Psychologie samenvatting
Hoofdstuk 4: Behaviorisme: Inhoud
1. Uitgangspunten en basisbegrippen
Watson = uiterlijke waarneembare gedrag
o Dromen, gedachten niet bestudeerd worden ->
subjectief & voor anderen niet waarneembaar
o Gebruiken experimenteel & empirisch wetenschappelijk
onderzoek -> observeerbaarheid + objectiviteit
1.1 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald
door allerlei externe prikkels in onze omgeving
Individu: niet zelf gedrag, gevoelens, gedachten, interacties
bepaalt
Periferastisch = prikkels in omgeving -> oorzaak gedragingen
mensen
o Skinner = geen plaats voor persoonlijkheidsverschillen -
> volledig afhankelijk van omgeving
o => deterministische kijk op mens
1.2 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties
worden bepaald door wat we geleerd hebben
Aristoteles: mens geboren als tabula rasa
o = geen aangeboren eigenschappen -> alle gedragingen
uit leren
o => optimistische kijk op mens
Ziekelijke gedragingen = ook aangeleerd ->
mogelijkheid af te leren (niet levenslang
achtervolgen)
Geen verschil gedrag dieren & mensen -> mensen gewoon
ingewikkelder
o Dierenexperimenten om gedrag mensen te begrijpen
Geen verschil tot stand komen gedrag kinderen &
volwassenen
o Leren zelfde wetmatigheden
1.3 Een behavioristische benadering gaat uit van het nurture-model
Nurture-benadering = invloed milieu (algemeen) & opvoeding
(preciezer) centraal in ontwikkeling kind
o Kinderen gemaakt door ervaringen, omgeving,
opvoeding
o => Pedagogisch optimisme = maatregelen om
ongelijkheid waarmee kinderen aan schoolcarrière
beginnen tegengaan via compensatieprogramma’s
, Nature-benadering = psychologische & sociale verschillen
erfelijk bepaald zijn
o Via natuurlijke selectie = verbetering menselijke soort
Gebeurt endogeen (binnen) -> omgeving geen
invloed
o => pedagogisch pessimisme
Verschillen mannen en vrouwen
o Verschillen minder uitgesproken -> lijken meer op elkaar
dan dat ze van elkaar verschillen
Cognitieve, communicatieve, motorische, sociale,
persoonlijkheid, intelligentie => amper verschil
Biologische factoren = geslachtschromosomen -> verschil
primaire & secundaire kenmerken
o Invloed gedrag = hormonen (testosteron, oestrogeen)
maken beide mannen en vrouwen beide aan in
verschillende mate
Verschilt doorheen het leven -> omgeving heeft
ook invloed
Vb: nieuwe vaders = daling testosteron
1.4 Een behavioristische benadering gaat uit van een positivistisch
wetenschapsmodel
Leunt aan bij wetenschapsmodel van positieve wetenschappen
o Objectiviteit = centraal
Gericht waarneembare gedrag
Gedachten & gevoelens niet ontkennen =
subjectief
Black box = gevoelens, gedachten, verlangens
Alleen in & uitvoer te bestuderen
Gedrag = S-R mechanisme
o Realiteit best verknippen in kleine delen om die te
bestuderen
S-R verbindingen = aangeboren/aangeleerd
Wetmatigheden die invloed hadden op stimuli &
responsen
Reductionistisch = complexe gedragingen
gereduceerd worden tot aaneenschakeling van
eenvoudige reacties op eenvoudige stimuli =>
goed te controleren/meten
o Zoeken lineair causale verbanden
Menselijk gedrag = oorzaak-gevolg redenering
Mens = door externe krachten in beweging
Experimenten = oorzaak-gevolg in kaart brengen
2 Hedendaagse denkers
Pure behavioristische denken = volledig verdwenen
o = meer dan alleen bekrachtiging of bestraffen gedrag
, Basisidee = gedrag functie van omgevingsfactoren
o = aanwezig
Neobehaviorisme = externe prikkels + interne mentale processen
Gedragstherapie (1ste generatie)
o = aanbrengen systematisch nieuwe gedragingen
o = minder verleden, gevoelens
Cognitieve gedragstherapie (2de generatie)
o = gedragstherapie kan cognitieve veranderingen
teweegbrengen
o = obv experimenten -> positieve onderzoek paradigma
Acceptance and commitement therapy (3de generatie)
o = leren omgaan met gedachten door op een goede manier
afstand te nemen
o = leren richten op wat echt belangrijk is
Mindfulness-based cognitieve therapie (3de generatie)
o = meditatie + cognitieve therapie
3 Kritische kanttekeningen
Beginjaren = veel kritiek door extreem & dogmatische opstelling
Later (blijvende kritiek) = aangevuld & genuanceerd maar ethisch
perspectief?
