SAMENVATTING
1. SVEN BECKERT – KATOEN – DE OPKOMST VAN HET
OORLOGSKAPITALISME
15e eeuw: katoenproductie concentreerde zich nog steeds in India en China
Aziatische producten bleven toonaangevend in textieltechnologie
Europa was niet in staat te concurreren op overzeese markten omdat kwaliteit
van hun producten achterbleef bij die van India
Europeanen waren afhankelijk van import van katoen uit verre streken
200 jaar later: langzame verandering
uiteindelijke resultaat = radicale reorganisatie van grootste nijverheidsindustrie ter
wereld
vermogen en bereidheid kapitaal en macht uit te breiden naar overkant van de grote
oceanen
Europeanen drongen steeds vaker, met geweld, wereldwijde netwerken van
katoenhandel binnen
Macht gebruiken om nieuwe netwerken op te zetten tussen Afrika, Amerika en
Europa
Europeanen veroverden wereld door hun vermogen wereldwijde katoennetwerken
om te vormen en te domineren
o Niet door nieuwe uitvindingen of superieure technologieën
= eurocentrisch maritiem handelsnetwerk door bewapening van de handel
Eerste stappen richting industriële Revolutie
kleine groep Europeanen greep de macht
Great divergence = groeiende kloof in staatsmacht en een merkwaardige relatie
tussen deze staten en kapitaalbezitters
1492: aankomst Christoffel Columbus in Amerika
= startschot voor grootste landroof in de geschiedenis
Hernan Cortés (Spanje): aanspraak op enorme gebieden in Amerika, Azteekse
Rijk
Portugal: Brazilië veroverd
Fransen: Quebec Louisiana + Caraïbische eilanden zoals Saint-Domingue (Haïti)
en Hispaniola
Engeland : Jamestown, werd onderdeel van kolonie Virginia
1497: Vasco Da Gama veroverde Calicut
had zeeroute vanuit Europa naar India rond Kaap de Goede Hoop opengelegd
voor eerst kregen Europeanen nu toegang tot producten van Indiase wevers (grootste
katoenproducten) zonder afhankelijk te zijn van talrijke tussenpersonen
Na enkele Engels-Nederlandse oorlogen spraken Nederlanders en Britten af hun
belangensferen in Azië te verdelen, waarbij de Indiase textielhandel voornamelijk in
Britse handen kwam
1
,1600: British East India Company
1602: Nederlandse Vereenigde Oost-Indische Compagnie
Ne en Bri op geweld gebaseerde handelsregulering van Portugezen in Gujarat
overgenomen
1616: Deense Dansk Ostindiske Kompagni
1664: Franse Compagnie Française des Indes
= 3 continenten omspannend handelssysteem:
Handelscompagnieën kochten katoenstoffen in India ruilen in Zuidoost-Azië /
naar Europa brengen naar Afrika verschepen met opbrengst kochten ze
slaven die als arbeiders moesten werken op plantages in Nieuwe Wereld
Katoenstoffen werden de belangrijkste handelswaar van EIC: in 1766 maakten ze
al meer dan 75% uit van totale export van EIC
In India zelf was Europese macht beperkt
hield op bij buitenwijken van havensteden of muren van forten die deze soldaten-
handelaren langs kust optrokken
Europese handel was afhankelijk van lokale kooplieden = bania’s die hun
cruciale relaties in stand hielden met inheemse telers, spinners en wevers van
steeds kostbaarder goederen
Europeanen zetten entreposts op = factorijen langs kust van India en in steden
waar hun agenten bij bania’s orders plaatsten voor stoffen en waren verzendklaar
ontvingen
o Was heel afhankelijk van inheemse handelaren
Wevers zelf hadden zeggenschap
o Over hun dagindeling en organisatie van werk
o Waren eigenaar van hun werktuigen
o Behielden zelfs recht om hun producten te verkopen aan wie ze maar
wilden
Met toenemende vraag vanuit Europa konden wevers hun productie en prijzen
verhogen = baat voor hen
=> factorijsysteem waarbij afhankelijkheid van lokale handelaren en lokaal kapitaal
standhield, bleef ongv 2 eeuwen bestaan
Expansie in Noord- en Zuid-Amerika
o Namen goud en zilver mee = het waren die geroofde kostbare metalen
waarmee men de aankoop van katoenweefsels in India financierde
Plantages met suiker, rijst, tabak en indigo = nieuwe methoden
Arbeiders nodig = miljoenen Afrikanen werden naar Noord-, Midden- en Zuid-
Amerika gedeporteerd
Tegen betaling gingen Afrikaanse heersers op jacht naar arbeidskrachten om
vervolgens gevangenen uit te wisselen tegen de producten van de Indiase wevers
o In 3 eeuwen: meer dan 8 miljoen slaven van Afrika naar Amerika vervoerd
Vraag naar katoenweefsels nam toe
o Want Afrikaanse heersers en kooplieden eisten die bijna altijd in ruil voor
slaven
Ontstaan van slavenschepen
2
