Lisa Van Damme
Psychologie
Hoofdstuk 1 – Psychologie als wetenschap
Psychologie:
Psycho (ziel) logie (woord, reden)
= Wetenschappelijke studie van het menselijk gedrag (= R) en de mentale processen (= O) die
daar aan de grondslag liggen. Dat ook beïnvloed worden door externe factoren (= S).
S -> stimuli = externe factoren die buiten het individu liggen + invloed hebben op mentale
processen. Gebeurtenissen vooraf.
O -> organisme = interne factoren, niet rechtsreeks waarneembaar + bepaald mee het gedrag
van het individu.
R -> respons = uiterlijk waarneembaar gedrag.
Doel van psychologie:
➢ kennis verzamelen
➢ verklaringen zoeken
➢ wetmatigheden vinden: voorspelbaar maken en beïnvloeden
➢ vooroordelen en subjectieve oordelen uitsluiten
Hoe?:
➢ Ideeën of hypothesen worden onderzocht op basis van objectieve observaties
en gecontroleerd onderzoek.
Methode:
➢ Doelgericht (onderzoeken hypothese)
➢ Betrouwbaar (gecontroleerd onderzoek)
➢ Systematisch (gegevensverzameling)
Theoretische psychologie:
= kennis vergaren + inzicht verwerven via methodisch onderzoek
Toegepaste psychologie:
= Praktische toepassing van de theoretische psychologie. (Gedrags)problemen vanuit de praktijk
onderzoeken o.b.v. inzichten uit theoretische psychologie.
Hoofdstuk 2 – Psychologische stromingen
Mensvisie:
= manier waarop iemand naar de mens en zijn gedrag kijkt.
• Heeft invloed op de manier waarop je met cliënten omgaat en welke begeleiding je biedt.
Stromingen:
• gedrag bekijken vanuit verschillende “brillen”
NIET:
▪ betere theorie
▪ nieuwere theorie
▪ elke theorie de oplossing voor een ander probleem?
WEL:
▪ verschillende achtergronden
▪ verschillende focus en betekenisgeving
▪ vandaag vaak ‘eclectische’ (= het combineren van verschillende stijlen of ideeën
zonder je vast te houden aan iets specifiek.)
1
,Lisa Van Damme
1. Psychodynamische stroming
• Sigmund Freud (1859 – 1939)
“hoe mensen hun onbewuste wensen en verlangens vervullen”
“Ooit, wanneer je op een dag terugblikt, zullen de jaren van worsteling de allermooiste
blijken.”
mensvisie:
‘de mens is geen rationeel wezen, is geen baas over zichzelf en hij geeft minder dan hij
denkt zelf richting aan zijn eigen leven’
Bewustzijnsniveaus:
Bewuste = waarnemingen, emoties, gedachten...in
het hier en nu.
Voorbewuste = 'overgang' tussen het bewuste en
het onbewuste: onderdrukte drijfveren, emoties en
verlangens die op dat moment niet onder de
aandacht zijn, maar die we wel, zij het met enige
moeite, kunnen oproepen.
Onbewuste = het 'Es’, het onbewuste bestaat zowel
uit nooit bewust geworden driften of ervaringen (< 3
jaar) als uit verdrongen inhouden.
Uitgangspunten van bewustzijnsniveaus
➢ Individu is gedreven door zijn ‘instincten’
➢ Geen onderscheid tussen ziek en gezond.
▪ Iedereen heeft gezonde en gestoorde aspecten in gedrag
➢ Gevalstudies
▪ Kwalitatief onderzoek: intensief en langdurig, "in de diepte" (S-O-R)
▪ Rol therapeut: wijzen op 'blinde vlekken' (bv. patronen)
▪ Doel: het ‘onbewuste’ bewust maken. Hierdoor krijgt cliënt meer inzicht,
overzicht en daarmee meer grip op zijn voelen, denken en handelen
▪ Hoe: Inzicht in of toegang krijgen tot het onbewuste via bv. vrije
associatie (= alles zegt wat in je opkomt, zonder na te denken of het
logisch is.)
