INLEIDING TOT PERSOONLIJKHEIDSTHEORIEËN
WAT IS PERSOONLIJKHEID
Woord komt van “persona” → Latijns voor “masker” (Een rol of een valse verschijning) → Verwijzing naar
de fascade.
→ Het woord waarvan het komt, heeft niet meer de volledige lading.
→ Nu: Persoonlijkheid zijn ook innerlijke kenmerken, wat je niet toont.
Definitie persoonlijkheid: Een patroon van relatief permanente karaktertrekken (Traits) en unieke
kenmerken die zowel voor consistentie als individualiteit zorgen in het gedrag van een persoon.
Traits (Trekken): Verschillend bij elk individu.
• Consistentie over tijd.
• Individuele verschillen in gedrag.
• Stabiliteit over situaties.
Kenmerken:
• Unieke kwaliteiten.
Temperament, intelligentie.
→ Behoort temperament bij persoonlijkheid of is het de basis van de trekken? Daarom unieke
kwaliteiten (Aangeboren).
WAT IS EEN THEORIE
Definitie theorie:
• Een set van gerelateerde veronderstellingen die wetenschappers toelaten om op basis van
logisch deductief redeneren testbare hypotheses te formuleren.
→ Een theorie is een set van ssumties, één assumptie kan niet alle vereisten van een adequate
theorie vervullen.
→ Een theorie is een set van gerelateerde aannames/assumpties.
→ De componenten van een theorie zijn niet bewezen feiten in de zin dat hun validiteit is
absoluut vastgesteld.
→ Logisch deductief redeneren wordt gebruikt door de onderzoeker om hypotheses te
formuleren.
1
, → De laatset bevat de kwalificatie testbaar. De hypothese moet niet onmiddellijk getest worden,
maar moet suggereren dat er en mogelijkheid is dat de onderzoeker dit misschien in de toekomst
kan doen.
• Testbaar: Theorie is verschillend van volswijsheid.
THEORIE IS VERWANT MET, MAAR VERSCHILLEND VAN
Filosofie:
• Filosfie betekent de liefde voor wijsheid.
• Een theorie gaat niet over dingen en gedachten.
Speculatie:
• Theorie moet verbonden worden aan empirische data en wetenschap.
• Theorie begint vaak vanuit een speculatie.
Hypothese:
• Specifiek vermoeden dat kan getest worden aan de hand van een wetenschappelijke methode.
• Theorie is alhemener dan een specifieke hypothese, een theorie kan bestaan uit verschillende
hypotheses (Verschillende onderbouwde speculaties).
Taxonomie:
• Classificatie volgens natuurlijke relaties.
Hoe dat de dieren worden ingedeeld.
• Classificatie is noodzakelijk bij wetenschap.
→ Theorie staat er wel mee in verband, maar is niet hetzelfde.
WAAROM BESTAAN ER THEORIEËN
Elke theoreticus heeft een verschillende theorie omdat:
• Verschillende persoonlijke achtergronden:
- Ervaringen tijdens de kindertijd.
- Interpersoonlijke relaties.
• Verschillende filosofische oriëntaties.
• Data die gekozen wordt om te observeren is verschillend.
• Unieke manieren om naar de wereld te kijken, verschillende invalshoeken.
→ Theorieën zijn geboiwd, niet op bewezen feiten, maar op assumties die subjectief zijn voor
individuele interpretatie.
DE PERSOONLIJKHEID VAN THEORETICI EN HUN THEORIEËN OVER
PERSOONLIJKHEID
2
,‘Psychology of Science’ (Psychologie van de wetenschap): Bestuderen van de persoonlijke trekken
van geredenerende persoonlijkheidstheoretici om te gaan kijken hoe hun trekken een invloed gehad
hebben op hun theorie en onderzoek.
• De empirische studie van het wetenschappelijk denken en gedrag (Inclusief theorie constructie)
van een wetenschapper.
→ De persoonlijkheden en de psychologie van verschillende theoretici beïnvloedt de aard van de
theorieën die ze ontwikkelen.
→ Wetenschap als een proces en wetenschap als een product.
→ Het wetenschappelijk proces kan beïnvloed worden door de persoonlijkheid van de onderzoeker,
maar de uiteindelijke en dus bruikbare wetenschappelijke product moet gevalueerd worden
onafhankelijk van het proces.
WAT MAAKT EEN THEORIE ZINVOL: CRITERIA VOOR HET
EVALUEREN/BEOORDELEN VAN EEN THEORIE
→ Hypothese → Onderzoek → Onderzoek in data → Theorie.
1) Genereert onderzoek.
- Meest belangrijkste functies van een theorie.
- Theorie bijsturen op de bevindingen die er zijn.
→ Een bruikbare theorie zal 2 verschillende soorten onderzoek genereren:
3
, o Descriptief onderzoek: Kan een bestaand onderzoek uitbreiden.
o Hypothetisch testen: Leidt tot een indirecte verificatie van de bruikbaarheid van de
theorie.
2) Is falsifieerbaar (Te verifiëren, controleren).
- Het moet mogelijk zijn om de theorie te bevestigen of te ontkrachtigen.
3) Organiseert gekende data.
- In staat zijn om je onderzoeksdata die je vindt, te integreren in je kader. Een zinvolle theorie
gaat in staat zijn om wat uit onderzoek voort komt, organiserend te plaatsen.
4) Leidt handelen (Praktisch).
- Leiden van de onderzoekers, maar ook de praktijk. Theorieën zijn praktische hulpmiddelen
die een leidraad vormen voor dagelijke beslissingen.
5) Is intern consistent.
- Moeten samenhangen, moeten homogeen zijn.
6) Is spaarzaam (Niet complexer dan noodzakelijk is).
- Je gaat de meest spaarzame theorie uiteindelijk kiezen.
→ 1ste 5 zijn de belangrijkste, 6de is om echt een onderscheid te maken.
DIMENSIES VOOR EEN ‘CONCEPT’ OVER DE MENSHEID
• Determinisme (Je kan weinig aan je lot veranderen) VS vrije keuze.
• Pessimisme VS optimisme.
• Causaliteit VS teleologie (Gedrag uitelggen in functie van het verleden).
• Bewuste VS onbewuste determinanten van gedrag.
• Biologische VS sociale invloeden op persoonlijkheid (Erfelijkheids VS omgevingsdebat).
• Individualiteit VS similariteit (Gelijkenis).
ONDERZOEK NAAR PERSOONLIJKHEIDSTHEORIEËN
• Moet onderzoek genereren.
- Theorie geeft betekenis aan data.
- Data komen voort uit onderzoek ontworpen om hypotheses te testen die afgeleid zijn van de
theorie.
• Systematische observaties.
- Predicties (Voorspellingen) zijn consistent en accuraat.
- Bepaalde gebeurtenissen kunnen voorspellen.
Een extravert persoon zal de job aan de receptie goed uitvoeren.
Twee empirische criteria voor meetinstrumenten:
1) Betrouwbaarheid (Reliability):
o Consistentie van het meten.
2) Validiteit: Meet de test wat het beoogt te meten?
o Construct Validiteit: Onderliggende structuur.
▪ Convergerend: Een instrument correleert hoog met scores van andere valide
instrumenten van het construct.
▪ Divergerend: Niet-significante correlaties met vragenlijsten die een ander
construct meten.
4