Onderzoeksmethodologie ............................................................................................ 3
1.Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek in bedrijfseconomie ...................................... 3
Wat levert wetenschappelijk onderzoek op? ....................................................................................... 3
Pragmatische invalshoek .......................................................................................................... 3
A. Manager en organisatie ................................................................................................ 3
B. Economie en maatschappij .......................................................................................... 3
Wetenschapsfilosofische invalshoek ........................................................................................ 4
A. Logisch emperisme ..................................................................................................... 4
B. Probabilistische confirmatie ........................................................................................ 4
C. Eliminatie en falsificatie (K. Popper) .............................................................................. 4
D. Moderne opvattingen ................................................................................................... 5
1. Realisme.............................................................................................................. 5
2. Wetenschappelijke verandering ............................................................................. 5
3. Wetenschap als socio-historisch fenomeen ........................................................... 6
Drie niveaus van onderzoek............................................................................................................... 6
1. Fundamenteel ................................................................................................................. 6
2. Toegepast........................................................................................................................ 6
3. In opdracht (marktonderzoek, consultancy) ...................................................................... 6
Tweedeling Fundamenteel vs Toegepast .................................................................................... 6
Bedrijfswetenschappelijk onderzoek gekaderd .......................................................................... 7
Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek ..................................................................................... 8
2.Het onderzoeksproces ................................................................................................... 10
Van probleem naar probleemstelling ................................................................................................ 10
De wetenschappelijke (deductieve) methode ........................................................................... 10
1. Beschrijf het probleem ......................................................................................... 10
2. Formuleer de probleemstelling ............................................................................. 10
3. Ontwikkel hypothesen ......................................................................................... 11
4. Bepaal je methodologie en maatstaven ................................................................ 11
5. Datacollectie ...................................................................................................... 11
6. Analyses ............................................................................................................. 11
7. Interpretatie en conclusies (terugkoppelen naar probleem) .................................... 11
Classificatie van onderzoeksproces ................................................................................................. 11
Literatuuroverzicht .......................................................................................................................... 13
Bepalen van de Theorie en de Hypothesen ........................................................................................ 14
Theoretisch kader: .................................................................................................................. 14
Ontwikkel hypothesen ............................................................................................................. 15
Ethische bekommernissen ............................................................................................................... 15
3.Onderzoeksmethoden in de bedrijfseconomie................................................................. 16
Situering van onderzoeksmethoden .................................................................................................. 16
Methoden van verzamelen ............................................................................................................... 17
Observatie .............................................................................................................................. 17
Bevraging (surveys) ................................................................................................................. 18
Manipulatie (experimenten) ..................................................................................................... 19
Gecombineerde methoden .............................................................................................................. 24
Kwalitatief onderzoek .............................................................................................................. 24
Karakterisering ........................................................................................................... 24
Onderzoeksbenaderingen ........................................................................................... 25
Dataverzamelingsmethoden ....................................................................................... 26
1
, Analyseren (ontsluiten van info) ................................................................................... 28
Kwaliteitschecks ........................................................................................................ 28
Secundaire data...................................................................................................................... 29
De econometrische methode .................................................................................................. 29
S1: enkelvoudige regressieanalyse............................................................................... 30
S2: meervoudige regressieanalyse ............................................................................... 30
S3: regressie met paneldata ........................................................................................ 31
S4: endogeniteit ......................................................................................................... 32
S5: voorspellen met regressiemodellen........................................................................ 32
Wegwijs bij de selectie van de methode ............................................................................................ 34
2
, Onderzoeksmethodologie
1.Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek in bedrijfseconomie
Wat levert wetenschappelijk onderzoek op?