RORSCHACH test (vrije associatie)
2
, Lisa Van Damme
Uitgangspunten
S–O–R
➢ Gedrag willen begrijpen -> bezighouden met de onbewuste mentale processen
die daaraan ten grondslag liggen.
➢ Intrapsychische: dynamiek ‘binnen’ het individu
➢ Wat drijft ons? Welke emotie, motivatie, verlangen...stuurt ons gedrag?
Driftenleer:
= Ontstaan van de persoonlijkheidsstructuur volgens conflictmodel
‘De mens is geen rationeel wezen’ = hij is, minder dan hij zelf denkt, geen baas over
zichzelf en hij geeft, minder dan hij denkt, zelf richting aan zijn eigen leven’.
‘De mens is primair een driftwezen = altijd op zoek naar beleving en bevrediging van
lust, door instincten, driften, energieën in zijn onderbewuste gedreven, die in conflict zijn
met zijn omgeving’
Tijdens de ontwikkeling van de persoonlijkheid worden er 2 verbonden en parallel
verlopende ontwikkelingsprocessen onderscheid door Freud:
1. psychoseksuele ontwikkeling
2. ontwikkeling van het Ich: driftenleer wordt gekenmerkt door een ontwikkeling van
de persoonlijkheidsstructuur met 3 componenten die samen bepalen hoe we
denken, voelen en handelen:
ES – ISH - UBERICH
1. ES = onbewuste dat draait om je instincten, verlangens en driften en daar direct op
inspeelt.
2. ICH (ego) = bewuste dat helpt met beslissingen te nemen en omgaan met
werkelijkheid. Zoekt balans tussen de verlangens van het ‘es’ en de eisen van het
‘uberich’, rekening houdend met de realiteit en de sociale normen. Hier ontstaat ook
angst, aangezien dat het interne spanningen moet op lossen.
Eros:
• zelfbehoud
• levensdrift
• op basis van ontwikkelingsproces
Thanathos:
• zelfvernietiging
3
Psychologie
Hoofdstuk 1 – Psychologie als wetenschap
Psychologie:
Psycho (ziel) logie (woord, reden)
= Wetenschappelijke studie van het menselijk gedrag (= R) en de mentale processen (= O) die
daar aan de grondslag liggen. Dat ook beïnvloed worden door externe factoren (= S).
S -> stimuli = externe factoren die buiten het individu liggen + invloed hebben op mentale
processen. Gebeurtenissen vooraf.
O -> organisme = interne factoren, niet rechtsreeks waarneembaar + bepaald mee het gedrag
van het individu.
R -> respons = uiterlijk waarneembaar gedrag.
Doel van psychologie:
➢ kennis verzamelen
➢ verklaringen zoeken
➢ wetmatigheden vinden: voorspelbaar maken en beïnvloeden
➢ vooroordelen en subjectieve oordelen uitsluiten
Hoe?:
➢ Ideeën of hypothesen worden onderzocht op basis van objectieve observaties
en gecontroleerd onderzoek.
Methode:
➢ Doelgericht (onderzoeken hypothese)
➢ Betrouwbaar (gecontroleerd onderzoek)
➢ Systematisch (gegevensverzameling)
Theoretische psychologie:
= kennis vergaren + inzicht verwerven via methodisch onderzoek
Toegepaste psychologie:
= Praktische toepassing van de theoretische psychologie. (Gedrags)problemen vanuit de praktijk
onderzoeken o.b.v. inzichten uit theoretische psychologie.
Hoofdstuk 2 – Psychologische stromingen
Mensvisie:
= manier waarop iemand naar de mens en zijn gedrag kijkt.
• Heeft invloed op de manier waarop je met cliënten omgaat en welke begeleiding je biedt.
Stromingen:
• gedrag bekijken vanuit verschillende “brillen”
NIET:
▪ betere theorie
▪ nieuwere theorie
▪ elke theorie de oplossing voor een ander probleem?