o Ethische = gedragingen mensen niet altijd controleerbaar
o Stevigere wetenschappelijke basis = door experimenten &
objectieve benadering
Na WO1 = naar de vs -> nadruk kwantitatief en positivistisch wet
model
o = empirische basis
o Gevaar: meer kijken wetenschap = minder kijken gevoelens
4 De behavioristische kijk op leren
4.1 Klassieke conditionering
4.1.1 Het basismodel van Pavlov
Pavlov = fysioloog
o Experiment: speekselklieren honden
Toevallig ontdekt: honden al begonnen
kwijlen voor ze eten kregen of toen het
eten werd binnengebracht
= bij honden die al in eerdere
onderzoeken hadden deelgenomen
o Onderzocht reflexen = onwillekeurige reacties
op prikkels
S -> R mechanisme = verbindingen zijn
aangeleerd obv klassieke conditionering
o Klassieke conditionering = proces waarbij
neutrale stimulus herhaaldelijk gekoppeld wordt
aan een stimulus die een reflex uitlokt
Neutrale stimulus -> aangeleerde
stimulus
, Door herhaalde koppeling aan
stimulus van reflex
o 3 fasen
Voor de conditionering = aangeboren
reflex
Ongeconditioneerde stimulus ->
ongeconditioneerde reactie
Neutrale stimulus = geen reactie
Tijdens proces conditionering = neutrale
stimulus
Ongeconditioneerde stimulus ->
ongeconditioneerde reactie
Na verloop van tijd = neutrale stimulus
WORDT geconditioneerde stimulus
Geconditioneerde stimulus ->
geconditioneerde reactie
1ste fase = voedsel (OS) -> Speeksel (OR)
2de fase = tikken metronoom (NS) -> Speeksel (OR)
& voedsel (OS)
3de fase = tikken metronoom (CS) -> Speeksel (CR)
(= voorwaarde prikkel)
o Geen bewust mentaal proces
o Contiguïteit = samen voorkomen
ongeconditioneerde stimulus & neutrale
stimulus
o Hoe vaker gekoppeld = hoe sterker de
band
4.1.2 Voorbeelden van klassieke conditionering
Primaire vorm van leren = elk organisme met een
zenuwstelsel kan geconditioneerd worden
o Vb: slakken, wormen, baby’s
o Dagelijkse aspecten ons gedrag
o Voorkeuren voedsel, locaties, muziek, geuren,
geluiden
= verbonden aan een situatie & emoties
o Angsten = gaan terug op beangstigende
ervaringen + worden geassocieerd met pijnlijk
voorval
o => aangeleerde reacties obv associatie van
prikkels
= prikkelsubstitutie
4.1.3 Bijkomende processen
Conditionering van hogere orde
o Geconditioneerde stimulus kan opnieuw
gebruikt worden als ongeconditioneerde
stimulus
Hoofdstuk 4: Behaviorisme: Inhoud
1. Uitgangspunten en basisbegrippen
Watson = uiterlijke waarneembare gedrag
o Dromen, gedachten niet bestudeerd worden ->
subjectief & voor anderen niet waarneembaar
o Gebruiken experimenteel & empirisch wetenschappelijk
onderzoek -> observeerbaarheid + objectiviteit
1.1 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald
door allerlei externe prikkels in onze omgeving
Individu: niet zelf gedrag, gevoelens, gedachten, interacties
bepaalt
Periferastisch = prikkels in omgeving -> oorzaak gedragingen
mensen
o Skinner = geen plaats voor persoonlijkheidsverschillen -
> volledig afhankelijk van omgeving
o => deterministische kijk op mens
1.2 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties
worden bepaald door wat we geleerd hebben
Aristoteles: mens geboren als tabula rasa
o = geen aangeboren eigenschappen -> alle gedragingen
uit leren
o => optimistische kijk op mens
Ziekelijke gedragingen = ook aangeleerd ->
mogelijkheid af te leren (niet levenslang
achtervolgen)
Geen verschil gedrag dieren & mensen -> mensen gewoon
ingewikkelder
o Dierenexperimenten om gedrag mensen te begrijpen
Geen verschil tot stand komen gedrag kinderen &
volwassenen
o Leren zelfde wetmatigheden
1.3 Een behavioristische benadering gaat uit van het nurture-model
Nurture-benadering = invloed milieu (algemeen) & opvoeding
(preciezer) centraal in ontwikkeling kind
o Kinderen gemaakt door ervaringen, omgeving,
opvoeding
o => Pedagogisch optimisme = maatregelen om
ongelijkheid waarmee kinderen aan schoolcarrière
beginnen tegengaan via compensatieprogramma’s
, Nature-benadering = psychologische & sociale verschillen
erfelijk bepaald zijn
o Via natuurlijke selectie = verbetering menselijke soort
Gebeurt endogeen (binnen) -> omgeving geen
invloed
o => pedagogisch pessimisme
Verschillen mannen en vrouwen
o Verschillen minder uitgesproken -> lijken meer op elkaar
dan dat ze van elkaar verschillen
Cognitieve, communicatieve, motorische, sociale,
persoonlijkheid, intelligentie => amper verschil
Biologische factoren = geslachtschromosomen -> verschil
