5. Personen met hechtingsproblemen of met
hechtingsstoornissen
Pioniers in de wetenschap over hechting
Onderzoek naar hechtingsgedrag midden jaren 1930
Lorenz
• Opleiding geneeskunde
• Ethologie = wetenschap over gedrag van dieren
- Bij ganzenkuikens: kritieke periode waarop zich hechtingsgedrag ontwikkelt,
tussen 13de en 16de uur na het verlaten van het ei
- Geen aangeboren voorstelling van moederdier
o Inprenting: figuur die zich in kritieke periode van hechting in nabijheid
bevindt, wordt als moeder gedefinieerd
® Diens nabijheid zoeken in functie van overleving
o Voorstelling van moederdier is dus willekeurig
Harlow & Zimmerman
• Onderzoek naar hechtingsgedrag bij aapjes
• Vaststelling:
- Baby-aapjes verkozen comfort van pluchen pop boven pop waaraan een flesje
melk gekoppeld was
- Aapjes die zich in hun jonge leven niet aan een moederdier hebben kunnen
hechten, in hun volwassenheid ook niet in staat om hun jongen op te voeden
• Ligt in de lijn van Bowbly’s theorie: food vs comfort and security = jong dier heeft
naast eten en drinken ook psychologisch gevoel van genegenheid, comfort en
veiligheid nodig
Bowlby
Tijdens oorlogsjaren zijn vele kinderen gescheiden geraakt van hun ouders, broers en
zussen. Om hen te beschermen van de bombardementen in de steden werden zij soms
overgeplaatst naar voorzieningen op het platteland.
• Bowlby: ook al hadden kinderen een dak boven hun hoofd en werden ze voldoende
gevoed > toch geestelijke gezondheidsproblemen
= ‘hospitalisatiesyndroom’: tekort aan betrokkenheid en aandacht van
(oorspronkelijke) verzorgers
• Bevindingen gekoppeld aan inzichten in psycho-analyse
• 1 van de grondleggers van de hechtingstheorie
Definitie
Gehecht zijn = “de affectieve band die een persoon tot stand brengt tussen zichzelf en
een specifieke andere, een band die verbindt over tijd en ruimte.”
Ontwikkeling van hechting
Verschillende perspectieven
,Summiere beschrijving van identiteitsontwikkeling
0 – 3 maand
‘initial pre-attachment phase’
= ‘fase van de eenwording’ of ‘symbiose’ = eerste levensmaanden van het kind
- Gekenmerkt door groeiende eenheid tussen moeder en kind
• Overgangen tussen momenten van noden en behoeften + emoties = vrij bruusk:
gevoelens van ‘lust’ en ‘onlust’
- Baby volledig afhankelijk van zorgfiguur voor het regelen van zijn noden
- Na het melk drinken ligt het helemaal warm en verzadigd tegen mama aan
(lust) of het voelt zich ellendig van de honger, de kou, krampjes tot koorts, …
(onlust)
- (on)lustgevoelens voor een groot deel passief: baby kan geen strategieën voor
zichzelf ontwikkelen om met omgeving om te gaan
• Onderscheid tussen zichzelf en de wereld: volledig hulpeloos en voelt zich sterk
verbonden met moeder
• Alle ervaringen: overweldigend en niet gestructureerd in deeltjes of facetten
- Kind ervaart moederborst niet als een element van de moeder
3 – 8 maand
‘attachment in making’
• Wereld meer gefragmenteerd
• Leert stilaan verschil zien tussen zichzelf en de verzorger en ontwikkelt met die
figuur de voorbereiding op de gehechtheidrelatie
• Wisselwerking tussen moeder en kind: eerste glimlach, gekir, volgen van het gezicht
en de handelingen van mama, ...
• Kind ontdekt dat hij zorgfiguur kan bespelen: leert hoe het iemands aandacht kan
vasthouden
• Wederzijdse gedrag wordt voorspelbaar en dus betrouwbaar
8 – 18 maand
‘clear cut attachment’
‘separatie-individuatiefase’
- Noodzakelijke fase om van eenwording met mama los te komen en overgang naar
individuatiefase te maken
- Evenwicht tussen separatie en individuatie
- Fase begint met separatie: inzicht over komen en gaan van mama, weggooien en
terug vinden van speelgoed, …
- Individuatie: zelfstandig kunnen functioneren, verwerven van een identiteit
• Werkt actief mee aan bevredigen van zijn behoeften
• Selectief glimlachen naar verzorger, maar niet naar een vreemde
• Lichamelijke ontwikkeling: zelf achter mama aangaan, zelf iets nemen en geven, …
, • Verzorgers imiteren
• Ouders spelen belangrijke rol tijdens ontwikkeling
- Veilige omgeving garanderen: kind voelt zich veilig genoeg wereld te
exploreren, maar kan vlug naar verzorger terugkeren om ‘emotioneel bij te
tanken’
- Wijze waarop zij voor het kind zorgen, bepaalt hoe vlot de ik-deeltjes tot een
groter geheel samengroeien en wat het eindresultaat van dit proces wordt
• 18 maanden: baby is zich ten volle bewust dat hij gescheiden is van mama
= scheidings-en vreemdenangst
- Kind wil niet door mama achter gelaten worden, verschuilt zich als er een
vreemde binnenkomt, wil alleen maar door zorgfiguur in de armen genomen
worden, weigert fruitpap door een ander aangeboden, …
2 – 3,5j
‘partnership’
= koppigheidsfase of trotsfase
• Volledige individualisering bereikt: grondbeginselen van het vormend karakte
• Kind wil bewijzen dat het zijn mannetje kan staan: antwoord op alle vragen is vaak
“Neen!”