Pragmatische invalshoek
A. Manager en organisatie
Belang van wetenschappelijk onderzoek voor manager:
- Oplossen dagelijkse problemen wordt verrijkt met kennis
o Opleidingen van wn, hoe energie besparen, marktad, productiviteit
- Oplossen van grote (risicovolle) problemen wort versterkt met kennis
o Extra varianten produceren: te weinig (→ kleinere markt, minder winst), te groot (te veel
kosten en ook minder winst)
De manager moet:
- Goed en slecht onderscheiden: technieken kennen
- Meedenken met onderzoekers & hen bijsturen: toekomstige trends en opportuniteiten laten
onderzoeken
- Academische houding → bewust van alternatieve verklaring voor fenomeen ipv intuitieve
verklaring. = er is een andere oorzaak mogelijk. Verkoop daalt: Ho = P te hoog dus P laten
dalen, Ha: product is verouderd dus moet hipper
Bewust van complexiteit van de verklaring:
o Onvermoede intercaties korting laat verkoop niet altijd stijgen, attitude tov product
o Niet elke bevinding kan veralgemeend worden naar gehele populatie be ≠ nl
o Belangrijk om doelgroep en omgevingsfactoren te kennen.
Belang van wet. Voor bedrijf/organisatie:
- Kost besparend:
o Verkeerde verklaring kan duur zijn: adverteren kan via positieve houding of door
aandacht de verkoop doen stijgen maar je moet het totaal anders aanpakken
o Gebrek aan proces verklaring kan de efficientie doen dalen
- Probleem detectie: promotie verkoop in t1 stijgt maar in t2 daalt die
- Opportuniteitsdetectie: vaststellen of verkoop stijgt met beperkte technieken
B. Economie en maatschappij
- Technologische vooruitgang
- Maatschappelijke vooruitgang: het besef dat gedragswetenschappen relevant zijn
o Om welvaart en welzijn te verhogen: het gevolg van covid op consumptie
o Technologie aanvaardbaarder te maken: om oudjes langer autonomie te geven
o Gedragsverandering teweeg te brengen: campanges voor safe driving
3
, Wetenschapsfilosofische invalshoek
A. Logisch emperisme
Iets wordt wetenschappelijk als het gesteund wordt door empirische bevindingen
→deductief: theorie → evidentie → confirmeren (verificatie)
Een theorie leidt tot voorspellingen en evidantie ondersteunt de theorie
Proces van ontdekking en hypothese formulering ≠ logisch – wetenschappelijk, de
confirmatiemethode wel
Problemen:
- Er kan altijd niet-consistente evidentie gevonden worden in de toekomst (altijd tijdelijk)
- Irrelevante aspecten van theorie wordt evengoed bevestigd door evidentie: appreciatie→
productiviteit stijgt maar kan ook zijn door schuldgevoel
Confirmerende evidentie is nooit sluitende
B. Probabilistische confirmatie
Evidentie is niet conclusief maar observaties bieden wel info (Bayes), de waarschijnlijkheid neemt toe:
hoe meer je waarneemt dat appreciatie de productiviteit doet stijgen, hoe meer waarschijnlijk dat dat
waar is.
P(E)/H = 1 > P(E)/H = 0 Dan confirmeert Evidentie de Hypothese
E verhoogt de plausabiliteit van H: hoe meer witte zwanen hoe minder kans dat er een zwarte
zwaan bestaat
Problemen:
- Probabiliteit van de theorieen en evidentie gegeven de theorieen zijn niet bekend
- Subjective prior probabilities kunnen zo biased zijn dat er ‘te veel’ evidentie nodig is vooraleer
de juiste theorie wint
o Als we overtuigd zijn dat H waar is, zoeken we evidentie die H bevestigd, we willen wel
iets vinden dat tegenspreekt, maar eer je dat gelooft moet er veel tegenevidentie
gevonden worden
- Wetenschappers redeneren niet in termen van probabiliteit maar wel in juist/fout (1/0)
Het belang van evidentie mag niet gevoelig zijn voor subjectieve bias
C. Eliminatie en falsificatie (K. Popper)
Eliminatie: Wetenschappers moeten niet confirmeren maar wel verwerpen (tegenevidentie): H: alle
zwanen zijn wit, → actief opzoek gaan naar zwarte zwaan
Falsificatie:
- Rivaliserende H ontwikkelen (alternatieve verklaringen
- Ontwikkelingen testen om ze tegen elkaar af te toetsen
- Elimineer de hypotheses waar geen evidentie voor is
- Hypothese die overblijft is de ware hypothese
4
1.Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek in bedrijfseconomie ...................................... 3
Wat levert wetenschappelijk onderzoek op? ....................................................................................... 3
Pragmatische invalshoek .......................................................................................................... 3
A. Manager en organisatie ................................................................................................ 3
B. Economie en maatschappij .......................................................................................... 3
Wetenschapsfilosofische invalshoek ........................................................................................ 4
A. Logisch emperisme ..................................................................................................... 4
B. Probabilistische confirmatie ........................................................................................ 4
C. Eliminatie en falsificatie (K. Popper) .............................................................................. 4
D. Moderne opvattingen ................................................................................................... 5
1. Realisme.............................................................................................................. 5
2. Wetenschappelijke verandering ............................................................................. 5
3. Wetenschap als socio-historisch fenomeen ........................................................... 6
Drie niveaus van onderzoek............................................................................................................... 6
