Neonatologie bestudeert de zorg voor pasgeborenen,
vooral kwetsbare of zieke baby’s. Het focust op hun
aanpassingen na de geboorte en op het herkennen en
behandelen van problemen zoals ademnood, infecties,
icterus, hypothermie en geboortecomplicaties en
aangeboren afwijkingen.
NEONATOLOGIE
Samenvatting van Hanne Smits
1
, pathologie
deel 1: infecties
verwekkers
• transplacentair: infectie komt via placenta (bv. rubella)
• perinataal: besmetting tijdens de bevalling (bv. GBS)
• postnataal: besmetting na de geboorte (bv. luchtweginfecties)
connatale infecties
• onderscheiden zich van andere infecties doordat ze congenitale afwijkingen kunnen veroorzaken,
naast algemene verschijnselen van ziekte
congenitale infecties
• infecties waarmee een baby al voor de geboorte besmet raakt, in de baarmoeder
• micro-organismen bereiken de ongeborene meestal door een hematogene verspreiding via de
placenta
• infecties die vroeg in de zwangerschap optreden, kunnen leiden tot een abortus, intra-uteriene
vruchtdood, congenitale afwijkingen en vroeggeboorte
• laat in de zwangerschap optredende infecties kunnen een actieve infectie bij de neonaat tot gevolg
hebben
• gevolgen ervan voor de foetus of pasgeborene zijn afhankelijk van het tijdstip waarop de infectie zich
voordeed
toxoplasmose
• verwekker = parasiet toxoplasma gondii
• belangrijkste besmettingswegen: eten van (half) rauw vlees en het contact met kattenfaeces
• hoofdgastheer: katten
• infectie → leidt tot levenslange immuniteit
• maakt volwassenen niet ziek → geeft wél problemen voor foetus (30% tot 40% foetale transmissie)
• afwijkingen bij foetus
- microcephalie: te klein hoofd
- hydrocephalie: waterhoofd
- verkalking in de hersenen
- convulsies: spiersamentrekkingen
- microftalmie: één of beide ogen zijn abnormaal klein
- chorioretinitis: oogaandoening
- vroegtijdige icterus
- hepatosplenomegalie: vergrote lever
• diagnose
- labo-onderzoeken: IgM-specifieke antistoffen van moeder → positief = recente infectie
- vruchtwaterpunctie om besmetting bij baby op te sporen
- bloedonderzoek bij neonaat
• behandeling
- anti-parasitaire middelen: opkomen van volgende symptomen tegengaan
- behandelen van neonaten (symptomen of niet)
syfilis
• verwekker = spirocheet Treponema pallidum
• transplacentaire transmissie: voornamelijk in 3e trimester van zwangerschap
• 70% heeft aspecifieke symptomen bij de geboorte (bv. koorts, anemie, onvoldoende groei,…)
2
, • late symptomen kunnen pas jaren na de geboorte optreden
• diagnose: serologisch onderzoek (= zoeken naar antistoffen of virale/bacteriële onderdelen in het
bloed om te zien of je een infectie hebt (of hebt gehad) )
• behandeling: penicilline IV → aan mama tijdens zwangerschap
rubella
• ‘rode hond’
• rubella-infectie tijdens de zwangerschap: besmetting van de vrucht via de placenta
• ernst ziektebeeld is afhankelijk van moment van besmetting
- 1e en 2e trimester: congenitale afwijkingen (bv. cataract, microcefalie, hartafwijkingen,…)
- 3e trimester: perinatale afwijkingen (bv. gehoorverlies, groeiretardatie, vertraagde
spraakontwikkeling,…)
• afwijkingen bij foetus
- encefalitis: ontsteking van het hersenweefsel
- hepatosplenomegalie: vergrote lever en milt
- myocardbeschadiging: schade aan het hartspierweefsel
- purpura: niet-wegdrukbare paarse/rode huidvlekken
- lymfadenopathie: vergrote of abnormale lymfeklieren
• diagnose: aantonen van IgM-specifieke antistoffen in het bloed (urine, keelslijm, faeces of liquor)
• behandeling: vaccinatie