• Fase kan van speels verzet tot koppige strijd gaan: afhankelijk van eigenheid kind
• Streeft naar zelfstandigheid: ‘iemand zijn’ apart van zijn moeder, geniet van de
vrijheid van het loslaten
• Mama blijft veilige haven
Kleuter
• Meer afstand nemen van eerste hechtingsfiguur
• Verder op zoek gaan naar het inhouodelijk van “Wie ben ik?”: op zoek naar
bewustzijn over wat een meisje en een jongen is en welke plaats hijo f zij daarbij
inneemt ten aanzien van de ander
• Ontdekt dat het zelf actief en creatief kan ingrijpen om de wereld naar zijn hand te
zetten
- Ontwikkeling van het geweten: onderscheid tussen ‘ok’ en ‘niet ok’, ‘juist’ en
‘fout’, ‘goed ’en ‘kwaad’, leren inleven in de ander
• Ontwikkelen vriendschappen die verder gezet worden in het eerste leerjaar en het
vervolg van de lagere school
• 6 - 12j: evenwicht in ontwikkeling
• Geïnteresseerd in vele fenomenen en aspecten van omgeving en ontvankelijk voor
gesprek en rede
• Wil langzaam los gelaten worden mits voldoende zekerheid over het ontvangen van
steun wanneer nodig
Puber
• Moeilijker voeren van vlotte en vervullende gesprekken
• Gaat opnieuw op zoek naar zichzelf en identiteit onder invloed van hormonen en
lichamelijke veranderingen
hechtingsstoornissen
Pioniers in de wetenschap over hechting
Onderzoek naar hechtingsgedrag midden jaren 1930
Lorenz
• Opleiding geneeskunde
• Ethologie = wetenschap over gedrag van dieren
- Bij ganzenkuikens: kritieke periode waarop zich hechtingsgedrag ontwikkelt,
tussen 13de en 16de uur na het verlaten van het ei
- Geen aangeboren voorstelling van moederdier
o Inprenting: figuur die zich in kritieke periode van hechting in nabijheid
bevindt, wordt als moeder gedefinieerd
® Diens nabijheid zoeken in functie van overleving
o Voorstelling van moederdier is dus willekeurig
Harlow & Zimmerman
• Onderzoek naar hechtingsgedrag bij aapjes
• Vaststelling:
- Baby-aapjes verkozen comfort van pluchen pop boven pop waaraan een flesje
melk gekoppeld was
- Aapjes die zich in hun jonge leven niet aan een moederdier hebben kunnen
hechten, in hun volwassenheid ook niet in staat om hun jongen op te voeden
• Ligt in de lijn van Bowbly’s theorie: food vs comfort and security = jong dier heeft
naast eten en drinken ook psychologisch gevoel van genegenheid, comfort en
veiligheid nodig
Bowlby
Tijdens oorlogsjaren zijn vele kinderen gescheiden geraakt van hun ouders, broers en
zussen. Om hen te beschermen van de bombardementen in de steden werden zij soms
overgeplaatst naar voorzieningen op het platteland.
• Bowlby: ook al hadden kinderen een dak boven hun hoofd en werden ze voldoende
gevoed > toch geestelijke gezondheidsproblemen
= ‘hospitalisatiesyndroom’: tekort aan betrokkenheid en aandacht van
(oorspronkelijke) verzorgers
• Bevindingen gekoppeld aan inzichten in psycho-analyse
• 1 van de grondleggers van de hechtingstheorie
Definitie
Gehecht zijn = “de affectieve band die een persoon tot stand brengt tussen zichzelf en
een specifieke andere, een band die verbindt over tijd en ruimte.”
