Onderzoeksskills 1
HOOFDSTUK 1: Onderzoeksprobleem, doelstelling
en onderzoeksvraag?
1. Wat is mijn probleemstelling
Aanleiding onderzoek = vaak praktijkprobl.
2 soorten onderzoek
1) Toegepast = meteen in praktijk -> opl. / antw. vr. spec. Probl.
2) Fundamenteel = kenniscreatie
=>vullen elkaar aan
Voor onderzoek: 5xW+H-methode
- Wat,,
- Waar
- Wanneer
- Wie
- Waarom
- Hoe (aanleiding)
Onderzoekers = infoleveranciers
Lossen probleem nt op: k wel door info te verkrijgen
Nieuwe kennis => nieuwe problemen = onderzoekscyclus
Probleemstelling = aanleiding voor het starten van e onderzoek
Doelstelling = wat je wil bereiken
Bereiken: dr. Antwoord op onderzoeksvraag (= vraag waarop
het onderzoek antwoord moet geven)=> eerst kijken wat je al
weet
Probleemstelling -> doelstelling ->
onderzoeksvraag
2. Is al informatie aanwezig?
o Is er bestaande info?
1) Eerste oriëntatie -> wat is er al voorhanden? (bv. Internet)
2) Literatuur- bronnenonderzoek
1
, Is een eigen/ extra onderzoek nog nodig?
o Wat is het nut van het gebruik v. bestaande info?
Waar baseren andere onderzoekers hun theorie op?
Hoe pakken anderen het aan?
Hoe definiëren & meten anderen vergelijkbare kenm.?
o Hoe ga je op zoek naar info?
Internetbrowser, zoekmachines, wet. Databanken
3. Wat is mijn onderzoeksvraag?
Formuleer eerst je voorlopige onderzoeksvraag
5stappen vr. def. Onderzoeksvraag:
1) Zijn er sub-/ deelvragen?
2) Is het een vraag?
3) Is het een gesloten vraag?
- 2 hoofdvormen v. onderzoek
Kwantitatief= gesloten vraag
=>zaken vaststellen, meten & tellen,
aantallen
Kwalitatief = open vraag
=>inhoudelijke gegevens over inzichten,
verklaringen…
Mixed method = kwalitatief & kwantitatief
4) Is ze eenduidig & concreet geformuleerd
= gn vage termen (bv. Relatief, optimaal) & wel uit
vakliteratuur
5) Is het een normatieve vraag?
->gn normatieve begrippen (bv. Wat is de beste?,…)
->wel concreet meetbare begrippen
4. Wie/wat zijn de onderzoekseenheden?
o Eenheden = bij wie/wat je iets gaat meten
Populatie = verzameling eenheden
o Eigenschappen/kenm. = wat je gaat meten
Kenmerken = abstracte eigenschappen
Variabele = kenmerk i meetbare termen geformuleerd
- Bv. Kenmerk “geslacht” = eenvoudig
- Bv. Kenmerk “aantrekkelijkheid” -> moeilijk te
definiëren
o In matrix
- Rijen = de eenheden
- Kolommen = de kenm./ variabelen
o Splitsingtechn. = v. populatie -> eenheid
o Subpopulatie -> deelt dezelfde groepskenmerken
5. Wat zijn de kenmerken en wat is hun onderlinge relatie?
2
, 1) Directe afhankelijke kenm. = afhankelijke variabele = y-as
(uitkomst)
W. beïnvloed
2) Directe onafhankelijke kenm. = onafh. Variabele = x-as
Gaat in de tijd vooraf aan de afhankelijke variabele
3) Indirecte controlekenm. = controlevariabele
Ku invl hebbe, op relatie afh. <-> onafh.
o Samenhang = correlatie
o Oorzakelijk verband = causaliteit
6. Welke ethische problemen kunnen zich voordoen?
o 3 partijen in onderzoek:
1) De respondent (= proefpersoon)
2) Opdrachtgever
3) Onderzoeker
o Wanneer ethisch verantwoord?
Voor respondent:
- W. juist voorgelicht over doel & werkwijze onderzoek
- Geeft expliciet toestemming
- Gegevens w anoniem verwerkt
- Uitkomsten v onderzoek hebben gn nadelig effect vr
de respondent
Onderzoeker
- Voeren onderzoek op eerlijke & wet. Manier uit
- Verstrekt gn gegevens aan 3den als de opdrachtgever
daar nt mee instemt
- Functioneert volledig onafh. v.d. opdrachtgever
7. Is mijn onderzoek haalbaar?
Tijdbegroting
Geld -> kosten/ begroting
Bereidheid & bereikbaarheid v respondenten:
Bereidheid: afh. v.d. instantie die het
onderzoek uitvoert, wijze, tijd,
aantrekkelijkheid v. O, nut, waardering,…
Bereikbaarheid: steekproefbestand
voorhanden?
HOOFDSTUK 2: HOE KIES JE HET
ONDERZOEKSONTWERP?
1. Welke soorten onderzoeksvragen zijn er?
Op voorhand bepalen => bepaalt onderzoeksontwerp
o 3types:
3
HOOFDSTUK 1: Onderzoeksprobleem, doelstelling
en onderzoeksvraag?