1. Fundamenteel ................................................................................................................. 6
2. Toegepast........................................................................................................................ 6
3. In opdracht (marktonderzoek, consultancy) ...................................................................... 6
Tweedeling Fundamenteel vs Toegepast .................................................................................... 6
Bedrijfswetenschappelijk onderzoek gekaderd .......................................................................... 7
Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek ..................................................................................... 8
2.Het onderzoeksproces ................................................................................................... 10
Van probleem naar probleemstelling ................................................................................................ 10
De wetenschappelijke (deductieve) methode ........................................................................... 10
1. Beschrijf het probleem ......................................................................................... 10
2. Formuleer de probleemstelling ............................................................................. 10
3. Ontwikkel hypothesen ......................................................................................... 11
4. Bepaal je methodologie en maatstaven ................................................................ 11
5. Datacollectie ...................................................................................................... 11
6. Analyses ............................................................................................................. 11
7. Interpretatie en conclusies (terugkoppelen naar probleem) .................................... 11
Classificatie van onderzoeksproces ................................................................................................. 11
Literatuuroverzicht .......................................................................................................................... 13
Bepalen van de Theorie en de Hypothesen ........................................................................................ 14
Theoretisch kader: .................................................................................................................. 14
Ontwikkel hypothesen ............................................................................................................. 15
Ethische bekommernissen ............................................................................................................... 15
3.Onderzoeksmethoden in de bedrijfseconomie................................................................. 16
Situering van onderzoeksmethoden .................................................................................................. 16
Methoden van verzamelen ............................................................................................................... 17
Observatie .............................................................................................................................. 17
Bevraging (surveys) ................................................................................................................. 18
Manipulatie (experimenten) ..................................................................................................... 19
Gecombineerde methoden .............................................................................................................. 24
Kwalitatief onderzoek .............................................................................................................. 24
Karakterisering ........................................................................................................... 24
Onderzoeksbenaderingen ........................................................................................... 25
Dataverzamelingsmethoden ....................................................................................... 26
1
, Analyseren (ontsluiten van info) ................................................................................... 28
Kwaliteitschecks ........................................................................................................ 28
Secundaire data...................................................................................................................... 29
De econometrische methode .................................................................................................. 29
S1: enkelvoudige regressieanalyse............................................................................... 30
S2: meervoudige regressieanalyse ............................................................................... 30
S3: regressie met paneldata ........................................................................................ 31
S4: endogeniteit ......................................................................................................... 32
S5: voorspellen met regressiemodellen........................................................................ 32
Wegwijs bij de selectie van de methode ............................................................................................ 34
2
, Onderzoeksmethodologie
1.Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek in bedrijfseconomie
Wat levert wetenschappelijk onderzoek op?