Ontwikkeling van hechting
Verschillende perspectieven
,Summiere beschrijving van identiteitsontwikkeling
0 – 3 maand
‘initial pre-attachment phase’
= ‘fase van de eenwording’ of ‘symbiose’ = eerste levensmaanden van het kind
- Gekenmerkt door groeiende eenheid tussen moeder en kind
• Overgangen tussen momenten van noden en behoeften + emoties = vrij bruusk:
gevoelens van ‘lust’ en ‘onlust’
- Baby volledig afhankelijk van zorgfiguur voor het regelen van zijn noden
- Na het melk drinken ligt het helemaal warm en verzadigd tegen mama aan
(lust) of het voelt zich ellendig van de honger, de kou, krampjes tot koorts, …
(onlust)
- (on)lustgevoelens voor een groot deel passief: baby kan geen strategieën voor
zichzelf ontwikkelen om met omgeving om te gaan
• Onderscheid tussen zichzelf en de wereld: volledig hulpeloos en voelt zich sterk
verbonden met moeder
• Alle ervaringen: overweldigend en niet gestructureerd in deeltjes of facetten
- Kind ervaart moederborst niet als een element van de moeder
3 – 8 maand
‘attachment in making’
• Wereld meer gefragmenteerd
• Leert stilaan verschil zien tussen zichzelf en de verzorger en ontwikkelt met die
figuur de voorbereiding op de gehechtheidrelatie
• Wisselwerking tussen moeder en kind: eerste glimlach, gekir, volgen van het gezicht
en de handelingen van mama, ...
• Kind ontdekt dat hij zorgfiguur kan bespelen: leert hoe het iemands aandacht kan
vasthouden
• Wederzijdse gedrag wordt voorspelbaar en dus betrouwbaar
8 – 18 maand
‘clear cut attachment’
‘separatie-individuatiefase’
- Noodzakelijke fase om van eenwording met mama los te komen en overgang naar
individuatiefase te maken
- Evenwicht tussen separatie en individuatie
- Fase begint met separatie: inzicht over komen en gaan van mama, weggooien en
terug vinden van speelgoed, …
- Individuatie: zelfstandig kunnen functioneren, verwerven van een identiteit
• Werkt actief mee aan bevredigen van zijn behoeften
• Selectief glimlachen naar verzorger, maar niet naar een vreemde
• Lichamelijke ontwikkeling: zelf achter mama aangaan, zelf iets nemen en geven, …
, • Verzorgers imiteren
• Ouders spelen belangrijke rol tijdens ontwikkeling
- Veilige omgeving garanderen: kind voelt zich veilig genoeg wereld te
exploreren, maar kan vlug naar verzorger terugkeren om ‘emotioneel bij te
tanken’
- Wijze waarop zij voor het kind zorgen, bepaalt hoe vlot de ik-deeltjes tot een
groter geheel samengroeien en wat het eindresultaat van dit proces wordt
• 18 maanden: baby is zich ten volle bewust dat hij gescheiden is van mama
= scheidings-en vreemdenangst
- Kind wil niet door mama achter gelaten worden, verschuilt zich als er een
vreemde binnenkomt, wil alleen maar door zorgfiguur in de armen genomen
worden, weigert fruitpap door een ander aangeboden, …
2 – 3,5j
‘partnership’
= koppigheidsfase of trotsfase
• Volledige individualisering bereikt: grondbeginselen van het vormend karakte
• Kind wil bewijzen dat het zijn mannetje kan staan: antwoord op alle vragen is vaak
“Neen!”
• Fase kan van speels verzet tot koppige strijd gaan: afhankelijk van eigenheid kind
• Streeft naar zelfstandigheid: ‘iemand zijn’ apart van zijn moeder, geniet van de
vrijheid van het loslaten
• Mama blijft veilige haven
Kleuter
• Meer afstand nemen van eerste hechtingsfiguur
• Verder op zoek gaan naar het inhouodelijk van “Wie ben ik?”: op zoek naar
bewustzijn over wat een meisje en een jongen is en welke plaats hijo f zij daarbij
inneemt ten aanzien van de ander
• Ontdekt dat het zelf actief en creatief kan ingrijpen om de wereld naar zijn hand te
zetten
- Ontwikkeling van het geweten: onderscheid tussen ‘ok’ en ‘niet ok’, ‘juist’ en
‘fout’, ‘goed ’en ‘kwaad’, leren inleven in de ander
• Ontwikkelen vriendschappen die verder gezet worden in het eerste leerjaar en het
vervolg van de lagere school
• 6 - 12j: evenwicht in ontwikkeling
• Geïnteresseerd in vele fenomenen en aspecten van omgeving en ontvankelijk voor
gesprek en rede
• Wil langzaam los gelaten worden mits voldoende zekerheid over het ontvangen van
steun wanneer nodig
Puber
• Moeilijker voeren van vlotte en vervullende gesprekken
• Gaat opnieuw op zoek naar zichzelf en identiteit onder invloed van hormonen en
lichamelijke veranderingen