IV
18de eeuw: de verlichting en het classicisme
Classicisme (ca. 1669-1730)
- Kunst in renaissancistische traditie
- Navolging klassieke modellen
- Jan Luyken en Hubert K. Poot
Verlichting (ca. 1730-1820):
- Empirie: God ruimt plaats voor technologie, religie niet meer maatstaf van alles
- Ratio: alles beredeneerd i.p.v. emotie
18de eeuw = “pruikentijd” -> monotone eeuw, literatuur als uiting van verfijnde burgercultuur
Jan Luyken (1649-1712)
“Duytsche Lier” (1671) (amoureuze emblemata bundel) – “Air”
- Vier coupletten, duidelijke klankstructuur/rijmpatroon
- Beantwoord aan classicistische norm
- Gestructureerd als een lied
Thematiek:
- Titel betekend: “deuntje/wijsje” of “lucht/luchtigheid” -> kan verwijzen naar lucht als
metafoor voor het leven
Erg moraliserende tekst: “je moet het leven oprecht leven” (volgens morele waarden)
Houdt zich aan het vademecum; invul oefening van het gedicht over leven en dood
- Paradox: “d’ Oude grijse blijft een kint”
- Perifrase: “t Huys van vel, en vlees, en been”
Luyken: bekeert zich tijdens zijn leven tot god, besluit deze bundel uit productie te halen en probeert
elk bestaand exemplaar te vernietigen, het zou niet meer passen bij zijn nieuwe levensstijl
Hubert Korneliszoon poot (1689-1733)
Norm van het classicisme,, introduceerde mythologische elementen in zijn werken, schreef in de
traditie van de oude klassieken.
“Mengelgedichten” -> liefdes en natuurlyriek
“Op de doot van myn dochtertje” -> duidelijk geschreven naar werk van Vondel (H.K.P. verwijst naar
klassieke dichters die op hun beurt al verwezen naar mythologie)
Claes: “Poot vernieuwde de lyriek in de lage landen”
Hieronymus van Alphen (1746-1803)
“De Pruymenboom” -> kindergedicht met moraliserende inslag, roept op om waarden en normen te
respecteren
, Heel populair
Johannes Kinker (1764 – 1845)
Dichter filosoof met kosmopolitische allures. Hij is de auteur van drie delen van “Gedichten”.
Kenmerkend: retorische breedsprakigheid.
19de eeuw in het noorden: Romantiek en Realisme
In de 18de eeuw: literatuur -> burgercultuur (verlichting en classicisme)
Twee principes heel belangrijk:
- Vraisemblance: literatuur moet geloofwaardig zijn, dit was een pijler om literatuur te
beoordelen
- Bienseance: literatuur moet welvoeglijk en deugdzaam zijn.
De romantiek (1820-1840)
- Gestart als avant-garde stroming, ging in tegen de conventies van het classicisme
- Internationaal verschijnsel (Engeland, Frankrijk en Duitsland eerst)
- Staat haaks op de verlichtingstheorie die zicht richtte op ratio en empirie
- De klemtoon: lyrisch subject, de innerlijke wereld van de dichters
o het construeren van een eigen goddelijke waarheid
- Romantiek moet in context geplaatst worden: Reveilbeweging -> internationale religieuze
beweging die stelt de religie terug centraal en het geloof in god moet individueel en
persoonlijk zijn.
Romantiek in de 19de eeuw: vernieuwend, met als kopfiguur Willem Bilderdijk
Twee hoofdpersonages die de tweestrijd van de 19 de eeuw kaderen:
- Willem Bilderdijk: vroege romantiek
- Hendrik Tollens: dominee poëzie
Dominee poëzie was de meest populaire stroming van toen
- Centraal stellen van huiselijkheid
- Thematiseren van situationele deugden
o Sterk moraliserend
o Utilitaire poëzie: ten dienste van God, het vaderland, de monarchie
Romantiek: vormt afleer tegen de Biedermeieridealen, Bilderdijk en co zetten zich af tegen die
idealen.
Literaire vernieuwingen in de 19de eeuw
Twee belangrijke ontwikkelingen
1. Opkomst historische romans: Bosboom-Toussaint en Jacob van Lennep
o Historische romans waren proza werken in de stijl van Sir Walter Scott
o Het belang van de natiestaat onderstrepen door terug te grijpen naar het rijke
verleden
2. Tijdschriften en literaire kritiek: “De Gids” (navolger van “Vaderlandsche Letteroefeningen”)
o Potgieter, Van den Brink -> ontpopte zich tot literaire critici
o Literaire kritiek met telkens 3 accenten:
, Verwijzen naar de 17de ‘Gouden’ eeuw, de auteurs van toen bieden een
referentiekader
Streven naar ‘objectieve’ kritiek
Kennis van internationale literatuur om kritiek aan af te toetsen.
