1. piaget
Cognitieve ontwikkeling. 4 ontwikkelingsstadia
Actie=kennis
-Sensomotorische stadium 0-2 jaar ontwikkeling zintuigen. Objectpermanentie motoriek
-Pre operationeel stadium 2-6 jaar ontwikkelen taal, fijne motoriek, egocentrisch denken,
magisch denken, animisme symbolisch denken (levende dingen op onwerkelijke dingen)
-Concreet operationeel stadium 7-12 jaar ontwikkeling conservatiebegrip, reversibiliteit logica
-Formeel operationeel stadium 12- volwassen ontwikkeling logisch redeneren, abstract denken
Sensomotorische stadium in 6 substadia
Substadium 1: Eenvoudige reflexen (0-1 maand) (zuigreflex, zuigt op alles wat lippen aanraakt)
Substadium 2: Eerste gewoonten en primaire circulaire reacties (1-4 maanden) herhaalt, grijpt object
en zuigt tegelijkertijd.
Substadium 3: Secundaire circulaire reacties (4-8 maanden) herhaalde actie gewenste resultaat
opleveren.
Substadium 4: Coördinatie van secundaire circulaire reacties (8-12 maanden) kind anticipeert
gebeurtenissen.
Substadium 5: Tertiare circulaire reacties (12-18 maanden) mini experimentjes
Substadium 6: Het begin van denken (18-24 maanden) mentale representatie, symbolisch denken,
imiteren
Belangrijke begrippen Piaget
Schema’s’: georganiseerde mentale patronen die bepaalde gedragingen of acties
vertegenwoordigen.
Circulaire: Herhaling willekeurige motorische handelingen.
Primaire: leuk om te doen baby zuigt duim sensatie plezier.
Adaptie
-Assimilatie baby die aan rammelaar probeert te zuigen ->Zuigschema schema. Of bijv zebra is ook
een paard
-Accommodatie nieuwe stimuli
Circulaire reacties
Primair baby die aan duim zuigt
Secundair dingen buiten eigen lichaam worden interessant (knisperboek rammelaar)
Tertiair (kleine experimenten uitvoeren)
Objectpermanentie: besef dat mensen en objecten niet ophouden te bestaan, ook al zijn ze
onzichtbaar.
Centratie: onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan 1 aspect van stimulus te
concentreren. (masker van hond op kat. En denken dat kat nu hond is.) 2 rijen knopen
,Conservatie: Inzicht kwantiteit gerelateerd is aan fysieke verschijning. Glas water experiment..
Logisch denken conservatie nog niet mogelijk.
Transformatie: Pen maar op 2 manieren zien rechtop en op grond.
Reversibiliteit: vermogen uitgevoerde handeling (in gedachte weer terug te draaien 3+5= 8 maar
8-3= 5. Tijd, afstand ze snappen meer.
Stadia morele ontwikkeling Piaget.
Eerst moreel realisme 4-7 jaar. Regels als vast onveranderlijk beschouwen.
Daarna beginnende coöperatie. 7-10 jaar. Gedeelde regels leren tijdens sociale spelletjes en deze
regels nog steeds als grotendeels onveranderlijk beschouwen. “juiste manier.”
en autonome coöperatie vanaf 10. (regels veranderbaar) bewust worden dat formele spelregels
gewijzigd kunnen worden als de mensen die het spel willen spelen het daarmee eens zijn.
Decentreren: vermogen rekening te houden met verschillende aspecten van een situatie.
Hypothetisch-deductief redeneren : Adolescenten abstract dieper nadenken.
Piaget adolescentie
Abstract denken: dingen voorstellen, oplossen
Propositioneel denken: regent? Paraplu mee
Zwart/wit denken moreel relativisme (geen motivatie, geen zin)
2. Erikson
, Sociale ontwikkeling. Identiteit, psychodynamische visie. Groei verandering hele leven
doorgaan.
5 fases
1. Vertrouwen <-> Fundamenteel vertrouwen babytijd
Ontwikkelen van vertrouwen.
2. Autonomie <-> Schaamte/Twijfel Peutertijd 12-18 maanden- 3 jaar
Kind word onafhankelijker en autonomer. Als ouders verkenningsdrang stimuleren.
3. Initiatief <-> Schuldgevoel Kleutertijd 3 – 6 jaar
Conflicten tussen verlangen om initiatief te nemen en in middelpunt te staan.
4. Vlijt <-> Minderwaardigheid Schooltijd 6- 12 jaar
Competenties ontwikkelt om problemen ouders, leeftijdgenoten school en wereld
om hem heen het hoofd te kunnen bieden.
5. Identiteit <-> Rolverwarring Adolescentie
Tieners die proberen erachter te komen wat hun uniek maakt en onderscheid van
anderen. Verschillende keuzes en rollen die aansluit bij hun capaciteiten zelfbeeld.
3. Freud
Psycho Analyse.