Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting celbiologie partim fysiologie

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
62
Geüpload op
03-04-2026
Geschreven in
2025/2026

Ik heb deze samenvatting zelf gemaakt obv de powerpoints. Hiermee kreeg ik een 16/20.

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

Fysiologie
Hoofdstuk 1: inleiding
1. Homeostase
Homeostase is het vermogen van een organisme om het inwendige milieu stabiel en in evenwicht te houden,
ondanks veranderingen in de omgeving, om optimaal te kunnen functioneren. Dit dynamisch proces omvat de
zelfregulatie van diverse lichaamsfuncties, zoals lichaamstemperatuur, bloeddruk,...
Indien de homeostase niet terug naar wordt ‘goedgezet’, wordt een persoon ziek.

Werking: een verandering in de omgeving vindt plaats, waardoor bv je lichaamstemperatuur onder het setpoint
gaat. Je lichaam genereert een reactie hierop via feedbackmechanismen en voert het uit. Zoals vasoconstrictie
bij het koud hebben.
Dit is niet gelijk aan een reflex, het duurt langer en passeert wel de hersenen.

De stippenlijn stelt hier een
negatieve feedbackloop voor.
Hierdoor zal de stimulus stoppen.




Homeostase werkt met twee feedbacksystemen:
1) Positieve feedbackloop
 Versterkt een verandering → het systeem wijkt steeds verder af van de oorspronkelijke toestand.
 Voorbeeld: bij bevalling stimuleert oxytocine steeds krachtigere weeën, tot de baby geboren is.
 Gevolg voor homeostase: doorbreekt tijdelijk de balans om een proces snel en volledig te laten
verlopen.
2) Negatieve feedbackloop
 Werkt corrigerend → brengt het systeem terug naar de normale waarde (setpoint).
 Voorbeeld: temperatuurregeling – bij koorts ga je zweten om af te koelen.
 Gevolg voor homeostase: houdt het interne milieu stabiel en voorkomt grote schommelingen.

, Hoofdstuk 2: moleculaire interacties
1. Proteïnen
Proteïnen zijn inactief, eens ze binden met een ligand worden ze actief en kunnen ze hun functies uitvoeren.

1.1 De proteïnebinding
Deze is complex om verschillende redenen:
 Specificiteit: niet elk molecuul kan aan elk eiwit binden; alleen moleculen met de juiste vorm en
chemische eigenschappen passen in het bindingsdomein.
 Affiniteit: beschrijft hoe graag een eiwit aan iets wil binden, een hoge affiniteit geeft meer kans op
binding. Stel een reactie A + B --> C, hierbij heb je een dissociatieconstante, hoe lager deze is, hoe
meer kans op binding (want als iets wil dissociëren kan het niet binden)
 Isovormen: dit zijn sterk gerelateerde eiwitten met gelijke functie, maar andere affiniteit.
 Activatie: er zijn twee mogelijkheden om een eiwit te activeren
1) Proteolytische splitsing: een deel v/h eiwit moet afsplitsen om het eiwit actief te maken. Voor de
splitsing zetten we het profix pro- of suffix -ogeen erbij om duidelijk te maken dat het om een
inactief eiwit gaat.
2) Via een cofactor: een niet-eiwit molecuul of ion dat bindt op, de bindingsplaats v/h eiwit. Zonder
de cofactor kan het eiwit niet goed binden aan zijn substraat of ligand.
1) Modulatie: de activiteit, conformatie of functie v/e eiwit verandert. Het verandert hoe goed een
eiwit zijn taak kan uitvoeren, zonder dat het eiwit zelf permanent wordt gewijzigd. Ofwel wijzigt
de activiteit v/h eiwit, ofwel de bindingsmogelijkheden met het ligand.
Modulatie kan ontstaan door:
 Chemische modulatoren: chemische stoffen die binden aan proteïnen en bindingsmogelijkheden of
activatie wijzigen (kan volledige (reversibele of irreversibele) inactivatie zijn)
 Antagonist: bindt aan een receptor maar activeert deze niet. Het blokkeert de receptor zodat het
natuurlijke ligand of agonist zijn effect niet kan uitoefenen.
 Competitieve inhibitoren (zie verder)
 Allosterische modulatoren: antagonisten (allosterische inhibitie) of activators (allosterische
activatie) binden reversibel aan een proteïne op een andere plaats dan de bindingsplaats en wijzigen
zo de vorm van de bindingsplaats.
 Covalente modulatoren: functionele groepen die covalent binden aan het proteïne en zo de
eigenschappen van het proteïne wijzigen (inhiberen of activeren)
 Fysische modulatoren (pH, t°), bv. denaturatie

