Sociologie Begrippen lijst
Les 1
Sociologie is:
- Interacties (meso niveau) = tussen personen of sociale eenheden
- Omgeving (macro niveau) = bepaald wijze waarop sociale interacties
verlopen -> vaste patronen
- Menselijk gedrag (micro niveau) = dragen de gevolgen daarvan
focus op fenomeen en niet individu = systeem veranderen
Ontstaan sociologie
- Verklaring wereld Archaïsche sl = verklaring buiten de mens (magisch-
religieus)
- Verklaring wereld huidige sl = verklaringen in sl zelf -> empirische
toetsing om tot generalistische uitspraken te komen (wetenschap)
Van arch sl -> huidige sl
- Ontwikkeling logica = linken leggen tussen logische dingen
- Ontwikkeling histografie = studie verleden + eigen inbreng en
verantwoordelijkheid
- Ontwikkeling nw = meer inzicht over het biologisch verleden
Maatschappelijke evoluties
- Verlichting = rationaliteit, maakbaarheid samenleving = mens centraal,
aandacht werking sociale structuren
- Franse revolutie = burgers krijgen rechten -> koning aan de kant +
republiek oprichten
- Industriële revolutie = overgang naar een samenleving met meer
differentiatie -> industrialisatie (van dorpen naar steden)
Sociologische verbeelding
- Symboolwaarde = beïnvloeding door mensen, iets doen waardoor je
behoort tot een groep -> invloed sociale omgeving op individuele keuzes =
omgeving beslist mee over ideaal
Omgeving <-> gedrag <-> sociale interacties (beïnvloeden
elkaar)
Voorbeeld: good hair en kroeshaar
- Verklaring = zoeken naar verklaringen in de samenleving met behulp van
sociologische verbeelding
- Ruimere geheel = gebeurtenissen worden bekeken vanuit de
samenleving
- Sociale relaties = resultaat historisch proces binnen brede samenleving
, Voorbeeld: groot verschil levensverwachting tussen groepen met
een hoog en lage sociale economische status
Aanverwante disciplines
- Psychologie = focus op individu (<-> sociologie = interacties tussen
individuen), interne functioneren & mentale processen (<-> sociologie =
omgeving)
- Sociale psychologie = individuen in relatie tot anderen + beïnvloedingen
door anderen, groepskenmerken op individueel handelen = attitudes
- Culturele antropologie = etnografie (één cultuur), verschillen en
gelijkenissen tussen culturen, kwalitatief onderzoek
- Sociobiologie = sociaal gedrag heeft een biologische basis,
wisselwerking tussen biologische en sociale processen
Les 2
Gedrag (micro) = objectief en subjectief waarneembaar, herkenbaar en
voorspelbaar (patronen), persoonlijkheid + omgeving (niet individueel bepaald),
interacties met omgeving
Voorbeeld: toilet bezoek
Sociaal handelen (micro) = individu komt in contact met andere individuen =
sociale interactie, tussen gedrag en interactie (= non verbale boodschap ->
reactie terug krijgen)
Weber: 4 types sociaal handelen
- Instrumenteel-rationeel handelen = afweging gemaakt welke
middelen het best geschikt zijn om doel te bereiken -> wat doen om
boodschap best door te krijgen
Voorbeeld: naar docent gaan voor een vraag = eerst nadenken hoe
het best de vraag stellen om best mogelijk antw te krijgen
- Waarde-rationeel handelen = bewust geloof in de waarde van
handeling staat centraal = wat jij belangrijk vindt en hoe jij daaruit handelt
- Affectief handelen = handelen wordt gedreven door gevoelens ->
emoties die je uit
Voorbeeld: je reageert boos in het verkeer
- Traditioneel handelen = gewoonte ligt aan basis -> tradities
Voorbeeld: gedoopt worden
- Later reflexief handelen = band met het verleden word geknipt -> geen
rekening houden met verleden
Voorbeeld: trouwen was vroeger een traditie maar nu kiezen
