= Studie van de fungi
- Eukaryoten, Hebben een Celwand
- Membraan = Sterolen aanwezig
- Metabool gezien zijn het heterotrofen
Fungale Celwand
1. Chitine: polymeer van NAG
2. Beta-Glucanen: polymeer van glucose
3. Cellulose: polymeer van glucose, komt wel minder voor in fungale celwand, zeer
sterk polymeer
Mannoproteïne = Eiwitten + Mannose suikers
- Zijn belangrijk voor de interacties
Gisten = Eencellige Organismen
- Celdeling via Budding
- Knopen = Blastoconidia
- Pseudohyphae = Blastoconidia blijven soms aan elkaar vasthangen
Filamenteuze Fungi = Groeien enkel apicaal aan
- Coenocytic hyphae = tussen de cellen is er geen celwand en geen celmembraan
- Langwerpige cel met meerdere celkernen
Dimorfisme = Twee vormen aannemen, Temperatuur Afhankelijke Manier
- Gistvorm (1 cellige vorm): Lichaamstemperatuur
- Filamenteus: Bij koudere temperatuur
→ Bij Candida Fungi is het juist het omgekeerde
Aseksuele Reproductie ● Vorming van aseksuele sporen
1
, ● Enkel mitose
● Door Anamorfe fungus (dient voor de classificatie)
● Vorming van sporen in allerlei structuren
● Sporen kunnen dienen voor de identificatie van de fungus
Seksuele Reproductie ● Vorming van seksuele sporen
● Door telomorfe fungus
● Meiose
Sporangiosporen = Sporen zijn omgeven door een structuur
Als de structuur barst → Dan komen de sporen allemaal op hetzelfde moment vrij
Aspergillus Flavus = typische schimmel dat op brood zit
● Conidiosporen vormen
Rhizopus = Sporangiosporen
● Vorming van pootjes waardoor de schimmel zich beter kan vasthechten aan het
substraat
Seksuele sporen ontstaat door drie opeenvolgende processen
1. Plasmogamie: Haploïde nucleus van donorcel dringt binnen in het cytoplasma van
recipiënt cel
2. Karyogamie: Donorcel en Recipiënt Cell nucleus versmelten tot een diploïde zygote
nucleus
3. Meiose: Diploïde nucleus vormt haploïde nuclei (seksuele sporen)
Meerdere geslachten verkrijgen
Daarom is het moeilijker om te spreken van mannen en vrouwen
Zygomyceten = Seksuele sporen
Ascomyceten = Net als boontjes (hierin zitten de sporen)
2