Samenva'ng lichaam en mond
Hoofdstuk 0: inleiding
I. Inleiding
5 eigenschappen van een levend organisme:
• Reac>evermogen = prikkelbaarheid (a: homeostase = reac>evermogen)
• Groei (b)
• Voortplan>ng (c)
• Beweging
• Stofwisseling = metabolisme
a. Homeostase
= streven naar intern evenwicht, intern milieu zo constant mogelijk houden zoals de bloeddruk, ph van het
bloed, lichaamstemperatuur …
homeosta>sche regelsystemen:
zijn gebaseerd op enerzijds het meten van variabelen en anderzijds corrigerende ac>es ondernemen om
homeostase te bewaren.
• receptor (gevoelig voor bepaalde veranderingen in de omgeving (= prikkel)),
• een besturingscentrum of integra>ecentrum (= informa>e v receptor ontvangen en verwerken),
• een effector (= cel of orgaan die reageert op signalen van besturingscentrum gaat de werking van
de prikkel tegen of versterkt de prikkel)
vb van reac>evermogen
lichaamstemp gem 35-36°C
naar skigebied -> kouder maar je eigen lichaamstemperatuur blijS
gemiddeld hetzelfde
Temp <36°C -> sensoren in de huid meten dit
-> geven signaal aan warmtecentrum
-> reageert dat er iets moet gedaan worden
met het lichaam
-> eigen warmte wordt bijgehouden (spontane
reac>e)
-> bij lage T -> trillen -> skeletspieren bewegen
+ effect op bloedvaten (breder bloedvat ->
huid w roder -> te warm, te koud -> bloedvat
vernauwt -> bleker)
b. groei
zaadcel en eicel -> baby -> volwassen
=> meercellige = vb mens (complexere groei)
1
,=> 1 cellige bv bacterie groeit ook -> neemt in volume toe
Vb virus 1: covid = virus al>jd gastheer nodig om zich voor te planten -> dus geen levend organisme
Vb virus 2 = HIV (humaan immunodeficien>e virus)
Gastcellen = cellen van het immuunsysteem = problemen tegen immuniteit, AIDS personen geïnfecteerd
met HIV -> na verloop van >jd problemen met immuniteit leidt tot AIDS (acquiered imunodefficiancy
syndrome) -> AIDS is een syndroom
c. voortplan>ng
= reproduc>e = nieuwe nakomelingen maken (zelfstandig) of partner v/d zelfde soort
Ook bacterië kan zich voortplanten want deelt zich in 2
Hoofdstuk 1: inleiding in de celbiologie
I. chemische samenstelling van de cel
cellen zijn compar>menten die door een membraan omsloten zijn, en gevuld zijn met sterk
geconcentreerde waterige oplossing van chemische stoffen.
Water (H2O) : H-O-H
-> covalente binding: e- van O in
e- van H -> klein deel van atoom
waardoor binding ontstaat
=> 70% van het molecule
Organische moleculen :
-> moleculen met C-atoom
Macromolecule : eiwit :
Monomeren gebonden via
covalente binding tot polymeer
II. inleiding tot de koolstofchemie
vanbuiten kennen !
chemie van verbindingen die koolstoffen (C) bevahen = organische chemie
C- atoom kan al>jd 4 covalente bindingen aan, de atomen waarmee C- verbindingen aangaat : O,P,N,S,H
2
, III. onderscheidt tussen polaire en apolaire stoffen
door aangaan van waterstolruggen en het dipoolkarakter van water kan water sterke interac>es aangaan
met andere moleculen.