WEL:
▪ verschillende achtergronden
▪ verschillende focus en betekenisgeving
▪ vandaag vaak ‘eclectische’ (= het combineren van verschillende stijlen of ideeën
zonder je vast te houden aan iets specifiek.)
1
,Lisa Van Damme
1. Psychodynamische stroming
• Sigmund Freud (1859 – 1939)
“hoe mensen hun onbewuste wensen en verlangens vervullen”
“Ooit, wanneer je op een dag terugblikt, zullen de jaren van worsteling de allermooiste
blijken.”
mensvisie:
‘de mens is geen rationeel wezen, is geen baas over zichzelf en hij geeft minder dan hij
denkt zelf richting aan zijn eigen leven’
Bewustzijnsniveaus:
Bewuste = waarnemingen, emoties, gedachten...in
het hier en nu.
Voorbewuste = 'overgang' tussen het bewuste en
het onbewuste: onderdrukte drijfveren, emoties en
verlangens die op dat moment niet onder de
aandacht zijn, maar die we wel, zij het met enige
moeite, kunnen oproepen.
Onbewuste = het 'Es’, het onbewuste bestaat zowel
uit nooit bewust geworden driften of ervaringen (< 3
jaar) als uit verdrongen inhouden.
Uitgangspunten van bewustzijnsniveaus
➢ Individu is gedreven door zijn ‘instincten’
➢ Geen onderscheid tussen ziek en gezond.
▪ Iedereen heeft gezonde en gestoorde aspecten in gedrag
➢ Gevalstudies
▪ Kwalitatief onderzoek: intensief en langdurig, "in de diepte" (S-O-R)
▪ Rol therapeut: wijzen op 'blinde vlekken' (bv. patronen)
▪ Doel: het ‘onbewuste’ bewust maken. Hierdoor krijgt cliënt meer inzicht,
overzicht en daarmee meer grip op zijn voelen, denken en handelen
▪ Hoe: Inzicht in of toegang krijgen tot het onbewuste via bv. vrije
associatie (= alles zegt wat in je opkomt, zonder na te denken of het
logisch is.)
RORSCHACH test (vrije associatie)
2
, Lisa Van Damme
Uitgangspunten
S–O–R
➢ Gedrag willen begrijpen -> bezighouden met de onbewuste mentale processen
die daaraan ten grondslag liggen.
➢ Intrapsychische: dynamiek ‘binnen’ het individu
➢ Wat drijft ons? Welke emotie, motivatie, verlangen...stuurt ons gedrag?
Driftenleer:
= Ontstaan van de persoonlijkheidsstructuur volgens conflictmodel
‘De mens is geen rationeel wezen’ = hij is, minder dan hij zelf denkt, geen baas over
zichzelf en hij geeft, minder dan hij denkt, zelf richting aan zijn eigen leven’.
‘De mens is primair een driftwezen = altijd op zoek naar beleving en bevrediging van
lust, door instincten, driften, energieën in zijn onderbewuste gedreven, die in conflict zijn
met zijn omgeving’
Tijdens de ontwikkeling van de persoonlijkheid worden er 2 verbonden en parallel
verlopende ontwikkelingsprocessen onderscheid door Freud:
1. psychoseksuele ontwikkeling
2. ontwikkeling van het Ich: driftenleer wordt gekenmerkt door een ontwikkeling van
de persoonlijkheidsstructuur met 3 componenten die samen bepalen hoe we
denken, voelen en handelen:
ES – ISH - UBERICH
1. ES = onbewuste dat draait om je instincten, verlangens en driften en daar direct op
inspeelt.
2. ICH (ego) = bewuste dat helpt met beslissingen te nemen en omgaan met
werkelijkheid. Zoekt balans tussen de verlangens van het ‘es’ en de eisen van het
‘uberich’, rekening houdend met de realiteit en de sociale normen. Hier ontstaat ook
angst, aangezien dat het interne spanningen moet op lossen.
Eros:
• zelfbehoud
• levensdrift
• op basis van ontwikkelingsproces
Thanathos:
• zelfvernietiging
3