Pragmatische invalshoek
A. Manager en organisatie
Belang van wetenschappelijk onderzoek voor manager:
- Oplossen dagelijkse problemen wordt verrijkt met kennis
o Opleidingen van wn, hoe energie besparen, marktad, productiviteit
- Oplossen van grote (risicovolle) problemen wort versterkt met kennis
o Extra varianten produceren: te weinig (→ kleinere markt, minder winst), te groot (te veel
kosten en ook minder winst)
De manager moet:
- Goed en slecht onderscheiden: technieken kennen
- Meedenken met onderzoekers & hen bijsturen: toekomstige trends en opportuniteiten laten
onderzoeken
- Academische houding → bewust van alternatieve verklaring voor fenomeen ipv intuitieve
verklaring. = er is een andere oorzaak mogelijk. Verkoop daalt: Ho = P te hoog dus P laten
dalen, Ha: product is verouderd dus moet hipper
Bewust van complexiteit van de verklaring:
o Onvermoede intercaties korting laat verkoop niet altijd stijgen, attitude tov product
o Niet elke bevinding kan veralgemeend worden naar gehele populatie be ≠ nl
o Belangrijk om doelgroep en omgevingsfactoren te kennen.
Belang van wet. Voor bedrijf/organisatie:
- Kost besparend:
o Verkeerde verklaring kan duur zijn: adverteren kan via positieve houding of door
aandacht de verkoop doen stijgen maar je moet het totaal anders aanpakken
o Gebrek aan proces verklaring kan de efficientie doen dalen
- Probleem detectie: promotie verkoop in t1 stijgt maar in t2 daalt die
- Opportuniteitsdetectie: vaststellen of verkoop stijgt met beperkte technieken
B. Economie en maatschappij
- Technologische vooruitgang
- Maatschappelijke vooruitgang: het besef dat gedragswetenschappen relevant zijn
o Om welvaart en welzijn te verhogen: het gevolg van covid op consumptie
o Technologie aanvaardbaarder te maken: om oudjes langer autonomie te geven
o Gedragsverandering teweeg te brengen: campanges voor safe driving
3
, Wetenschapsfilosofische invalshoek
A. Logisch emperisme
Iets wordt wetenschappelijk als het gesteund wordt door empirische bevindingen
→deductief: theorie → evidentie → confirmeren (verificatie)
Een theorie leidt tot voorspellingen en evidantie ondersteunt de theorie
Proces van ontdekking en hypothese formulering ≠ logisch – wetenschappelijk, de
confirmatiemethode wel
Problemen:
- Er kan altijd niet-consistente evidentie gevonden worden in de toekomst (altijd tijdelijk)
- Irrelevante aspecten van theorie wordt evengoed bevestigd door evidentie: appreciatie→
productiviteit stijgt maar kan ook zijn door schuldgevoel
Confirmerende evidentie is nooit sluitende
B. Probabilistische confirmatie
Evidentie is niet conclusief maar observaties bieden wel info (Bayes), de waarschijnlijkheid neemt toe:
hoe meer je waarneemt dat appreciatie de productiviteit doet stijgen, hoe meer waarschijnlijk dat dat
waar is.
P(E)/H = 1 > P(E)/H = 0 Dan confirmeert Evidentie de Hypothese
E verhoogt de plausabiliteit van H: hoe meer witte zwanen hoe minder kans dat er een zwarte
zwaan bestaat
Problemen:
- Probabiliteit van de theorieen en evidentie gegeven de theorieen zijn niet bekend
- Subjective prior probabilities kunnen zo biased zijn dat er ‘te veel’ evidentie nodig is vooraleer
de juiste theorie wint
o Als we overtuigd zijn dat H waar is, zoeken we evidentie die H bevestigd, we willen wel
iets vinden dat tegenspreekt, maar eer je dat gelooft moet er veel tegenevidentie
gevonden worden
- Wetenschappers redeneren niet in termen van probabiliteit maar wel in juist/fout (1/0)
Het belang van evidentie mag niet gevoelig zijn voor subjectieve bias
C. Eliminatie en falsificatie (K. Popper)
Eliminatie: Wetenschappers moeten niet confirmeren maar wel verwerpen (tegenevidentie): H: alle
zwanen zijn wit, → actief opzoek gaan naar zwarte zwaan
Falsificatie:
- Rivaliserende H ontwikkelen (alternatieve verklaringen
- Ontwikkelingen testen om ze tegen elkaar af te toetsen
- Elimineer de hypotheses waar geen evidentie voor is
- Hypothese die overblijft is de ware hypothese
4