CMV (= cytomegalovirus)
• type herpesvirus
• 40% van volwassenen heeft antistoffen
• virus blijft na een primaire infectie in het lichaam aanwezig
• lijkt alsof de mama griep doormaakt
• kan al vanaf de zwangerschap aanwezig zijn, maar een baby kan het ook oplopen tijdens de bevalling
(door besmette afscheiding in het geboortekanaal) of via besmette moedermelk
• transmissie
- transplacentair
- tijdens baring via besmette secreties
- postnataal via besmette moedermelk
• primaire infectie: 50% kans op doorgeven van infectie
• minderheid heeft symptomen
• afwijkingen bij foetus
- laag geboortegewicht
- microcephalie
- hepatosplenomegalie: vergrote lever en mild
- trombocytopenie: te laag aantal bloedplaatjes
- blindheid
- doofheid
- …
• diagnose
- specifieke antistoffen in het bloed
- virsusisolatie (keel of urine)
- hielprikkaartje → moment van besmetting nakijken
• behandeling
- vaccinatie is er niet
- valganciclovir siroop (niet voor iedereen, veel bijwerkingen) → binnen 4 weken na geboorte
starten
- doel: verdere achteruitgang voorkomen
3
, herpes neonatorum
• levenslange aanwezigheid van virus
• herpes simplex kan men onderverdelen in 2 types
- type I : infectie van huid en slijmvliezen (bv. rond de mond)
- type II : infectie van de genitaliën (bv. rond vagina) → besmetting vindt plaats gedurende de
passage door het besmette geboortekanaal
• transplacentaire besmetting: wanneer de moeder een primaire infectie doormaakt → zeldzaam maar
dodelijk
• besmetting
- (meestal) niet transplacentair
- bij passage doorheen geboortekanaal
• symptomen (treden op in de 1e levensweek)
- conjunctivitis: ontsteking van het bindvlies van het oog
- ulceratieve laesies van de mond: pijnlijke zweertjes in de mondslijmvliezen
- ernstige sepsis: levensbedreigende reactie op een infectie → orgaanfalen
- encefalitis: ontsteking van het hersenweefsel
- niet-specifieke symptomen: koorts, slecht drinken, icterus,… → vaker voorkomend
- typische herpesblaasjes blijven meestal uit
• diagnose: virsusisolatie uit keel, conjunctiva, blaasjes of liquor
• behandeling
- sterfte is groot: 70% → ieder kind met (verdenking van) neonatale herpesinfectie behandelen
- type I : rechtstreeks contact vermijden (bv. kusjes)
- type II : sectio caesarea bij actieve herpesletsels → aciclovir IV onmiddellijk starten bij verdenking
varicella
• windpokken
• verwekker = varicella zostervirus
• moeder heeft het de 1e keer al doorgemaakt → kind heeft antistoffen
• moeder maakt het voor de 1e keer mee tijdens de zwangerschap → risico kind
• diagnose: serologisch onderzoek: specifieke antistoffen
• behandeling: toediening varicella-immuunglobulines aan niet-beschermde zwangere en baby
HIV
• verwekker = humaan immunodeficiëntie virus
• besmetting van HIV-virus kan leiden tot aids
• transmissie
- transplacentair (kleine kans)
- tijdens partus
- via moedermelk (postnataal)
• symptomen → treden pas op na enkele maanden
- onderontwikkeling
- neonatale AIDS
- terugkerende infecties, slechte groei, chronische diarree,…
• diagnose: aantonen van het virus bij de moeder
• behandeling
- sectio: wanneer besmetting gedurende baring of in het 3e trimester voorkwam
- borstvoeding afraden
- neonaat aspireren (zo snel mogelijk)
- neonaat wassen met antisepticum (zo snel mogelijk)
4
vooral kwetsbare of zieke baby’s. Het focust op hun
aanpassingen na de geboorte en op het herkennen en
behandelen van problemen zoals ademnood, infecties,
icterus, hypothermie en geboortecomplicaties en
aangeboren afwijkingen.