primaire & secundaire kenmerken
o Invloed gedrag = hormonen (testosteron, oestrogeen)
maken beide mannen en vrouwen beide aan in
verschillende mate
Verschilt doorheen het leven -> omgeving heeft
ook invloed
Vb: nieuwe vaders = daling testosteron
1.4 Een behavioristische benadering gaat uit van een positivistisch
wetenschapsmodel
Leunt aan bij wetenschapsmodel van positieve wetenschappen
o Objectiviteit = centraal
Gericht waarneembare gedrag
Gedachten & gevoelens niet ontkennen =
subjectief
Black box = gevoelens, gedachten, verlangens
Alleen in & uitvoer te bestuderen
Gedrag = S-R mechanisme
o Realiteit best verknippen in kleine delen om die te
bestuderen
S-R verbindingen = aangeboren/aangeleerd
Wetmatigheden die invloed hadden op stimuli &
responsen
Reductionistisch = complexe gedragingen
gereduceerd worden tot aaneenschakeling van
eenvoudige reacties op eenvoudige stimuli =>
goed te controleren/meten
o Zoeken lineair causale verbanden
Menselijk gedrag = oorzaak-gevolg redenering
Mens = door externe krachten in beweging
Experimenten = oorzaak-gevolg in kaart brengen
2 Hedendaagse denkers
Pure behavioristische denken = volledig verdwenen
o = meer dan alleen bekrachtiging of bestraffen gedrag
, Basisidee = gedrag functie van omgevingsfactoren
o = aanwezig
Neobehaviorisme = externe prikkels + interne mentale processen
Gedragstherapie (1ste generatie)
o = aanbrengen systematisch nieuwe gedragingen
o = minder verleden, gevoelens
Cognitieve gedragstherapie (2de generatie)
o = gedragstherapie kan cognitieve veranderingen
teweegbrengen
o = obv experimenten -> positieve onderzoek paradigma
Acceptance and commitement therapy (3de generatie)
o = leren omgaan met gedachten door op een goede manier
afstand te nemen
o = leren richten op wat echt belangrijk is
Mindfulness-based cognitieve therapie (3de generatie)
o = meditatie + cognitieve therapie
3 Kritische kanttekeningen
Beginjaren = veel kritiek door extreem & dogmatische opstelling
Later (blijvende kritiek) = aangevuld & genuanceerd maar ethisch
perspectief?
o Ethische = gedragingen mensen niet altijd controleerbaar
o Stevigere wetenschappelijke basis = door experimenten &
objectieve benadering
Na WO1 = naar de vs -> nadruk kwantitatief en positivistisch wet
model
o = empirische basis
o Gevaar: meer kijken wetenschap = minder kijken gevoelens
4 De behavioristische kijk op leren
4.1 Klassieke conditionering
4.1.1 Het basismodel van Pavlov
Pavlov = fysioloog
o Experiment: speekselklieren honden
Toevallig ontdekt: honden al begonnen
kwijlen voor ze eten kregen of toen het
eten werd binnengebracht
= bij honden die al in eerdere
onderzoeken hadden deelgenomen
o Onderzocht reflexen = onwillekeurige reacties
op prikkels
S -> R mechanisme = verbindingen zijn
aangeleerd obv klassieke conditionering
o Klassieke conditionering = proces waarbij
neutrale stimulus herhaaldelijk gekoppeld wordt
aan een stimulus die een reflex uitlokt
Neutrale stimulus -> aangeleerde
stimulus
, Door herhaalde koppeling aan
stimulus van reflex
o 3 fasen
Voor de conditionering = aangeboren
reflex
Ongeconditioneerde stimulus ->
ongeconditioneerde reactie
Neutrale stimulus = geen reactie
Tijdens proces conditionering = neutrale
stimulus
Ongeconditioneerde stimulus ->
ongeconditioneerde reactie
Na verloop van tijd = neutrale stimulus
WORDT geconditioneerde stimulus
Geconditioneerde stimulus ->
geconditioneerde reactie
1ste fase = voedsel (OS) -> Speeksel (OR)
2de fase = tikken metronoom (NS) -> Speeksel (OR)
& voedsel (OS)
3de fase = tikken metronoom (CS) -> Speeksel (CR)
(= voorwaarde prikkel)
o Geen bewust mentaal proces
o Contiguïteit = samen voorkomen
ongeconditioneerde stimulus & neutrale
stimulus
o Hoe vaker gekoppeld = hoe sterker de
band
4.1.2 Voorbeelden van klassieke conditionering
Primaire vorm van leren = elk organisme met een
zenuwstelsel kan geconditioneerd worden
o Vb: slakken, wormen, baby’s
o Dagelijkse aspecten ons gedrag
o Voorkeuren voedsel, locaties, muziek, geuren,
geluiden
= verbonden aan een situatie & emoties
o Angsten = gaan terug op beangstigende
ervaringen + worden geassocieerd met pijnlijk
voorval
o => aangeleerde reacties obv associatie van
prikkels
= prikkelsubstitutie
4.1.3 Bijkomende processen
Conditionering van hogere orde
o Geconditioneerde stimulus kan opnieuw
gebruikt worden als ongeconditioneerde
stimulus