o Met de oprichting van ‘De Gids’ werd literaire kritiek een volwaardig genre
Conrad Busken Huet: ook een belangrijke criticus
- Beriep zich op zijn onafhankelijke status
- Zeer spitse en gunstige kritieken
- Probeerde literatuur te verklaren vanuit sociologisch, biografische standpunt -> wat we
vandaag intentional fallacy zouden noemen
- Zo een voorloper van het ‘Ventisme’ (vorm of vent discussie, FORUM 1930)
De Romantiek mogen we niet bekijken zonder context zoals de Reveilbeweging (hierboven)
- Isaac da Costa schreef “Bezwaren tegen de geest der eeuw”
o Reveilbeweging op de kaart door dit pamflet
o Bezwaren tegen de verlichting en het classicisme
o Soort apologie voor de romantiek
o “religie als persoonlijke beweging en de dichter als profeet”
Poeta Vates: dichter als profeet, ziener, …
Poeta Fabre: ambachtelijk ingestelde dichter, doen wat er verwacht wordt
Poëzie in de 19de eeuw: kader van een tweestrijd
Hendrik Tollens
- Populaire domineedichter
- Kleinburgerlijke, stichtelijke, huiselijke poëzie
- ‘poëzie moet representatief zijn voor een maatschappij’ -> na FF nieuwe waarden en normen
o Tollens probeerde die normen en waarden over te brengen in zijn poëzie
- Meest populaire dichter van zijn tijd
- Schreef het nationaal volkshymne: ‘Wien Neerlandsch bloed’
- Ook historische poëzie: ‘Tafereel over de overwinning der Hollanders op Nova Zembla in de
jaren 1596 en 1597’
J.F. Helmers
- In de lijn van Tollens
- Schreef ‘De Hollandsche Natie’ (1812)
o Over hoe de Nederlanden doorheen die geschiedenis respect afdwong
o Populaire cultuur van dat moment
Willem Bilderdijk
- Tegen de utilitaire dominee poëzie
- Breuklijn van classicisme en romantiek
o Streng metrum, retorisch taalgebruik maar vernieuwende thematiek
- 15 delen ‘dichtwerken’
- Eerst tegen het sentimentalisme van bv. Feith, daarna nadruk op gevoelsbelevenis
- Voor hem: dichter = profeet
- ‘de dichter verkondigt een niet rationeel verklaarbare goddelijke waarheid’
- Distantieert zich van het literaire leven van zijn tijd -> dichter in de marge
, - Stond bekend om zijn voordracht, werd ook wel ‘versificatorisch genie’ genoemd
A.C.W. Staring
- Vind navolging bij Bilderdijk
- Sentimentele verhalende gedichten
- Muzikaliteit
- Auteur (en had patent op) puntgedichten en epigrammatische poëzie
o Distichon met geestige wending (pointe)
- Spitse dichterlijke vertellingen
- Kreeg heel laat pas herkenning
- Auteur van ‘Jaromir’ -> werd gezien als hoogtepunt dichterlijke, humoristische vertelkunst
19de eeuw in het noorden: Realisme (1840-1880)
Maatschappelijke context:
- 1830: einde verenigd koninkrijk der Nederlanden
- Vanaf 1840: periode van relatieve rust -> opkomst nieuwe klasse: de burgerij
- Fundamenten van strak geordend maatschappelijke leven: godsdienst, vaderland,
vorstenhuis
- Biedermeierethos: deftige en deugdzame kleinburgerlijkheid
o Domineedichter blijft dominant !
Twee opvallende tendensen in literatuur
1. Idealiserende literatuuropvatting: dominee dichters, verbloemde de werkelijkheid
2. Realistische literatuuropvatting: bv. bij Eugene Sue ‘Les Mystères de Paris’
o Keek op een maatschappij zonder taboes
o Werd gezien als platvloers, geen echte literatuur
Proza en poëzie van het realisme
Ontwikkeling in proza: humoristisch typengenre (Cremer, Beets)
- De mens en de menselijke gedragingen worden geanalyseerd
- Tableau Vivant
- Idealiserend realisme
Kritiek door Potgieter: noemde het ‘Kopijeerlust des dagelijkschen levens’ (als romanticus kon hij dit
realisme niet af)
Poëzie: de dominee poëzie bleef dominant, het idealiseren van het dagelijks leven
- Gezapige huiselijke taferelen, retorische toon
- Kritiek van Huet en Multatuli
Realistische poëzie:
- Piet Paaltjes: predikant maar geen dominee poëzie
o Narratieve humoristische poëzie
o Eigentijdse critici noemde dit geen poëzie
o ‘de zelfmoordenaar’
- Gerrit van de Linde/De Schoolmeester: knittelverzen ‘de leeuw’