mensen eerder zelf
Les 1
Sociologie is:
- Interacties (meso niveau) = tussen personen of sociale eenheden
- Omgeving (macro niveau) = bepaald wijze waarop sociale interacties
verlopen -> vaste patronen
- Menselijk gedrag (micro niveau) = dragen de gevolgen daarvan
focus op fenomeen en niet individu = systeem veranderen
Ontstaan sociologie
- Verklaring wereld Archaïsche sl = verklaring buiten de mens (magisch-
religieus)
- Verklaring wereld huidige sl = verklaringen in sl zelf -> empirische
toetsing om tot generalistische uitspraken te komen (wetenschap)
Van arch sl -> huidige sl
- Ontwikkeling logica = linken leggen tussen logische dingen
- Ontwikkeling histografie = studie verleden + eigen inbreng en
verantwoordelijkheid
- Ontwikkeling nw = meer inzicht over het biologisch verleden
Maatschappelijke evoluties
- Verlichting = rationaliteit, maakbaarheid samenleving = mens centraal,
aandacht werking sociale structuren
- Franse revolutie = burgers krijgen rechten -> koning aan de kant +
republiek oprichten
- Industriële revolutie = overgang naar een samenleving met meer
differentiatie -> industrialisatie (van dorpen naar steden)
Sociologische verbeelding
- Symboolwaarde = beïnvloeding door mensen, iets doen waardoor je
behoort tot een groep -> invloed sociale omgeving op individuele keuzes =
omgeving beslist mee over ideaal
Omgeving <-> gedrag <-> sociale interacties (beïnvloeden
elkaar)
Voorbeeld: good hair en kroeshaar
- Verklaring = zoeken naar verklaringen in de samenleving met behulp van
sociologische verbeelding
- Ruimere geheel = gebeurtenissen worden bekeken vanuit de
samenleving
- Sociale relaties = resultaat historisch proces binnen brede samenleving
, Voorbeeld: groot verschil levensverwachting tussen groepen met
een hoog en lage sociale economische status
Aanverwante disciplines
- Psychologie = focus op individu (<-> sociologie = interacties tussen
individuen), interne functioneren & mentale processen (<-> sociologie =
omgeving)
- Sociale psychologie = individuen in relatie tot anderen + beïnvloedingen
door anderen, groepskenmerken op individueel handelen = attitudes
- Culturele antropologie = etnografie (één cultuur), verschillen en
gelijkenissen tussen culturen, kwalitatief onderzoek
- Sociobiologie = sociaal gedrag heeft een biologische basis,
wisselwerking tussen biologische en sociale processen
Les 2
Gedrag (micro) = objectief en subjectief waarneembaar, herkenbaar en
voorspelbaar (patronen), persoonlijkheid + omgeving (niet individueel bepaald),
interacties met omgeving
Voorbeeld: toilet bezoek
Sociaal handelen (micro) = individu komt in contact met andere individuen =
sociale interactie, tussen gedrag en interactie (= non verbale boodschap ->
reactie terug krijgen)
Weber: 4 types sociaal handelen
- Instrumenteel-rationeel handelen = afweging gemaakt welke
middelen het best geschikt zijn om doel te bereiken -> wat doen om
boodschap best door te krijgen
Voorbeeld: naar docent gaan voor een vraag = eerst nadenken hoe
het best de vraag stellen om best mogelijk antw te krijgen
- Waarde-rationeel handelen = bewust geloof in de waarde van
handeling staat centraal = wat jij belangrijk vindt en hoe jij daaruit handelt
- Affectief handelen = handelen wordt gedreven door gevoelens ->
emoties die je uit
Voorbeeld: je reageert boos in het verkeer
- Traditioneel handelen = gewoonte ligt aan basis -> tradities
Voorbeeld: gedoopt worden
- Later reflexief handelen = band met het verleden word geknipt -> geen
rekening houden met verleden
Voorbeeld: trouwen was vroeger een traditie maar nu kiezen
mensen eerder zelf