,=> Europese handel in katoenstoffen verbond Azië, Noord-, Midden- en Zuid-Amerika,
Afrika en Europa met elkaar in een complex handelsnetwerk
De Europeanen hadden een nieuwe organisatie van economische activiteit
uitgevonden
Expansie van Europese handelsnetwerken berustte niet op aanbod van superieure
goederen tegen redelijke prijzen, maar op militaire onderwerping van
concurrenten en dwingende aanwezigheid van Europese handelaren in gebieden
overal ter wereld
Plantagelandbouw = 3 stappen
1. Imperiale expansie
2. Onteigening
3. Slavernij
Kerncompetentie van door Europa overheerste wereld = geprivatiseerd geweld
(met zwaarbewapende kapers-kapitalisten)
Deze periode werd niet gekenmerkt door een bestaand eigendomsrecht, maar
door een golf van onteigening van arbeidskrachten en land = een bewijs van
weinig liberale oorsprong van het kapitalisme
Slavernij = kloppende hard van dit nieuwe systeem
Oorlogskapitalisme = vermogen van rijke en machtige Europeanen om de wereld te
verdelen in
Binnen
o Wetten, instellingen en gebruiken van moederland waar een door staat
afgedwongen orde heerste
Buiten
o Imperiale overheersing, grootschalige onteigening, uitroeiing van
inheemse volken, diefstal van hun middelen, slavernij en gegeven dat
kapitalisten hele stukken land controleerden
In overzeese gebiedsdelen golden regels van ‘binnen’ niet
o Meesters hadden het voor het zeggen
o Daar heerste niet de wet, maar het geweld en kregen markten vorm door
grove fysieke dwang
Multipolaire wereld werd unipolair
= gedomineerd door Europees kapitaal
Belangrijkste geografische verschuiving komst van katoenverwerking naar Engeland
Vraag naar katoen explodeerde
Steeds belangrijker voor kleine boeren
Klassieke uitbestedingssysteem
= platteland werd steeds industriëler en bewoners raakten meer en meer afhankelijk van
werk dat kooplieden uit verre streken hen uitbesteedden
Groeiende klasse van Engelse katoenarbeiders hadden niet zelf toegang tot
grondstoffen of markt (ivg met Indiase)
o Waren volledig ondergeschikt aan kooplieden
Nog minder autonomie en macht dan hun Indiase tegenhangers
o Britse uitbesteders hadden daardoor veel meer macht dan Indiase bania’s
3
, maar belang van Britse katoenarbeiders wordt pas achteraf duidelijk
Trage groei van Europese katoenproductie = door moeilijke toegang tot ruwe
katoen
Belangrijkste leverancier = Ottomaanse Rijk
Nieuwe katoenleverancier: West-Indië
Teelt door petits blancs (kleine aantal boeren)
+ teelt liep vooruit op de toekomst
Verspreide handelsnetwerken invloed niet veel verder dan havensteden zelf
Ze konden aan katoen komen omdat ze ervoor wilden betalen, maar op hoe de
prijs tot stand kwam hadden ze geen invloed
o Lokale telers en kooplieden bleven machtig
Om grote hoeveelheden textiel uit India tegen gunstige prijzen te verkrijgen, begonnen
vertegenwoordigers van Europese Oost-Indische compagnieën zich nog intensiever met
het productieproces in India zelf te bemoeien
Winstgevendheid kon alleen worden verhoogd als Europeanen de wevers konden
dwingen uitsluitend voor hun compagnie te werken
Monopolisering van de markt werd de manier om het inkomen van wevers te
drukken en verkoopprijs van specifieke goederen op te drijven
Politieke controle over steeds meer Indiaas grondgebied werkte in voordeel van
Europese handelaars
= heersers
Dat de staat een particulier bedrijf de politieke macht over verafgelegen gebieden
verleende = revolutionaire herconceptualisering van het begrip economische macht
de staat deelde soevereiniteit over gebied en mensen met private ondernemerschap
controle over productie versterken
Agenten vervingen Indiase kooplieden die als bemiddelaars optraden tussen Indiase
wevers en Europese exporteurs
Met ontslaan van Indiase tussenpersonen konden buitenlandse kooplieden meer
controle verwachten over productie en groter aantal stukgoederen
EIC zetten agenten op eigen loonlijst verantwoordelijkheid wordt aan hen
overgedragen onafhankelijke Indiase bania werd omzeild
Direct geld beschikbaar aan wevers controle over grondgebied en politieke
gezag
Toenemende controle over Indiase wevers
Wevers konden prijzen voor textiel steeds minder zelf bepalen
Onderworpen aan toezicht door dienaren van Compagnie (EIC)
Doel = wevers tot loonarbeiders maken
o Nooit helemaal bereikt
Dwangmiddelen direct bij wevers in stelling
Stoffenmarkt werd gebureaucratiseerd
Steeds meer voorschriften en nieuwe regels
Nieuw belastingsysteem met boeteclausule
4