1. Bloedgroepen
1.1. Basisbegrippen
Elke rode bloedcel heeft miljoenen antigenen op het celmembraan.
De bloedgroep wordt bepaald door de aanwezigheid of afwezigheid van
bepaalde antigenen.
Een antigeen is elke molecule die een immuunrespons kan opwekken.
De belangrijkste bloedgroepsystemen zijn:
ABO-systeem
Rhesus-systeem
1.2. ABO-systeem
Het ABO-systeem bepaalt de bloedgroep A, B, AB of O.
De overerving verloopt als volgt:
A en B zijn (co)dominant,
O is recessief.
Regulaire antistoffen zijn antistoffen die van nature aanwezig zijn
zonder voorafgaande blootstelling.
Ze ontstaan door contact met stoffen uit de omgeving die lijken op
bloedantigenen.
Anti-A bij bloedgroep B
Anti-B bij bloedgroep A
Bij transfusie kan agglutinatie optreden als bloedgroepen niet compatibel
zijn.
Bloedgroep O Rh– is de universele donor,
AB Rh+ is de universele ontvanger.
De bloedgroep wordt bepaald door bloed te mengen met verschillende
antistoffen; agglutinatie betekent dat het bijhorende antigeen aanwezig is.
1.3. Rhesus-systeem
Het Rhesus-systeem bestaat uit de antigenen D, C, c, E en e.
Het D-antigeen is het belangrijkste.
, D aanwezig → Rhesus positief (Rh+)
D afwezig → Rhesus negatief (Rh–)
De overerving is dominant.
1.4. Irregulaire antistoffen
Irregulaire antistoffen zijn niet van nature aanwezig. Ze ontstaan na
contact met lichaamsvreemde antigenen:
bijvoorbeeld na transfusie, transplantatie of zwangerschap.
Voorbeelden: anti-D, anti-Kell, anti-Duffy.
Dit proces heet allo-immunisatie: het immuunsysteem maakt antistoffen
aan tegen antigenen van een ander individu.
2. Rhesusantagonisme
2.1. Wat is het?
Rhesusantagonisme ontstaat wanneer een Rhesus-negatieve moeder
antistoffen ontwikkelt tegen het Rhesus-D-antigeen van een Rhesus-
positieve foetus.
De antistoffen (IgG) kunnen de placenta passeren en de rode bloedcellen
van de foetus vernietigen.
De eerste blootstelling van de moeder aan Rh+ bloed veroorzaakt
sensitisatie.
Slechts 0,1 mL foetaal bloed is voldoende om dit proces op gang te
brengen.
Antilichamen worden meestal pas 5 tot 15 weken later detecteerbaar.
2.2. Wanneer kan sensitisatie optreden?
Bloedtransfusie met incompatibel bloed
Orgaan- of stamceltransplantatie
Zwangerschap of obstetrische incidenten zoals:
o miskraam, extra-uteriene zwangerschap
o vlokkentest, amniocentese, externe versie
o abdominaal trauma, placentaloslating, mors in utero
o spontane foetomaternale transfusie