1. Stroomsterkte (I)
Formule I = P / U (via vermogen)
I = U / R (via weerstand)
Uitgedrukt in… I = stroomsterkte (Ampère, A)
P = vermogen (Watt, W)
U = spanning (Volt, V)
R = weerstand (Ohm, Ω)
Uitleg Stroomsterkte geeft aan hoe snel elektronen zich
verplaatsen door een geleider.
Gebruik Om te bepalen hoeveel elektrische lading per seconde door
een geleider stroomt.
Voorbeeld /
Omvormingen I=U·G → Geleiding
I=Q/t → Lading (in Coulomb / Tijd in seconden)
2. Spanning = potentiaalverschil (U)
Formule U = I · R of U = P / I
Uitgedrukt in… U = spanning (Volt, V)
I = stroomsterkte (Ampère, A)
R = weerstand (Ohm, Ω)
P = vermogen (Watt, W)
Uitleg Spanning is de “druk” die elektronen door een geleider
duwt.
Gebruik Om het potentiaalverschil te bepalen dat elektronen doet
bewegen.
Voorbeeld I=U/R → Stroom
R=U/I → Weerstand
P=U·I → Vermogen
I=P/U → Stroom
Omvormingen /
3. Wet van Ohm (Ω)
Formule U=I·R
Uitgedrukt in… U = spanning (Volt, V)
I = stroomsterkte (Ampère, A)
R = weerstand (Ohm, Ω)
Uitleg De spanning over een weerstand is recht evenredig met de
stroom.
Gebruik Om de relatie tussen spanning, stroom en weerstand te
bepalen.
Voorbeeld R = 10 Ω, I = 2 A → U = 2·10 = 20V
Omvormingen I=U/R
R=U/I