1. Wat is mijn probleemstelling
Aanleiding onderzoek = vaak praktijkprobl.
2 soorten onderzoek
1) Toegepast = meteen in praktijk -> opl. / antw. vr. spec. Probl.
2) Fundamenteel = kenniscreatie
=>vullen elkaar aan
Voor onderzoek: 5xW+H-methode
- Wat,,
- Waar
- Wanneer
- Wie
- Waarom
- Hoe (aanleiding)
Onderzoekers = infoleveranciers
Lossen probleem nt op: k wel door info te verkrijgen
Nieuwe kennis => nieuwe problemen = onderzoekscyclus
Probleemstelling = aanleiding voor het starten van e onderzoek
Doelstelling = wat je wil bereiken
Bereiken: dr. Antwoord op onderzoeksvraag (= vraag waarop
het onderzoek antwoord moet geven)=> eerst kijken wat je al
weet
Probleemstelling -> doelstelling ->
onderzoeksvraag
2. Is al informatie aanwezig?
o Is er bestaande info?
1) Eerste oriëntatie -> wat is er al voorhanden? (bv. Internet)
2) Literatuur- bronnenonderzoek
1
, Is een eigen/ extra onderzoek nog nodig?
o Wat is het nut van het gebruik v. bestaande info?
Waar baseren andere onderzoekers hun theorie op?
Hoe pakken anderen het aan?
Hoe definiëren & meten anderen vergelijkbare kenm.?
o Hoe ga je op zoek naar info?
Internetbrowser, zoekmachines, wet. Databanken
3. Wat is mijn onderzoeksvraag?
Formuleer eerst je voorlopige onderzoeksvraag
5stappen vr. def. Onderzoeksvraag:
1) Zijn er sub-/ deelvragen?
2) Is het een vraag?
3) Is het een gesloten vraag?
- 2 hoofdvormen v. onderzoek
Kwantitatief= gesloten vraag
=>zaken vaststellen, meten & tellen,
aantallen
Kwalitatief = open vraag
=>inhoudelijke gegevens over inzichten,
verklaringen…
Mixed method = kwalitatief & kwantitatief
4) Is ze eenduidig & concreet geformuleerd
= gn vage termen (bv. Relatief, optimaal) & wel uit
vakliteratuur
5) Is het een normatieve vraag?
->gn normatieve begrippen (bv. Wat is de beste?,…)
->wel concreet meetbare begrippen
4. Wie/wat zijn de onderzoekseenheden?
o Eenheden = bij wie/wat je iets gaat meten
Populatie = verzameling eenheden
o Eigenschappen/kenm. = wat je gaat meten
Kenmerken = abstracte eigenschappen
Variabele = kenmerk i meetbare termen geformuleerd
- Bv. Kenmerk “geslacht” = eenvoudig
- Bv. Kenmerk “aantrekkelijkheid” -> moeilijk te
definiëren
o In matrix
- Rijen = de eenheden
- Kolommen = de kenm./ variabelen
o Splitsingtechn. = v. populatie -> eenheid
o Subpopulatie -> deelt dezelfde groepskenmerken
5. Wat zijn de kenmerken en wat is hun onderlinge relatie?
2
, 1) Directe afhankelijke kenm. = afhankelijke variabele = y-as
(uitkomst)
W. beïnvloed
2) Directe onafhankelijke kenm. = onafh. Variabele = x-as
Gaat in de tijd vooraf aan de afhankelijke variabele
3) Indirecte controlekenm. = controlevariabele
Ku invl hebbe, op relatie afh. <-> onafh.
o Samenhang = correlatie
o Oorzakelijk verband = causaliteit
6. Welke ethische problemen kunnen zich voordoen?
o 3 partijen in onderzoek:
1) De respondent (= proefpersoon)
2) Opdrachtgever
3) Onderzoeker
o Wanneer ethisch verantwoord?
Voor respondent:
- W. juist voorgelicht over doel & werkwijze onderzoek
- Geeft expliciet toestemming
- Gegevens w anoniem verwerkt
- Uitkomsten v onderzoek hebben gn nadelig effect vr
de respondent
Onderzoeker
- Voeren onderzoek op eerlijke & wet. Manier uit
- Verstrekt gn gegevens aan 3den als de opdrachtgever
daar nt mee instemt
- Functioneert volledig onafh. v.d. opdrachtgever
7. Is mijn onderzoek haalbaar?
Tijdbegroting
Geld -> kosten/ begroting
Bereidheid & bereikbaarheid v respondenten:
Bereidheid: afh. v.d. instantie die het
onderzoek uitvoert, wijze, tijd,
aantrekkelijkheid v. O, nut, waardering,…
Bereikbaarheid: steekproefbestand
voorhanden?
HOOFDSTUK 2: HOE KIES JE HET
ONDERZOEKSONTWERP?
1. Welke soorten onderzoeksvragen zijn er?
Op voorhand bepalen => bepaalt onderzoeksontwerp
o 3types:
3