Hoofdstuk 2: Socrates en de sofisten
De sofisten
Rondtrekkende leraarsfilosofen
Sofisten zijn rondtrekkende leraarsfilosofen, ze geven tegen betaling filosofisch onderricht
aan jonge mannen die politieke ambities hadden. (Athene, 5e eeuw v.C.)
Ze noemen zichzelf sofistès (= beoefenaren van de wijsheid). Ze legden zich vooral toe op de
kunst van het spreken (grammatica), het argumenteren (dialectica) en het overtuigen
(retorica). Ze maakten eerst een onderscheid tussen natuur (physis = datgene wat zich
vanzelf ontwikkelt) en nomos (datgene wat door de mens is gemaakt). Dit zijn de voorlopers
van de hedendaagse natuur en cultuur. Vanuit een relativistisch oogpunt bestaat er GEEN
absolute waarheid.
Protagoras: de mens is de maat
Protagoras is de belangrijkste sofist. Hij zou een leerling van Democritos zijn geweest en nam
van hem de materialistische kijk op de aard van de kosmos over, namelijk dat alles in de
natuur te herleiden is tot materiële deeltjes.
‘De mens is de maat van alles’ -> vat kernachtig samen wat relativisme betekent. Bij gebrek
aan een absolute maatstaf, bepaald elke mens op zichzelf wat goed, juist of waar is.
-> Vb: Noorse en Egyptische toerist (weer).
Typisch voor Protagoras en de sofisten met hem ook dat ze niet ingingen op metafysische
vragen. Ze stelden zich op dat vlak agnostisch op.
Thema’s van de sofisten
1. Relativering van de traditionele waarden
2. Protagoras, de belangrijkste sofist
I. ‘De mens is de maat van alle dingen’: er is geen absolute maatstaf, de maatstaf is
relatief aan de persoon in kwestie
II. ‘Van goden weet ik niets, niet dat ze bestaan, noch dat ze niet bestaan’ ->
agnosticisme
III. ‘Over elke zaak bestaan er 2 opvattingen, die tegenover elkaar staan: scepticisme
(geen absolute zekerheid)
3. Humanisme: alle mensen zijn gelijkwaardig, sofisten beschouwden zich als wereldburgers
en waren tegen adellijke privileges en tegen slavernij.
Kritiek van Plato op de sofisten
- Een relativistische houding gaat gepaard met meer openheid dan een absolutistische
houding.
- Als er gaan algemene standaard is, wordt macht een belangrijke factor en moet waarheid
het dikwijls afleggen tegen misleiding en manipulatie.
- Socrates en Plato hebben zich vaak verzet tegen het relativisme, volgens Plato bestaat er
wel degelijk een absolute fundering van de goede waarden.
- Het beeld dat overblijft, is dat de sofisten er op uitwaren om recht te praten wat krom was,
en dat macht belangrijker is dan de waarheid.
- Sofisme en sofisterij worden synoniemen van drogredenen, spitsvondigheid en
gewiekstheid.
- Als waarheid relatief is, dan komt het er vooral op aan de ander te overtuigen en wordt de
verpakking belangrijker dan de waarheid zelf.
De sofisten
Rondtrekkende leraarsfilosofen
Sofisten zijn rondtrekkende leraarsfilosofen, ze geven tegen betaling filosofisch onderricht
aan jonge mannen die politieke ambities hadden. (Athene, 5e eeuw v.C.)
Ze noemen zichzelf sofistès (= beoefenaren van de wijsheid). Ze legden zich vooral toe op de
kunst van het spreken (grammatica), het argumenteren (dialectica) en het overtuigen
(retorica). Ze maakten eerst een onderscheid tussen natuur (physis = datgene wat zich
vanzelf ontwikkelt) en nomos (datgene wat door de mens is gemaakt). Dit zijn de voorlopers
van de hedendaagse natuur en cultuur. Vanuit een relativistisch oogpunt bestaat er GEEN
absolute waarheid.
Protagoras: de mens is de maat
Protagoras is de belangrijkste sofist. Hij zou een leerling van Democritos zijn geweest en nam
van hem de materialistische kijk op de aard van de kosmos over, namelijk dat alles in de
natuur te herleiden is tot materiële deeltjes.
‘De mens is de maat van alles’ -> vat kernachtig samen wat relativisme betekent. Bij gebrek
aan een absolute maatstaf, bepaald elke mens op zichzelf wat goed, juist of waar is.
-> Vb: Noorse en Egyptische toerist (weer).
Typisch voor Protagoras en de sofisten met hem ook dat ze niet ingingen op metafysische
vragen. Ze stelden zich op dat vlak agnostisch op.
Thema’s van de sofisten
1. Relativering van de traditionele waarden
2. Protagoras, de belangrijkste sofist
I. ‘De mens is de maat van alle dingen’: er is geen absolute maatstaf, de maatstaf is
relatief aan de persoon in kwestie
II. ‘Van goden weet ik niets, niet dat ze bestaan, noch dat ze niet bestaan’ ->
agnosticisme
III. ‘Over elke zaak bestaan er 2 opvattingen, die tegenover elkaar staan: scepticisme
(geen absolute zekerheid)
3. Humanisme: alle mensen zijn gelijkwaardig, sofisten beschouwden zich als wereldburgers
en waren tegen adellijke privileges en tegen slavernij.
Kritiek van Plato op de sofisten
- Een relativistische houding gaat gepaard met meer openheid dan een absolutistische
houding.
- Als er gaan algemene standaard is, wordt macht een belangrijke factor en moet waarheid
het dikwijls afleggen tegen misleiding en manipulatie.
- Socrates en Plato hebben zich vaak verzet tegen het relativisme, volgens Plato bestaat er
wel degelijk een absolute fundering van de goede waarden.
- Het beeld dat overblijft, is dat de sofisten er op uitwaren om recht te praten wat krom was,
en dat macht belangrijker is dan de waarheid.
- Sofisme en sofisterij worden synoniemen van drogredenen, spitsvondigheid en
gewiekstheid.
- Als waarheid relatief is, dan komt het er vooral op aan de ander te overtuigen en wordt de
verpakking belangrijker dan de waarheid zelf.