BEGRIPPEN BIOLOGIE EXAMEN
Gebaseerd op:
SAMENGEVAT 2021
0
, 1. Cellen, organen en orgaanstelsel
Cel
Prokaryoten: hebben geen celkern, DNA ligt los in het cytoplasma en er ontbreken andere organellen
(mitochondriën, lysosomen, het ER en het golgi-systeem) bacteriën.
Eukaryoten: alle organismen waarvan iedere cel een celkern bevat schimmels, planten en dieren.
Protisten: eencellige organismen.
Organellen: gespecialiseerd onderdeel van een eukaryotische cel met een bepaalde functie. Zijn
essentieel voor het laten verlopen van stofwisseling, genereren van energie, handhaven van
structuur en instandhouding van het genetisch materiaal.
Organellen in eukaryote cellen
Cytoplasma/celplasma: stroperige vloeistof (grondplasma) in de volledige cel (zonder celkern) die
bestaat uit water met allerlei opgeloste stoffen en organellen.
Grondplasma: cytoplasma zonder organellen.
Mitochondrium: boonvormige organel waarin verbranding plaats vindt (vrij maken van energie).
Bevat
Glad ER: endoplasmatisch reticulum zonder ribosomen.
Ruw ER: endoplasmatisch reticulum met ribosomen.
Ribosomen: zorgen voor de productie van eiwitten in cellen. Ribosomen kunnen vrij voorkomen in
het cytoplasma, of gebonden aan het ER. Ribosomen produceren eiwitten op basis van de erfelijke
informatie zoals deze staat op het DNA en RNA.
Golgi-systeem: organel waarin o.a. eiwitten worden opgeslagen en uiteindelijk vorm gegeven /
opeenstapeling van platte blaasjes, elk omgeven door een membraan.
Lysosomen: blaasjes die door het golgi-systeem worden gevormd en verteringsenzymen bevatten.
Kernplasma: de vloeistof die in de celkern zit. Hierin bevinden zich de chromosomen, chromatine
korrels en het kernlichaam. het kernplasma is gescheiden van het cytoplasma door de
kernmembraan.
Centriole: organel dat een rol speelt bij de celdeling en waaruit eiwitdraden ontstaan om de
chromosomen te splitsen.
Cytoskelet: een netwerk van fibers en buisjes dat de cel stevigheid, vorm en beweeglijkheid geeft.
Het bestaat uit verschillende soorten eiwitten. Worden ook als geleiding gebruikt waarlangs stoffen
door motoreiwitten worden getransporteerd.
Motoreiwit: eiwit dat zich met energie uit ATP langs een filament van het cytoskelet beweegt om
o.a. organellen te verplaatsen.
Celmembraan
Selectief permeabel: bepaalde stoffen gaan selectief door het membraan, andere stoffen worden
tegen gehouden.
1
Gebaseerd op:
SAMENGEVAT 2021
0
, 1. Cellen, organen en orgaanstelsel
Cel
Prokaryoten: hebben geen celkern, DNA ligt los in het cytoplasma en er ontbreken andere organellen
(mitochondriën, lysosomen, het ER en het golgi-systeem) bacteriën.
Eukaryoten: alle organismen waarvan iedere cel een celkern bevat schimmels, planten en dieren.
Protisten: eencellige organismen.
Organellen: gespecialiseerd onderdeel van een eukaryotische cel met een bepaalde functie. Zijn
essentieel voor het laten verlopen van stofwisseling, genereren van energie, handhaven van
structuur en instandhouding van het genetisch materiaal.
Organellen in eukaryote cellen
Cytoplasma/celplasma: stroperige vloeistof (grondplasma) in de volledige cel (zonder celkern) die
bestaat uit water met allerlei opgeloste stoffen en organellen.
Grondplasma: cytoplasma zonder organellen.
Mitochondrium: boonvormige organel waarin verbranding plaats vindt (vrij maken van energie).
Bevat
Glad ER: endoplasmatisch reticulum zonder ribosomen.
Ruw ER: endoplasmatisch reticulum met ribosomen.
Ribosomen: zorgen voor de productie van eiwitten in cellen. Ribosomen kunnen vrij voorkomen in
het cytoplasma, of gebonden aan het ER. Ribosomen produceren eiwitten op basis van de erfelijke
informatie zoals deze staat op het DNA en RNA.
Golgi-systeem: organel waarin o.a. eiwitten worden opgeslagen en uiteindelijk vorm gegeven /
opeenstapeling van platte blaasjes, elk omgeven door een membraan.
Lysosomen: blaasjes die door het golgi-systeem worden gevormd en verteringsenzymen bevatten.
Kernplasma: de vloeistof die in de celkern zit. Hierin bevinden zich de chromosomen, chromatine
korrels en het kernlichaam. het kernplasma is gescheiden van het cytoplasma door de
kernmembraan.
Centriole: organel dat een rol speelt bij de celdeling en waaruit eiwitdraden ontstaan om de
chromosomen te splitsen.
Cytoskelet: een netwerk van fibers en buisjes dat de cel stevigheid, vorm en beweeglijkheid geeft.
Het bestaat uit verschillende soorten eiwitten. Worden ook als geleiding gebruikt waarlangs stoffen
door motoreiwitten worden getransporteerd.
Motoreiwit: eiwit dat zich met energie uit ATP langs een filament van het cytoskelet beweegt om
o.a. organellen te verplaatsen.
Celmembraan
Selectief permeabel: bepaalde stoffen gaan selectief door het membraan, andere stoffen worden
tegen gehouden.
1