Enkele begrippen
Competitieve inhibitor: Dit is een reversibele antagonist die bindt op dezelfde bindingsplaats als het natuurlijke
ligand v/e eiwit Het concurreert met het ligand, waardoor het effect van het ligand verminderd of geblokkeerd
wordt. Mate van inhibitie is afhankelijk van:
 [inhibitor] en [ligand]: dit effect kan omzeild worden door hogere concentratie v/h natuurlijke ligand
 Affiniteit van het proteïne voor de inhibitor en voor de ligand
Irreversibele inhibitie: een stof die permanent de activiteit v/e enzym verstoort door heel sterk te binden met
het enzym, waardoor het enzym zijn functie verliest.
Agonist: bindt aan een receptor en activeert deze, waardoor het biologische effect van het natuurlijke ligand
wordt nagebootst of versterkt. Kan volledig (full agonist) of gedeeltelijk (partial agonist) activeren.
Upregulatie: de hoeveelheid of activiteit v/e eiwit neemt toe waardoor de functie versterkt wordt. Dit is het
tegenovergestelde van downregulatie.
Saturatie: wanneer alle beschikbare bindingsplaatsen van een eiwit volledig bezet zijn door een ligand.

, Hoofdstuk 3: compartimentatie van cellen en weefsels
1. Functionele lichaamscompartimenten
In het lichaam: thoracale, abdominale, pericardiale en pelvische holte (en hersenholte).
In een cel zit intracellulaire vloeistof. Tussen cellen zit extracellulaire vloeistof, deze bestaat uit bloed plasma en
interstitiële vloeistof.


2. Biologische membraan
Functies:
 Fysische isolatie
 Uitwisseling met omgeving
 Communicatie
 Structuur
o Cytoskelet
o Cel-cel / cel-matrix interactie (structuur weefsels)
Opbouw: kan op 3 manieren
 Lipiden: polaire hoofden en apolaire staarten.
 Membraanproteïnen
o Transmembraaneiwitten: helemaal door het celmembraan heen, vaak 7-12 transmembranaire
segmenten van 20-25 aminozuren lang elks.
 niet-polair en hydrofoob
 niet-covalent gebonden met fosfolipiden
 extracellulair zijn het meestal koolhydraten, intracellulair fosfaatgroepen
o Perifere membraaneiwitten: alleen aan de buitenkant v/h membraan, ze zijn gehecht aan
transmembranaire proteïnen of aan polaire koppen van fosfolipiden. Het zijn structurele
bindingseiwitten die aan het cytoskelet hechten. (ze werken als enzymen)
o Lipide-verankerde membraaneiwitten: zijn covalent gebonden aan vetzuurstaarten van
lipiden.
o Membraankoolhydraten: vaak suikers
 + proteïne = glycoproteïne
 + lipide = glycolipide
 Functie: structureel, celherkenning en immuunrespons
 Extern vormen ze de glycocalix
 Bij een lipidendubbellaag ligt er nog cholesterol tussen, die de stevigheid v/h celmembraan behoudt
3. Intracellulaire compartimenten
= de celorganellen:




De opbouw v/e cel

, 4. Weefsels
Extracellulaire matrix (ECM):
 = materiaal dat buiten de cellen ligt en wordt gesynthetiseerd en uitgescheiden door de cellen zelf.
 Functies:
o Ondersteuning van weefsels
o Regulatie van adhesie (via celadhesiemoleculen of CAM’s), migratie, proliferatie en apoptose
o Beïnvloedt celfysiologie en signaaltransductie
Samenstelling v/d ECM
 Proteoglycanen/glycoproteïnen: een gel-achtige structuur die water vasthoudt en de ruimte tussen
cellen opvult
 Proteïnevezels: collageen, fibronectine en laminine

Celadhesiemoleculen:
 Cadherines: cel-cel verbindingen, nl. adhaerensverbindingen en desmosomen
 Integrines: cel-matrix verbindingen

Soorten juncties:
1) Tight junction:
o = barrière, geen transport mogelijk
o claudine-, occludine-proteïnen
o dynamisch, kan wijzigen (openen) op vraag van lichaam
2) Anchoring junctie:
o vasthechting aan andere cel of aan matrix, is dus iets losser dan tight junctions
o CEL – CEL: CAM = cadherines, desmosomen of adhaerens junctions (hechten actinevezels van,
buurcellen aan elkaar)
o CEL – MATRIX: CAM = integrine, hemidesmosomen (bindt intermediaire filamenten vh
cytoskelet aan ECM) of focal adhesions (bindt actinevezels aan ECM)
o Kan losgemaakt worden door matrix metaalproteïnen
3) Gap junction:
o cytoplasmatische kanalen die dienen voor transport (chemisch, elektrisch): “connexines”
o kanalen kunnen openen en sluiten

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Geüpload op
3 april 2026
Aantal pagina's
62
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$12.42
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
maximeguffens

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
maximeguffens Universiteit Antwerpen
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
-
Lid sinds
3 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
1
Laatst verkocht
-

0.0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen