Samenvatting kort
Genetica (chromosomen → eiwit)
• Chromosoom: DNA-drager; bestaat (bij verdubbeling) uit 2
zusterchromatiden met centromeer.
• Gen: stukje DNA (basensequentie) dat info bevat voor een kenmerk.
• Transcriptie: DNA → RNA (in de kern).
• Translatie: RNA → eiwit (aan ribosomen, in cytoplasma).
• Exon: coderend stuk van een gen.
• Intron: niet-coderend stuk; wordt verwijderd.
• Splicing: introns eruit, exons aan elkaar → rijp mRNA.
• Codon: 3 basen op mRNA.
• Anticodon: 3 basen op tRNA die bij codon passen.
• Polypeptide: keten aminozuren die opvouwt tot eiwit.
Celdeling (mitose)
• Interfase (G1-S-G2): groei + DNA-replicatie (S-fase).
• Profase: chromosomen condenseren, spoelfiguur vormt, kernmembraan
verdwijnt.
• Metafase: chromosomen op evenaarsvlak.
• Anafase: zusterchromatiden naar polen.
• Telofase/cytokinese: 2 nieuwe kernen + celdeling → 2 identieke 2n-
cellen.
Meristemen & groei (planten)
• Meristeem: delingsweefsel waar nieuwe cellen ontstaan.
• Apicaal meristeem: groeitop van scheut/wortel → primaire (lengte)groei.
• Restmeristeem: delingsactief weefsel dat later weer kan delen (o.a.
cambium/pericykel-context).
• Secundair meristeem: ontstaat later → diktegroei (vaatcambium,
kurkcambium).
• Meristemoïde: klein lokaal meristeem (vaak epidermis) → bv.
huidmondjes/trichomen.
, • MZ/SZ/DfZ: meristematische zone (deling) / strekkingszone /
differentiatiezone.
• Bladprimordium: begin van een blad.
• Knopprimordium: begin van een okselknop (zijscheut).
Permanente weefsels (functies)
• Grondweefsel: opvulling/opslag/fotosynthese (parenchym).
• Transportweefsel: xyleem + floëem.
• Steunweefsel: collenchym + sclerenchym.
• Afschermingsweefsel: epidermis/periderm, exodermis, endodermis.
• Absorptieweefsel: rizodermis + wortelharen.
• Klierweefsel: afscheiding (nectar, hars, zout, water…).
• Reproductieweefsel: voortplantingsstructuren.
Parenchym (grondweefsel)
• Parenchym: levende, dunwandige “basis”-cellen (vaak isodiametrisch).
• Chlorenchym: parenchym met chloroplasten → fotosynthese.
• Palisadeparenchym: boven in dicot blad; veel fotosynthese.
• Sponsparenchym: los weefsel met luchtkamers → gasuitwisseling.
• Aërenchym: parenchym met grote luchtholten (water/moerasplanten).
• Reserveparenchym: opslag (bv. zetmeel in amyloplasten).
• Turgor: waterdruk in cel → stevigheid.
Steunweefsel
• Collenchym: levend, elastisch; verdikkingen vooral in hoeken; steun in
jonge delen.
• Sclerenchym: zeer stevig, vaak lignine; meestal dood bij maturiteit.
• Sclerenchymvezels: lange steunvezels (xyleemvezels / extraxyleem- of
bastvezels).
• Sklereïden: “steencellen” (dikwandig); stippelkanalen = kleine
poriën/kanaaltjes.
Afscherming (epidermis, cuticula, wortellagen)
• Epidermis: 1 cellaag “huid” van jonge stengel/blad.
Genetica (chromosomen → eiwit)
• Chromosoom: DNA-drager; bestaat (bij verdubbeling) uit 2
zusterchromatiden met centromeer.
• Gen: stukje DNA (basensequentie) dat info bevat voor een kenmerk.
• Transcriptie: DNA → RNA (in de kern).
• Translatie: RNA → eiwit (aan ribosomen, in cytoplasma).
• Exon: coderend stuk van een gen.
• Intron: niet-coderend stuk; wordt verwijderd.
• Splicing: introns eruit, exons aan elkaar → rijp mRNA.
• Codon: 3 basen op mRNA.
• Anticodon: 3 basen op tRNA die bij codon passen.
• Polypeptide: keten aminozuren die opvouwt tot eiwit.
Celdeling (mitose)
• Interfase (G1-S-G2): groei + DNA-replicatie (S-fase).
• Profase: chromosomen condenseren, spoelfiguur vormt, kernmembraan
verdwijnt.
• Metafase: chromosomen op evenaarsvlak.
• Anafase: zusterchromatiden naar polen.
• Telofase/cytokinese: 2 nieuwe kernen + celdeling → 2 identieke 2n-
cellen.
Meristemen & groei (planten)
• Meristeem: delingsweefsel waar nieuwe cellen ontstaan.
• Apicaal meristeem: groeitop van scheut/wortel → primaire (lengte)groei.
• Restmeristeem: delingsactief weefsel dat later weer kan delen (o.a.
cambium/pericykel-context).
• Secundair meristeem: ontstaat later → diktegroei (vaatcambium,
kurkcambium).
• Meristemoïde: klein lokaal meristeem (vaak epidermis) → bv.
huidmondjes/trichomen.
, • MZ/SZ/DfZ: meristematische zone (deling) / strekkingszone /
differentiatiezone.
• Bladprimordium: begin van een blad.
• Knopprimordium: begin van een okselknop (zijscheut).
Permanente weefsels (functies)
• Grondweefsel: opvulling/opslag/fotosynthese (parenchym).
• Transportweefsel: xyleem + floëem.
• Steunweefsel: collenchym + sclerenchym.
• Afschermingsweefsel: epidermis/periderm, exodermis, endodermis.
• Absorptieweefsel: rizodermis + wortelharen.
• Klierweefsel: afscheiding (nectar, hars, zout, water…).
• Reproductieweefsel: voortplantingsstructuren.
Parenchym (grondweefsel)
• Parenchym: levende, dunwandige “basis”-cellen (vaak isodiametrisch).
• Chlorenchym: parenchym met chloroplasten → fotosynthese.
• Palisadeparenchym: boven in dicot blad; veel fotosynthese.
• Sponsparenchym: los weefsel met luchtkamers → gasuitwisseling.
• Aërenchym: parenchym met grote luchtholten (water/moerasplanten).
• Reserveparenchym: opslag (bv. zetmeel in amyloplasten).
• Turgor: waterdruk in cel → stevigheid.
Steunweefsel
• Collenchym: levend, elastisch; verdikkingen vooral in hoeken; steun in
jonge delen.
• Sclerenchym: zeer stevig, vaak lignine; meestal dood bij maturiteit.
• Sclerenchymvezels: lange steunvezels (xyleemvezels / extraxyleem- of
bastvezels).
• Sklereïden: “steencellen” (dikwandig); stippelkanalen = kleine
poriën/kanaaltjes.
Afscherming (epidermis, cuticula, wortellagen)
• Epidermis: 1 cellaag “huid” van jonge stengel/blad.