, als je teveel aan
data gaat verzamelen dan krijg je eerder verlaging van de
productiviteit
3. Positioning school: analytisch proces → wat is
je marktpositie?
➔ Strategieën zijn generieke identificeerbare
posities op de markt
➔ Gebaseerd op analytische calculatie
➔ BCG matrix → alle producten hebben een
levenscyclus (op begin: lage verkoop, dan
groei en dan plateau of dalen verkoop) Dus:
geen enkel product wordt veel verkocht voor
altijd.
➢ Ieder product: groei – volwassenheid –
afname
➢ Best steeds innoveren → producten
hebben die in verschillende stadia van de levenscyclus zitten
➢ Innoveren door cash cows te vervangen door question marks. Dit kan door
productontwikkeling, binnen bepaalde markt het marktaandeel te vergroten of nieuwe
markt te ontwikkelen
➔ Beperkingen:
➢ Teveel focus op marketing, te smalle context en geen focus op andere zaken zoals
productiekosten en het productieproces etc.
- Definitie marktpositie: men moet een duidelijke strategie kiezen en niet
ergens tussenin gaan zitten waardoor de focus onduidelijk is + hoe men het
competitief voordeel gaat uitbouwen is onduidelijk
- Strategie van porter:
➔ Brede scope en focus op cost: cost leadership → competitief voordeel
bestaat uit kosten, deze zo laag mogelijk houden maar wel veel
producten aanbieden. Concurrenten uitschakelen door te zeggen: ‘wij
zijn de goedkoopste’
➢ Voorbeeld: Colruyt → breed gamma + goedkoop
, ➔ Smalle scope en focus op cost: cost focus → men heeft een smal aanbod maar alsnog focus
op goedkope producten
➢ Voorbeeld: lidl en aldi
➔ Brede scope en focus op diversiteit: differentiation → er ligt geen focus op de prijs maar juist
op het aanbieden van een grote variëteit
➢ Voorbeeld: Delhaize
➔ Smalle scope en focus op diversiteit: differentiation focus → weinig producten aangeboden
maar wel divers aanbod. Dit type is minder voor de hand liggend.
➢ Voorbeeld: lokale bakker
4. Entrepreneurial school: visie proces
➔ Strategie vooral bepaald door wie de leiding heeft (vb Elon Musk)
➔ The golden circle: iemand vooral overtuigen met waarom je iets doet,
niet hoe en wat → het limbisch systeem wordt meer aangesproken,
maar weinig wetenschappelijke basis
➔ Kern van ondernemerschap: anderen kunnen overtuigen van bepaald
idee
5. Cognitive school: mentaal proces
6. Learning school: emergent proces
7. Power school: onderhandelingsproces (onderhandeling)
➔ Vb. landbouwsector gaat bepaalde kant op door beslissingen van verschillende lobby’s
8. Cultural school: collectief proces
➔ Stelling: bepaalt Boerenbond cultuur de keuze van veehouders?
➔ Cultuur begrijpen → weten in welke richting een bepaalde sector evolueert
9. Environmental school: reactief proces
➔ Strategie is niet vanuit intern gevormd maar vaak vanuit externe krachten die erop werken.
Dus omgeving bepaalt wat voor bedrijfstype/organisatie succesvol is en
welke niet
➔ Integratie in intensieve veeteelt en niet bij melkvee
10. Configuration school: transformatie proces
- Bepaalde strategie kan zowel het resultaat zijn van een doelbewuste keuze
waaruit een andere strategie kan ontstaan of dat de uiteindelijke keuze een
combi is van de initiële doelbewuste keuze en andere evoluties die zich
daaruit voorgedaan hebben dat leidt tot een bepaalde gerealiseerde
strategie.
- Prescriptief = strategie is resultaat van beslissingen en tools die je gebruikt,
hieronder vallen design school, planning school en poisitioning school
- Descriptief = hieronder vallen entrepreneurial school, cognitive school, learning school, power
school, cultural school, environmental school en configuration school
- Waarom familiale melkveehouderij meer prominent dan varkensbedrijf?
