→ Paragraaf 0 Introductie
Celtheorie: alle organismen zijn opgebouwd uit cellen, het aantal cellen hangt af van het
soort organisme.
→ De cel is de kleinste levende eenheid, omdat een cel levenskenmerken vertoont: groei en
ontwikkeling, stofwisseling en reproductie.
,→ Paragraaf 1 Celonderzoek met de microscoop
Lichtmicroscoop:
- Hiermee kun je voorwerpen 40 tot 1500× vergroot bekijken (bij vergroting boven de
1000× is het beeld meestal minder scherp).
- Cellen zijn goed zichtbaar, soms zie je ook celonderdelen (celorganellen).
- Je kunt het celmembraan, de kern, het celplasma, de vacuole en de plastiden
(bladgroenkorrels) waarnemen.
In de 17de eeuw werden de cellen ontdekt, maar men kon toen nog niet zo veel op dit
gebied omdat het beeld slecht was. Er waren toch al twee celtheorieën:
1. De celwanden van plantencellen zijn de afscheidingsproducten van de eigenlijke
levende cellen.
2. Planten en dieren bestaan uit levende cellen.
Elektronenmicroscoop:
- Hiermee kun je voorwerpen tot 1.000.000 maal vergroten.
- Je kan het voorwerp niet levendig bekijken en het beeld is zwart-wit.
- Elektronenmicroscopen worden vaak gebruikt om details van het inwendige van een
cel te bekijken.
- Er zijn verschillende soorten elektronenmicroscopen. (scanning- en
transmissie-elektronenmicroscoop).
- Je kunt celonderdelen, zoals ribosomen, mitochondriën, endoplasmatische reticulum,
lysosomen uitgebreid onderzoeken.
, → Paragraaf 2 Celstructuren en hun functie
→ In het cytoplasma komt een groot aantal verschillende celstructuren voor die elk een
eigen functie binnen de cel vervullen.
Organellen: celstructuren die door een membraan zijn omgeven.
Celkern:
→ De celkern bevat de erfelijke informatie van een organisme in de vorm van genen.
Genen bestaan uit DNA. Met de erfelijke informatie bestuurt de kern de celprocessen. In het
celmembraan zitten openingen dit zijn de kernporiën. Door de kernporiën kunnen stoffen de
cellen binnendringen en verlaten. Chromatine is DNA in combinatie met speciale eiwitten.
Als de celkern gaat delen wordt chromatine zichtbaar in draadvormige structuren: de
chromosomen. De mens heeft 46 chromosomen in iedere lichaamscel, dit zijn 23 paren. De
geslachtscellen hebben 23 enkelvoudige chromosomen. Het donkere vlekje in de kern is het
kernlichaampje (nucleolus), hierin liggen genen voor de aanmaak van ribosomen.
Celmembraan:
→ Het celmembraan scheidt het inwendige van de cel van de omgeving. Het celmembraan
bestaat uit twee lagen van vetmoleculen waaraan fosforgroepen zijn gebonden
(fosfolipiden). Fosfolipiden met de vetgroepen naar binnen gekeerd zijn waterafstotend
(hydrofoob). Als de fosforgroepen naar buiten zijn gekeerd, dan zijn ze waterminnend
(hydrofiel). Hierdoor is het membraan soepel.
In de dubbele fosfolipidenlaag liggen cholesterolmoleculen en eiwitmoleculen. Sommige
eiwitmoleculen dienen voor het stoffentransport de cel in en uit, dit zijn membraanporiën.
Andere eiwitmoleculen fungeren als receptoren voor bepaalde stoffen, ze geven signalen
van en naar de cel door.
Op het oppervlak van celmembranen komen ook koolhydraten voor. Deze koolhydraten zijn
aan de eiwitten en de vetten in het membraan gebonden en steken buiten het membraan
oppervlak uit, dit is een glycocalyx. De glycoclayx bepaald hoe de cel er aan de buitenkant
uit ziet. Door het kenmerkende membraanoppervlak is de cel herkenbaar voor zijn
omgeving. Contactinhibitie: als cellen in een weefselkweek stoppen met delen als ze contact
met elkaar maken via de glycocalyx.
Veel organellen bestaan uit membranen met dezelfde bouw als de celmembraan.
Mitochondriën:
Mitochondriën zijn de energieleveranciers in een cel, in alle cellen zitten mitochondriën.
Hoe actiever de cel des te meer mitochondriën. Mitochondriën vermeerderen zich door
deling.
Mitochondriën hebben een dubbel membraan. Het binnenste membraan heeft stulpingen
naar binnen (cristae). Membranen verdelen het mitochondrium in twee inwendige
compartimenten. De ruimte tussen de twee membranen heet de intermembraanruimte. De
ruimte binnen het binnenmembraan heet de matrix.
Een groot deel van verbranding van glucose vindt langs de membranen van de matrix
plaats. De nodige enzymen liggen er als een lopende-band-systeem gegroepeerd. Bij