Paragraaf 1.1
● de opeenvolging van levensfasen noem je levensloop. Iedere fase
kent een andere financiële situatie.
- de financiële stand van zaken op een bepaald moment
- de financiële veranderingen in een periode
● voorraadgrootheden en stroomgrootheden?
- voorraadheden is ‘Wat heb ik nu?’
- stroomgrootheden is per periode = per week, per maand, per jaar
Voorbeelden= voorraad banksaldo, schulden en stroom het inkomen.
● Wat is het primair inkomen?
, Dat is de beloning voor het beschikbaar stellen van arbeid, kapitaal,
natuur of ondernemerschap.
● Wat is het menselijk kapitaal?
Dit zijn de kennis en vaardigheden die je kunt inzetten om goederen en
diensten te produceren bijv. bij een studie.
● Wat is het verdiencapaciteit?
Dat is de mogelijkheid om een inkomen uit de arbeid te verdienen.
● Wat is ruilen over de tijd?
Dat is het uitstellen of vervroegen van consumptie sparen en lenen.
Je noemt dit ook wel intertemporele ruil of intertemporele substitutie
● wat is intertemporele ruil?
Inkomsten en uitgaven gebeuren hier in verschillende periodes.
Paragraaf 1.2
Als je spaart kun je dit voor jezelf houden of je kunt je geld naar de bank
brengen. Als je het naar de bank brengt krijg je rente.
● Wat is sparen?
Sparen is het afzien van consumptie op een bepaald moment.
● Wat zijn de spaarmotieven?
Het zekerheidsmotief is het sparen uit voorzorg.
Het doelmotief is het sparen voor een doel. Auto, vakantie, huis
het vermogensmotief hierbij wil je je vermogen verhogen door het
ontvangen van rente hoge rentstand of hoog bedrag.
● Wat is lenen?
Lenen is het naar voren halen van consumpties en later terugbetalen.
● Welke leenmotieven zijn er?
Je kunt geld lenen om een tegenslag op te vangen.
Je kunt geld lenen voor de aanschaf voor (duurdere)
consumptiegoederen.
Je kunt geld lenen om een tijdelijk tekort op te vangen
● Wat zijn de verschillende soorten leningen?