Economie samenvatting – P1 – P4
Schaarste en Ruil Evi Deems
1.1
Schaarste: Zijn middelen die niet toereikend aan je wensen voldoen, de spanning tussen de
menselijke behoeften en de beschikbare middelen om in die behoeften te voorzien
Primaire goederen: Goederen die noodzakelijk zijn om te leven (Brood)
Secundaire goederen: Luxegoederen niet noodzakelijk (Wijn)
Status goederen: geven erkenning over wie jij bent
Alternatieve aanwenbaarheid: Goederen die je op meerdere manieren kan gebruiken, ze zijn
hierdoor schaarste omdat je het andere moet opgeven.
Opofferingskosten: Kosten die je misloopt omdat je iets anders gaat doen.
Opofferingskosten = Wat je zou verdienen + wat je hebt uitgegeven
Micro-Economie: economisch gedrag (=beslissingen) van individuen/ huishoudens
Macro-economie: gaat de hele economie aan, bijvoorbeeld werkloosheid in een land
Productiefactoren Wat invloed heeft op de productie van de markt
Kapitaal, Arbeid, Natuur, Ondernemerschap
Budgetlijn: Budget: kosten van je product, vervolgens teken je deze lijn in een grafiek
horizontaal of verticaal. Wanneer je beide producten hebt ingevuld trek je een lijn
Wat je maximaal kan uitgeven: kosten product = hoeveelheid wat je kan kopen.
Formule budgetlijn
M = Px X + Py Y
M: inkomen (budget)
Px: prijs goed X
X: hoeveelheid goed X
Py: prijs goed Y
Y: hoeveelheid goed Y
1.2
Begroting = Overzicht van inkomsten en uitgaven van een bepaalde periode
Uitgaven groter dan inkomen = tekort Budgettair probleem Je moet gaan bezuinigen
Ceteris Paribus: het onderzoeken van een verband naar alle overige factoren die ook invloed
hebben constant veronderstellen.
Hierbij kun je een model gebruiken: Theoretische samenhang tussen economische
grootheden.
, 1.3
Indexcijfer: is een verhoudingsgetal waarmee de grootte van een bepaald verschijnsel wordt
uitgedrukt ten opzichte van datzelfde verschijnsel in een andere periode.
Wat je wil
weten getal
basisjaar
Indexcijfer = Let goed op dat je hier bij het juiste basisjaar gebruikt!
-----------------------------------
----- x 100
Getal
basisjaar
NIC NIC = Nominaal indexcijfer Stijging of daling van
RIC = -------- x 100 geld/loon
PIC PIC = Prijsindexcijfer Inflatie of deflatie
RIC = Reëel indexcijfer Koopkracht
Let op: bij indexcijfer reëel inkomen moet je altijd de procenten omrekenen dus % x 100
En als je de formule om gooit doe je i.p.v. x 100 : 100
Hyperinflatie: Zeer sterke vorm van inflatie, prijzen stijgen dagelijks.
Consumentenprijsindexcijfer: Het CPI geeft de gemiddelde prijsstijging aan van een pakket
goederen en diensten dat door een bepaalde groep mensen gekocht wordt. Deze
prijsstijging wordt uitgedrukt ten opzichte van het basisjaar.
Σ = som van (bij elkaar opgeteld)
Schaarste en Ruil Evi Deems
1.1
Schaarste: Zijn middelen die niet toereikend aan je wensen voldoen, de spanning tussen de
menselijke behoeften en de beschikbare middelen om in die behoeften te voorzien
Primaire goederen: Goederen die noodzakelijk zijn om te leven (Brood)
Secundaire goederen: Luxegoederen niet noodzakelijk (Wijn)
Status goederen: geven erkenning over wie jij bent
Alternatieve aanwenbaarheid: Goederen die je op meerdere manieren kan gebruiken, ze zijn
hierdoor schaarste omdat je het andere moet opgeven.
Opofferingskosten: Kosten die je misloopt omdat je iets anders gaat doen.
Opofferingskosten = Wat je zou verdienen + wat je hebt uitgegeven
Micro-Economie: economisch gedrag (=beslissingen) van individuen/ huishoudens
Macro-economie: gaat de hele economie aan, bijvoorbeeld werkloosheid in een land
Productiefactoren Wat invloed heeft op de productie van de markt
Kapitaal, Arbeid, Natuur, Ondernemerschap
Budgetlijn: Budget: kosten van je product, vervolgens teken je deze lijn in een grafiek
horizontaal of verticaal. Wanneer je beide producten hebt ingevuld trek je een lijn
Wat je maximaal kan uitgeven: kosten product = hoeveelheid wat je kan kopen.
Formule budgetlijn
M = Px X + Py Y
M: inkomen (budget)
Px: prijs goed X
X: hoeveelheid goed X
Py: prijs goed Y
Y: hoeveelheid goed Y
1.2
Begroting = Overzicht van inkomsten en uitgaven van een bepaalde periode
Uitgaven groter dan inkomen = tekort Budgettair probleem Je moet gaan bezuinigen
Ceteris Paribus: het onderzoeken van een verband naar alle overige factoren die ook invloed
hebben constant veronderstellen.
Hierbij kun je een model gebruiken: Theoretische samenhang tussen economische
grootheden.
, 1.3
Indexcijfer: is een verhoudingsgetal waarmee de grootte van een bepaald verschijnsel wordt
uitgedrukt ten opzichte van datzelfde verschijnsel in een andere periode.
Wat je wil
weten getal
basisjaar
Indexcijfer = Let goed op dat je hier bij het juiste basisjaar gebruikt!
-----------------------------------
----- x 100
Getal
basisjaar
NIC NIC = Nominaal indexcijfer Stijging of daling van
RIC = -------- x 100 geld/loon
PIC PIC = Prijsindexcijfer Inflatie of deflatie
RIC = Reëel indexcijfer Koopkracht
Let op: bij indexcijfer reëel inkomen moet je altijd de procenten omrekenen dus % x 100
En als je de formule om gooit doe je i.p.v. x 100 : 100
Hyperinflatie: Zeer sterke vorm van inflatie, prijzen stijgen dagelijks.
Consumentenprijsindexcijfer: Het CPI geeft de gemiddelde prijsstijging aan van een pakket
goederen en diensten dat door een bepaalde groep mensen gekocht wordt. Deze
prijsstijging wordt uitgedrukt ten opzichte van het basisjaar.
Σ = som van (bij elkaar opgeteld)