Negende druk
Samenvatting hoofdzaken van het bestuursrecht
Hoofdstuk 1 inleiding
Onder het openbaar bestuur horen de gemeenten, provincies, waterschappen, ministeries en
vele overheidsinstanties. Het bestuursrecht bestaat uit 5 onderdelen:
1. Organisatie hoe wordt het bestuur georganiseerd?
2. Bevoegdheden welke bevoegdheden heeft het bestuur?
3. Normering aan welke rechtsnormen moet het bestuur zich houden?
4. Handhaving hoe kan het bestuur ervoor zorgen dat burgers zich aan de voor hen
geldende rechtsnormen houden?
5. Rechtsbescherming welke juridische bescherming is er voor burgers tegen
beslissingen en handelingen van het openbaar bestuur?
, Negende druk
Hoofdstuk 2 kenmerken van het bestuursrecht
Er zijn twee vereisten:
1. Legaliteitsvereiste
- Bestuursbevoegdheden moeten berusten op een wettelijke grondslag (positief
uitgangspunt)
- Bestuursbevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met
de wet (negatief uitgangspunt)
2. Specialiteitsvereiste
- Bestuursbevoegdheden mogen slechts worden uitgeoefend ter behartiging
van het specifieke belang waarvoor de wettelijke regeling is vastgesteld
De structuur van de bestuursrechtelijke normstelling:
1. Normadressaten
- Er zijn normen die de overheidsinstanties als geadresseerde (adressaat)
hebben. Een aantal voorbeelden:
EU-richtlijnen leggen bijvoorbeeld verplichtingen op aan de lidstaten.
De GW draagt de wetgever op om allerlei wetten te maken.
Tal van wettelijke voorschriften leggen bestuursorganen verplichtingen op.
2. Hiërarchische opbouw van het normenstelsel (horizontaal)
- Een lagere regeling mag niet in strijd komen met een hogere
1) Verdragen / secundair verdragsrecht
Denk hierbij aan het EVRM, IVBPR en het EU-verdrag
Alle Nederlandse regelingen zijn ondergeschikt aan verdragen
Een deel van het EU-recht werkt rechtstreeks. Als een Nederlandse
regeling in strijd is met dit rechtstreekse EU-recht, dan wordt de
Nederlandse regeling buiten toepassing gelaten of onverbindend
geacht. Bij niet rechtstreeks werkend EU-recht, waaronder vele
richtlijnen, wordt door de rechter getracht het nationale recht zo veel
mogelijk conform het EU-recht uit te leggen.
2) Statuut
Regeling voor verhouding tussen Nederland en de andere landen van
het koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint-Maarten).
3) Grondwet
4) Wetten in formele zin
Mogen niet in strijd zijn met de Grondwet, de rechter mag echter niet
toetsen of deze in strijd zijn met GW
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
5) Koninklijke Besluiten die regels bevatten (bv. Amvb’s)
Wet in materiële zin lagere wetgeving
6) Ministeriële regelingen (verordeningen)
Wet in materiële zin lagere wetgeving
7) Provinciale verordeningen
Wet in materiële zin lagere wetgeving
8) Gemeentelijke verordeningen en waterschap verordeningen
Wet in materiële zin lagere wetgeving
9) Beleidsregels
Geen wettelijke regels, maar het zijn regels die bestuursorganen
meestal voor zichzelf opstellen om een eerlijke en consistente
uitvoering van aan hen toegekende bevoegdheden mogelijk te maken.
Niet volledig bindend voor het orgaan dat ze uitvaardigt
Samenvatting hoofdzaken van het bestuursrecht
Hoofdstuk 1 inleiding
Onder het openbaar bestuur horen de gemeenten, provincies, waterschappen, ministeries en
vele overheidsinstanties. Het bestuursrecht bestaat uit 5 onderdelen:
1. Organisatie hoe wordt het bestuur georganiseerd?
2. Bevoegdheden welke bevoegdheden heeft het bestuur?
3. Normering aan welke rechtsnormen moet het bestuur zich houden?
4. Handhaving hoe kan het bestuur ervoor zorgen dat burgers zich aan de voor hen
geldende rechtsnormen houden?
5. Rechtsbescherming welke juridische bescherming is er voor burgers tegen
beslissingen en handelingen van het openbaar bestuur?
, Negende druk
Hoofdstuk 2 kenmerken van het bestuursrecht
Er zijn twee vereisten:
1. Legaliteitsvereiste
- Bestuursbevoegdheden moeten berusten op een wettelijke grondslag (positief
uitgangspunt)
- Bestuursbevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met
de wet (negatief uitgangspunt)
2. Specialiteitsvereiste
- Bestuursbevoegdheden mogen slechts worden uitgeoefend ter behartiging
van het specifieke belang waarvoor de wettelijke regeling is vastgesteld
De structuur van de bestuursrechtelijke normstelling:
1. Normadressaten
- Er zijn normen die de overheidsinstanties als geadresseerde (adressaat)
hebben. Een aantal voorbeelden:
EU-richtlijnen leggen bijvoorbeeld verplichtingen op aan de lidstaten.
De GW draagt de wetgever op om allerlei wetten te maken.
Tal van wettelijke voorschriften leggen bestuursorganen verplichtingen op.
2. Hiërarchische opbouw van het normenstelsel (horizontaal)
- Een lagere regeling mag niet in strijd komen met een hogere
1) Verdragen / secundair verdragsrecht
Denk hierbij aan het EVRM, IVBPR en het EU-verdrag
Alle Nederlandse regelingen zijn ondergeschikt aan verdragen
Een deel van het EU-recht werkt rechtstreeks. Als een Nederlandse
regeling in strijd is met dit rechtstreekse EU-recht, dan wordt de
Nederlandse regeling buiten toepassing gelaten of onverbindend
geacht. Bij niet rechtstreeks werkend EU-recht, waaronder vele
richtlijnen, wordt door de rechter getracht het nationale recht zo veel
mogelijk conform het EU-recht uit te leggen.
2) Statuut
Regeling voor verhouding tussen Nederland en de andere landen van
het koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint-Maarten).
3) Grondwet
4) Wetten in formele zin
Mogen niet in strijd zijn met de Grondwet, de rechter mag echter niet
toetsen of deze in strijd zijn met GW
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
5) Koninklijke Besluiten die regels bevatten (bv. Amvb’s)
Wet in materiële zin lagere wetgeving
6) Ministeriële regelingen (verordeningen)
Wet in materiële zin lagere wetgeving
7) Provinciale verordeningen
Wet in materiële zin lagere wetgeving
8) Gemeentelijke verordeningen en waterschap verordeningen
Wet in materiële zin lagere wetgeving
9) Beleidsregels
Geen wettelijke regels, maar het zijn regels die bestuursorganen
meestal voor zichzelf opstellen om een eerlijke en consistente
uitvoering van aan hen toegekende bevoegdheden mogelijk te maken.
Niet volledig bindend voor het orgaan dat ze uitvaardigt