NEONATOLOGIE
Samenvatting van Hanne Smits
1
, pathologie
deel 1: infecties
verwekkers
• transplacentair: infectie komt via placenta (bv. rubella)
• perinataal: besmetting tijdens de bevalling (bv. GBS)
• postnataal: besmetting na de geboorte (bv. luchtweginfecties)
connatale infecties
• onderscheiden zich van andere infecties doordat ze congenitale afwijkingen kunnen veroorzaken,
naast algemene verschijnselen van ziekte
congenitale infecties
• infecties waarmee een baby al voor de geboorte besmet raakt, in de baarmoeder
• micro-organismen bereiken de ongeborene meestal door een hematogene verspreiding via de
placenta
• infecties die vroeg in de zwangerschap optreden, kunnen leiden tot een abortus, intra-uteriene
vruchtdood, congenitale afwijkingen en vroeggeboorte
• laat in de zwangerschap optredende infecties kunnen een actieve infectie bij de neonaat tot gevolg
hebben
• gevolgen ervan voor de foetus of pasgeborene zijn afhankelijk van het tijdstip waarop de infectie zich
voordeed
toxoplasmose
• verwekker = parasiet toxoplasma gondii
• belangrijkste besmettingswegen: eten van (half) rauw vlees en het contact met kattenfaeces
• hoofdgastheer: katten
• infectie → leidt tot levenslange immuniteit
• maakt volwassenen niet ziek → geeft wél problemen voor foetus (30% tot 40% foetale transmissie)
• afwijkingen bij foetus
- microcephalie: te klein hoofd
- hydrocephalie: waterhoofd
- verkalking in de hersenen
- convulsies: spiersamentrekkingen
- microftalmie: één of beide ogen zijn abnormaal klein
- chorioretinitis: oogaandoening
- vroegtijdige icterus
- hepatosplenomegalie: vergrote lever
• diagnose
- labo-onderzoeken: IgM-specifieke antistoffen van moeder → positief = recente infectie
- vruchtwaterpunctie om besmetting bij baby op te sporen
- bloedonderzoek bij neonaat
• behandeling
- anti-parasitaire middelen: opkomen van volgende symptomen tegengaan
- behandelen van neonaten (symptomen of niet)
syfilis
• verwekker = spirocheet Treponema pallidum
• transplacentaire transmissie: voornamelijk in 3e trimester van zwangerschap
• 70% heeft aspecifieke symptomen bij de geboorte (bv. koorts, anemie, onvoldoende groei,…)
2
, • late symptomen kunnen pas jaren na de geboorte optreden
• diagnose: serologisch onderzoek (= zoeken naar antistoffen of virale/bacteriële onderdelen in het
bloed om te zien of je een infectie hebt (of hebt gehad) )
• behandeling: penicilline IV → aan mama tijdens zwangerschap
rubella
• ‘rode hond’
• rubella-infectie tijdens de zwangerschap: besmetting van de vrucht via de placenta
• ernst ziektebeeld is afhankelijk van moment van besmetting
- 1e en 2e trimester: congenitale afwijkingen (bv. cataract, microcefalie, hartafwijkingen,…)
- 3e trimester: perinatale afwijkingen (bv. gehoorverlies, groeiretardatie, vertraagde
spraakontwikkeling,…)
• afwijkingen bij foetus
- encefalitis: ontsteking van het hersenweefsel
- hepatosplenomegalie: vergrote lever en milt
- myocardbeschadiging: schade aan het hartspierweefsel
- purpura: niet-wegdrukbare paarse/rode huidvlekken
- lymfadenopathie: vergrote of abnormale lymfeklieren
• diagnose: aantonen van IgM-specifieke antistoffen in het bloed (urine, keelslijm, faeces of liquor)
• behandeling: vaccinatie
CMV (= cytomegalovirus)