➔ Stockmanship (kwaliteit bedrijfsleider) in melkvee veel belangrijker, meer automatisering in
varkenshouderij.
➔ Grondgebondenheid is belangrijker bij melkvee
➔ Meer dierenwelzijnsperceptie bij melkvee (bijv beweidingspremie is er al 15 jaar) en dat heb
je niet bij varkens
Waarom is er een verschillende organisatie tussen landbouw/veeteelt en andere economische
sectoren? → beschikbaarheid van productiefactoren (land, arbeid en kapitaal) en type van
productieactiviteit (vb staalproductie vs operatie bij melkvee)
FINANCIEEL MANAGEMENT
- Marginaal denken = kijken naar bijkomende eenheid/kost (vb dier houden of niet → niet kijken
naar gemiddelde kost van het extra dier dat we gaan houden)
, ➔ Marginale kosten geven het bedrag aan waarmee de totale kosten toenemen als een bedrijf
1 extra product produceert
➔ Op korte termijn houden we geen rekening met vaste kosten (vb je pakt voor een ritje naar de
sportschool de auto)
- Opportuniteitskosten = kosten van een economische keuze, uitgedrukt in termen van de best
gemiste kans. Dus als je iets kiest, moet iets anders daarvoor wijken. Vb je hebt een betere koe
dan moet er een andere koe weg of productie van een nieuw je dan moet de productie van een
ouder koekje stoppen. De best gemiste kans hangt natuurlijk af van wat de andere kans is.
PRODUCTIEFUNCTIENANALYSE
= wiskunde beschrijving van de relatie tussen inputs en outputs. Input = voeder, arbeid, huisvesting, DGK
zorgen, genetica en output = melk, eieren, vlees, levende dieren
Grafieken → hoe meer KV, hoe meer productie en dan afvragen of
we moeten mikken op de maximale productie of niet.
Winstmaximalisatie bij productiefunctieanalyse →
Winst = outputs * outputprijs – inputs * inputprijs – vaste kosten
Marginaal product = afgeleide van productiefunctie naar input (=
bijkomende productie per eenheid input)
Winstmaximalisatie door variabele inputkeuze:
marginaal product * outputprijs = inputprijs → maw de inputprijs
en outputprijs bepalen de optimale hoeveelheid inputs
Voorbeeld: hoeveelheid KV aan melkvee hangt af van de melkprijs (outputprijs) en KV prijs (inputprijs) →
als melkprijs stijgt, dan is het economisch verantwoord om meer KV te geven. Als KV prijs daalt, dan is het
economisch verantwoord om meer KV te geven.
INVESTERINGSANALYSE
Investering = aankoop van duurzame kapitaalgoederen (vb nieuwe stal of machine)
Duurzame productiefactoren: de opbrengsten vallen niet in hetzelfde jaar van de aankoop, maar
gespreid over meerdere jaren
- Principe = budgettering = bepalen van extra-opbrengsten en bijkomende kosten per jaar (met-en-
zonder principe)
➔ Rekening houden met tijdsdimensie (100 euro nu is niet gelijk aan 100 euro volgend jaar)
➔ Verdisconteren = actuele waarde bepalen van toekomstig bedrag. Waarde van middelen is
verschillend over de tijd.
Als we investering doen hebben we terugverdieneffect → degene die sneller komen gaan we hoger
waarderen dan degene die langer uitgespreid zijn (vb scanner A en B → scanner A kan je bij meer dieren
gebruiken en meer klanten vragen hiernaar, scanner B gaat langer mee, dan heeft scanner A een sneller
terugverdieneffect dan scanner B
Examen: formule niet kennen maar wel berekening ermee
kunnen maken
r = discontovoet = opportuniteitskost van kapitaal = kost of
waardevermindering van het kapitaal
- Kan verschillend zijn tussen bedrijven