LES 5
2
LOGOPEDISCH ASSESSMENT BIJ
KINDEREN EN JONGEREN MET
TAALONTWIKKELINGSSTOORNISSEN
EXAMEN :
WETEN WELKE TEST BIJ WELK KIND AFNEMEN. BV WAT ZOU JE SELECTEREN VOOR
ACTIEVE WOORDENSCHAT IN KAART TE BRENGEN
2.1 DIAGNOSESTELLING IN MULTIDISCIPLINAIRE CONTEXT VANUIT HET ICF
1
,Eerste signalering & doorverwijzing
• Ouders merken afwijkingen in taalontwikkeling → bespreken met huisarts of kinderarts.
• Kind & Gezin kan vroegtijdig communicatieve problemen signaleren.
• Eerstelijnszorg gebruikt signalerings- en screeningsinstrumenten om mogelijke
taalproblemen te detecteren.
• Bij vermoeden van taalachterstand → doorverwijzing naar:
o Logopedist
o CAR (Centrum voor Ambulante Revalidatie)
o COS (Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen)
Belang van vroege signalering
• Vroege detectie beperkt gevolgen van taalachterstand of TOS.
• Screening maakt snelle inschatting van risico’s mogelijk.
• Ouders’ niet-pluis-gevoel moet altijd ernstig genomen worden.
Start van de diagnostische cyclus bij de logopedist
• Gerichte anamnese: ontwikkeling, medische voorgeschiedenis, gezin, school, meertaligheid,
zorgen van ouders.
• Screening: eerste indruk van taal, communicatie, gedrag.
• Beslissing of verder taalonderzoek nodig is.
• Logopedist onderzoekt of taalproblemen verklaard kunnen worden door andere factoren:
o Gehoor
o Cognitieve capaciteiten
o Sociaal-emotionele factoren
o Aandacht & concentratie
o Neurologische of psychiatrische problematiek
2
,Multidisciplinaire samenwerking
Samenwerking met o.a.:
• NKO-arts
• Kinderneuroloog
• Kinderpsychiater
• Psycholoog
• Psychomotorisch therapeut
• Schoolteam
Doel: uitsluiten van andere oorzaken en compleet beeld vormen van het functioneren van het kind.
DIAGNOSTIEK BINNEN HET ICF-KADER (RIVM, 2007)
Het functioneren van het kind wordt in kaart gebracht op 3 niveaus:
1) Functies & anatomische eigenschappen
• Taalfuncties: fonologie, semantiek, morfosyntaxis, pragmatiek.
• Spraakproductie, auditieve verwerking, geheugen, aandacht.
• Neurologische of anatomische factoren die taal beïnvloeden.
2) Activiteiten & beperkingen
• Wat het kind kan op vlak van:
o Begrijpen
o Produceren
o Vertellen
o Gespreksvoering
• Activiteiten die moeilijk verlopen:
o Instructies volgen
o Woordvinding
o Zinsbouw
o Sociale communicatie
• Impact op schoolse vaardigheden (bv. begrijpend lezen, schriftelijke taal).
3
, 3) Participatie & participatieproblemen
• Functioneren in:
o Thuiscontext
o School
o Vrije tijd
o Contact met leeftijdsgenoten en volwassenen
• Mogelijke problemen:
o Minder deelnemen aan gesprekken
o Moeite met spel en groepsactiviteiten
o Beperkte sociale relaties
o Verminderd zelfvertrouwen
CONTEXTUELE FACTOREN
Externe factoren
• Thuisomgeving (stimulerend of belastend).
• Schoolcontext (ondersteuning, verwachtingen, klasgrootte).
• Beschikbare hulpverlening.
• Taalomgeving (eentalig, meertalig).
Persoonlijke factoren
• Leeftijd
• Temperament
• Motivatie
• Copingstijl
• Eventuele bijkomende ontwikkelingsproblemen
4
2
LOGOPEDISCH ASSESSMENT BIJ
KINDEREN EN JONGEREN MET
TAALONTWIKKELINGSSTOORNISSEN
EXAMEN :
WETEN WELKE TEST BIJ WELK KIND AFNEMEN. BV WAT ZOU JE SELECTEREN VOOR
ACTIEVE WOORDENSCHAT IN KAART TE BRENGEN
2.1 DIAGNOSESTELLING IN MULTIDISCIPLINAIRE CONTEXT VANUIT HET ICF
1
,Eerste signalering & doorverwijzing
• Ouders merken afwijkingen in taalontwikkeling → bespreken met huisarts of kinderarts.
• Kind & Gezin kan vroegtijdig communicatieve problemen signaleren.
• Eerstelijnszorg gebruikt signalerings- en screeningsinstrumenten om mogelijke
taalproblemen te detecteren.
• Bij vermoeden van taalachterstand → doorverwijzing naar:
o Logopedist
o CAR (Centrum voor Ambulante Revalidatie)
o COS (Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen)
Belang van vroege signalering
• Vroege detectie beperkt gevolgen van taalachterstand of TOS.
• Screening maakt snelle inschatting van risico’s mogelijk.
• Ouders’ niet-pluis-gevoel moet altijd ernstig genomen worden.
Start van de diagnostische cyclus bij de logopedist
• Gerichte anamnese: ontwikkeling, medische voorgeschiedenis, gezin, school, meertaligheid,
zorgen van ouders.
• Screening: eerste indruk van taal, communicatie, gedrag.
• Beslissing of verder taalonderzoek nodig is.
• Logopedist onderzoekt of taalproblemen verklaard kunnen worden door andere factoren:
o Gehoor
o Cognitieve capaciteiten
o Sociaal-emotionele factoren
o Aandacht & concentratie
o Neurologische of psychiatrische problematiek
2
,Multidisciplinaire samenwerking
Samenwerking met o.a.:
• NKO-arts
• Kinderneuroloog
• Kinderpsychiater
• Psycholoog
• Psychomotorisch therapeut
• Schoolteam
Doel: uitsluiten van andere oorzaken en compleet beeld vormen van het functioneren van het kind.
DIAGNOSTIEK BINNEN HET ICF-KADER (RIVM, 2007)
Het functioneren van het kind wordt in kaart gebracht op 3 niveaus:
1) Functies & anatomische eigenschappen
• Taalfuncties: fonologie, semantiek, morfosyntaxis, pragmatiek.
• Spraakproductie, auditieve verwerking, geheugen, aandacht.
• Neurologische of anatomische factoren die taal beïnvloeden.
2) Activiteiten & beperkingen
• Wat het kind kan op vlak van:
o Begrijpen
o Produceren
o Vertellen
o Gespreksvoering
• Activiteiten die moeilijk verlopen:
o Instructies volgen
o Woordvinding
o Zinsbouw
o Sociale communicatie
• Impact op schoolse vaardigheden (bv. begrijpend lezen, schriftelijke taal).
3
, 3) Participatie & participatieproblemen
• Functioneren in:
o Thuiscontext
o School
o Vrije tijd
o Contact met leeftijdsgenoten en volwassenen
• Mogelijke problemen:
o Minder deelnemen aan gesprekken
o Moeite met spel en groepsactiviteiten
o Beperkte sociale relaties
o Verminderd zelfvertrouwen
CONTEXTUELE FACTOREN
Externe factoren
• Thuisomgeving (stimulerend of belastend).
• Schoolcontext (ondersteuning, verwachtingen, klasgrootte).
• Beschikbare hulpverlening.
• Taalomgeving (eentalig, meertalig).
Persoonlijke factoren
• Leeftijd
• Temperament
• Motivatie
• Copingstijl
• Eventuele bijkomende ontwikkelingsproblemen
4