• type herpesvirus
• 40% van volwassenen heeft antistoffen
• virus blijft na een primaire infectie in het lichaam aanwezig
• lijkt alsof de mama griep doormaakt
• kan al vanaf de zwangerschap aanwezig zijn, maar een baby kan het ook oplopen tijdens de bevalling
(door besmette afscheiding in het geboortekanaal) of via besmette moedermelk
• transmissie
- transplacentair
- tijdens baring via besmette secreties
- postnataal via besmette moedermelk
• primaire infectie: 50% kans op doorgeven van infectie
• minderheid heeft symptomen
• afwijkingen bij foetus
- laag geboortegewicht
- microcephalie
- hepatosplenomegalie: vergrote lever en mild
- trombocytopenie: te laag aantal bloedplaatjes
- blindheid
- doofheid
- …
• diagnose
- specifieke antistoffen in het bloed
- virsusisolatie (keel of urine)
- hielprikkaartje → moment van besmetting nakijken
• behandeling
- vaccinatie is er niet
- valganciclovir siroop (niet voor iedereen, veel bijwerkingen) → binnen 4 weken na geboorte
starten
- doel: verdere achteruitgang voorkomen
3
, herpes neonatorum
• levenslange aanwezigheid van virus
• herpes simplex kan men onderverdelen in 2 types
- type I : infectie van huid en slijmvliezen (bv. rond de mond)
- type II : infectie van de genitaliën (bv. rond vagina) → besmetting vindt plaats gedurende de
passage door het besmette geboortekanaal
• transplacentaire besmetting: wanneer de moeder een primaire infectie doormaakt → zeldzaam maar
dodelijk
• besmetting
- (meestal) niet transplacentair
- bij passage doorheen geboortekanaal
• symptomen (treden op in de 1e levensweek)
- conjunctivitis: ontsteking van het bindvlies van het oog
- ulceratieve laesies van de mond: pijnlijke zweertjes in de mondslijmvliezen
- ernstige sepsis: levensbedreigende reactie op een infectie → orgaanfalen
- encefalitis: ontsteking van het hersenweefsel
- niet-specifieke symptomen: koorts, slecht drinken, icterus,… → vaker voorkomend
- typische herpesblaasjes blijven meestal uit
• diagnose: virsusisolatie uit keel, conjunctiva, blaasjes of liquor
• behandeling
- sterfte is groot: 70% → ieder kind met (verdenking van) neonatale herpesinfectie behandelen
- type I : rechtstreeks contact vermijden (bv. kusjes)
- type II : sectio caesarea bij actieve herpesletsels → aciclovir IV onmiddellijk starten bij verdenking
varicella
• windpokken
• verwekker = varicella zostervirus
• moeder heeft het de 1e keer al doorgemaakt → kind heeft antistoffen
• moeder maakt het voor de 1e keer mee tijdens de zwangerschap → risico kind
• diagnose: serologisch onderzoek: specifieke antistoffen
• behandeling: toediening varicella-immuunglobulines aan niet-beschermde zwangere en baby
HIV
• verwekker = humaan immunodeficiëntie virus
• besmetting van HIV-virus kan leiden tot aids
• transmissie
- transplacentair (kleine kans)
- tijdens partus
- via moedermelk (postnataal)
• symptomen → treden pas op na enkele maanden
- onderontwikkeling
- neonatale AIDS
- terugkerende infecties, slechte groei, chronische diarree,…
• diagnose: aantonen van het virus bij de moeder
• behandeling
- sectio: wanneer besmetting gedurende baring of in het 3e trimester voorkwam
- borstvoeding afraden
- neonaat aspireren (zo snel mogelijk)
- neonaat wassen met antisepticum (zo snel mogelijk)
4