3
, Ionische binding: NaCl : binding gaat
verloren : Na+ + Cl- (dissocia>e)
H- bruggen
NaCl = keukenzout
Watermoleculen van Na zijn anders
gerangschikt dan Cl. Rond Na+ zihen neg
delen van water (O). rond Cl) zihen pos
delen van water (H)
Polair = hydrofiel, wateraantrekkend,
wateroplosbaar, trekken water molecules
aan(“polair = met ladingen”)
Apolair : hydrofoob, waterafstotend, lipofiel, vetoplosbaar
4
Hoofdstuk 0: inleiding
I. Inleiding
5 eigenschappen van een levend organisme:
• Reac>evermogen = prikkelbaarheid (a: homeostase = reac>evermogen)
• Groei (b)
• Voortplan>ng (c)
• Beweging
• Stofwisseling = metabolisme
a. Homeostase
= streven naar intern evenwicht, intern milieu zo constant mogelijk houden zoals de bloeddruk, ph van het
bloed, lichaamstemperatuur …
homeosta>sche regelsystemen:
zijn gebaseerd op enerzijds het meten van variabelen en anderzijds corrigerende ac>es ondernemen om
homeostase te bewaren.
• receptor (gevoelig voor bepaalde veranderingen in de omgeving (= prikkel)),
• een besturingscentrum of integra>ecentrum (= informa>e v receptor ontvangen en verwerken),
• een effector (= cel of orgaan die reageert op signalen van besturingscentrum gaat de werking van
de prikkel tegen of versterkt de prikkel)
vb van reac>evermogen
lichaamstemp gem 35-36°C
naar skigebied -> kouder maar je eigen lichaamstemperatuur blijS
gemiddeld hetzelfde
Temp <36°C -> sensoren in de huid meten dit
-> geven signaal aan warmtecentrum
-> reageert dat er iets moet gedaan worden
met het lichaam
-> eigen warmte wordt bijgehouden (spontane
reac>e)
-> bij lage T -> trillen -> skeletspieren bewegen
+ effect op bloedvaten (breder bloedvat ->
huid w roder -> te warm, te koud -> bloedvat
vernauwt -> bleker)
b. groei
zaadcel en eicel -> baby -> volwassen
=> meercellige = vb mens (complexere groei)
1
,=> 1 cellige bv bacterie groeit ook -> neemt in volume toe
Vb virus 1: covid = virus al>jd gastheer nodig om zich voor te planten -> dus geen levend organisme
Vb virus 2 = HIV (humaan immunodeficien>e virus)
Gastcellen = cellen van het immuunsysteem = problemen tegen immuniteit, AIDS personen geïnfecteerd
met HIV -> na verloop van >jd problemen met immuniteit leidt tot AIDS (acquiered imunodefficiancy
syndrome) -> AIDS is een syndroom
c. voortplan>ng
= reproduc>e = nieuwe nakomelingen maken (zelfstandig) of partner v/d zelfde soort
Ook bacterië kan zich voortplanten want deelt zich in 2
Hoofdstuk 1: inleiding in de celbiologie
I. chemische samenstelling van de cel
cellen zijn compar>menten die door een membraan omsloten zijn, en gevuld zijn met sterk
geconcentreerde waterige oplossing van chemische stoffen.
Water (H2O) : H-O-H
-> covalente binding: e- van O in
e- van H -> klein deel van atoom
waardoor binding ontstaat
=> 70% van het molecule
Organische moleculen :
-> moleculen met C-atoom
Macromolecule : eiwit :
Monomeren gebonden via
covalente binding tot polymeer
II. inleiding tot de koolstofchemie
vanbuiten kennen !
chemie van verbindingen die koolstoffen (C) bevahen = organische chemie
C- atoom kan al>jd 4 covalente bindingen aan, de atomen waarmee C- verbindingen aangaat : O,P,N,S,H
2
, III. onderscheidt tussen polaire en apolaire stoffen
door aangaan van waterstolruggen en het dipoolkarakter van water kan water sterke interac>es aangaan
met andere moleculen.
3
, Ionische binding: NaCl : binding gaat
verloren : Na+ + Cl- (dissocia>e)
H- bruggen
NaCl = keukenzout
Watermoleculen van Na zijn anders
gerangschikt dan Cl. Rond Na+ zihen neg
delen van water (O). rond Cl) zihen pos
delen van water (H)
Polair = hydrofiel, wateraantrekkend,
wateroplosbaar, trekken water molecules
aan(“polair = met ladingen”)
Apolair : hydrofoob, waterafstotend, lipofiel, vetoplosbaar
4