Opleidings-en
werkveldorientatie
Valérie De Muynck
1
, Opleidings-en wereldoriëntatie
Hoofdstuk 1 – Voorkennis Vlaanderen en België
1.1 Basisbeginselen
België is een grondwettelijke staat = de grondwet zet in grote lijnen uiteen hoe de staat bestuurd
wordt, hoe diverse instellingen georganiseerd zijn en hoe burgers
zich verhouden tegenover deze instellingen.
Scheiding der machten = macht is verdeelt over diverse instanties met elk een eigen bevoegdheid.
Onafhankelijkheid van België = installeren v.d. Belgische Staat (1830).
Monarchie = koning is staatshoofd (zeer beperkte persoonlijke macht).
✓ Kan enkel samen met zijn ministers bevoegdheden uitoefenen.
✓ Taak om de wetten te maken en goed te keuren is weggelegd voor het parlement.
✓ Erin geboren (Parlement verkozen, ministers niet).
Republiek = president is staatshoofd.
De Federale overheid (= Belgische overheid) geeft een deel van haar bevoegdheden af aan de
deelstaten (gemeenschappen en gewesten) en lokale overheden (steden en gemeentes).
Verschillende overheden kunnen onderscheiden worden:
1. De federale overheid
→ beslissingsbevoegdheid over het grondgebied v.h. hele land.
2. De gemeenschappen (Vlaamse-, Franstalige- en Duitstalige gemeenschap)
→ Culturele eigenheid v.d. bevolking beschermen en ontwikkelen: cultuur- en persoonsgebonden
(cultuur, onderwijs, welzijn, jeugd, gelijke kansen, ...).
3. De gewesten (Vlaams-, Waals-, en Brusselhoofdstedelijk gewest)
→ inspelen op de economische eigenheid van een regio: verbonden aan de economie of zijn
plaats- of grondgebonden (economie, leefmilieu, water, energie, werk, openbaar vervoer,
landbouw,...).
4. De provincies
5. De lokale besturen
2
,Opleidings-en wereldoriëntatie
3
, Opleidings-en wereldoriëntatie
Hoofdstuk 2 – What’s in a name?
2.1 De samenlevingsdriehoek
1. AS – PUBLIEK/PRIVAAT
PUBLIEK = georganiseerd door overheid.
✓ Onze belastingen en sociale bijdragen voor zijn werking.
PRIVAAT = georganiseerd door.
✓ Publieke middelen (indien door overheid beschikbaar gemaakt).
✓ Zoeken vaak naar eigen middelen.
2. AS – FORMEEL/INFORMEEL
De as geeft de mate aan waarin wetten en regels worden gelegd.
FORMEEL = organisaties (ook de economische markt) die zich volgens regels en wetgevingen
moeten organiseren. Vb. vzw’s, BVBA’s, NV’s,…
INFORMEEL = de gemeenschappen: vrijwilligers die zonder specifieke opdracht een
gezamenlijk project organiseren (groeit soms uit tot formele initiatieven).
3. AS – PROFIT/NON-PROFIT
De as geeft de inhoudelijke focus aan die een organisatie of bedrijf heeft.
PROFIT = gericht op winst maken als belangrijkste doel (wil niet zeggen dat ze geen sociale
doelen realiseren)
NON-PROFIT = realiseren van een sociale impact als belangrijkste doel.
4