Prehistorie
Ex: jargon, begrippen, materiële cultuur, openvragen(vb verschillen tussen periodes etc),
vgl, Boxgrove, Lascaux en andere grote sites kennen, andere niet, beeldvragen (foto’s) wiewaarwat ..
inleidingsvragen:
1. Einde laatste ijstijd: ong 17.000 jaar geleden?
2. Vroegste mensachtigen?
archeologen bep dit via bronmateriaal/gebruiksvwp
/artefacten -> 2,5 miljoen jaar geleden
3. Uitsterven dinosauriërs? 65 miljoen jaar geleden
4. Begin ijzertijd bij ons? v.C.
5. Vroegste afbeeldingen zijn door neanderthalers? neen, geen bewijs
6. Tijdens ijstijden stijgt de zeespiegel? nee
7. Konijnen gedomesticeerd in neolithicum?
neolithicum = periode van domesticatie, maar nee,
nog geen konijnen toen (alleen hazen)
8. Met 14C- methode precieze kalenderjaar? nee (niet precies)
9. Is dit een vuistbijl? nee, het is een gepolijst artefact vanuit het neolithicum,
terwijl een vuistbijl in het vroeg paleolithicum voorkwam
° Cultureel gedrag: aangeleerd (vb: mes en vork gebruiken)
° Andere: instincten (vb: gillen bij spin)
myr: miljoenen jaren
ka: duizend jaar (kilo annum)
periodes:
huidige periode: holoceen
periode van de ijstijden: pleistoceen
kwartair
Geschiedenis v/d mens: laatste paar decennia enorm veel evolutie
1
,H1: ALGEMENE INLEIDING • keltoi (oudgrieks)
• galli (romeins)
DE TERMEN PRE- EN PROTOHISTORIE -> kelten / galliërs
• Periode zonder geschr bronnen en kijkt naar wetenschappelijke disciplines
• Geen namen -> verwijst naar kenmerken v/d materiële productie
• Einde protohistorie: ontstaan schrift romeinen
GESCH PREHISTORISCHE ARCHEOLOGIE
• Impulsen: Nationale identiteit, “roots”
Antediluviale mens: Charles Lyell en Charles Darwin (onstaan wereld, mens + context)
• Pioniers: Christian Thomsen: Driedeling (steen, brons, ijzertijd, adhv archeologische resten)
Jens Worsaae: Archeologische stratigrafie
Oscar Montelius: Typologische methode (chronologisch -> evolutieleer)
En Schmerling die menselijke
• Theorie van sociale evolutie: savagery, barbarism, civilization
beenderen met vuurtenen
werktuigen en uitgestorven
• 20ste Eeuw: Cultuurhistorische benadering
zoogdieren vond
Processuele archeologie
Post-processuele archeologie
Multidisciplinair en Erfgoed, maatschappelijk draagvlak
Paradigma: algemeen idee over hoe je de wereld bekijkt
Paradigma shift: vb: verandering naar heliocentrisme
Cultuurhistorisch paradigma: 3 manieren voor archeologie:
• cultuurhistorische benadering (kader en begrippenkader hebben)
- “Archeologische cultuur” = verbanden v artefacten i/e gebied met dezelfde stijl..
- Inductief-beschrijvend
- Verklaring diffusie, migratie en invasie
- V. Gordon Childe
• processuele archeologie (reconstrueren en verklaren v processen)= “New Archeology”
- Cultuur = systeem met subsystemen
- Hypothetico-deductief: testen van theoretische modellen
- middle range research: onderzoek naar links tussen gedrag en materiele cultuur
- zoeken naar wetmatigheden
• post-processuele benaderingen (hangt af van interpretatie v/d archeoloog = subjectief)
- Cultuur = particulier
- Materiële cultuur = intern actief
- Hermeneutiek: interpretie van binnen uit
- Contextuele analyse: betekenis-associaties
- Interpretatie zelf is contextgebonden, relatief
2
,OVERZICHT VAN BRONNENMATERIAAL EN BEWARINGSTOESTANDEN
• Archeologische sites:
- Open lucht nederzettingen: constructies: -> hutten/tenten (tentringen) negatieve
- Afvalhopen -> houten gebouwen (paalkuilen) sporen
- Begraafplaatsen
- Monumentale structuren
- Grotten en abris-sous-roche
-> oermensen leefden niet in grotten.. alleen muurschilderingen
-> wel in overhangende rotsen: buitenlucht + beschut tegen wind en regen
-> kalkrijk milieu in a-s-r -> conservatie beendermateriaal
paalkuilen vuistbijlen (door rivier meegenomen of eolische migratie)
perfect bewaarde vuurplaatsen Lommel Sahara
zandstreek, poolwoestijn, saltatie
grijs = bodemhorizont (houtskool, humus accumulatie, stabiele fase)
geel = verkleuring van stukjes ijzer -> roest, gelaagd
mesolithicum (jager, verzamelaars, visvangst, kano)
bewaard onder grondwatertafel
-> veen (accumulatie organisch materiaal)
graven
keuken afvalhoop
(køkkenmøddinger) hunebed, megalithische
constructies (vlaanderen
heeft dat niet)
Dolmen, vaak ook grafheuvels
• Bewaring:
- Kalkrijk milieu bij grotten
- Afzetting rivier (alluviale sites -> slib)
-
3
, OVERZICHT VAN BRONNENMATERIAAL EN BEWARINGSTOESTANDEN
ARTEFACTEN:
• Lithisch materiaal (reductieproces: grote steen -> kleiner voorwerp)
Productie Verwerving
Selectie Preparatie Eindproduct (vb. bijlen)
Debitage: Productie Kern & halffabricaten
Consumptie: Aanmaak werktuig: Retouche
Polijsten
Cyclisch verloop: Schachting
Gebruik (microwear-analyse)
Aanpassing
Afdanking
Er is altijd een biografie (voor reconstructie: o.a. refitting)
verwerving: knollen van vuursteen schors
(geaccumuleerd en versteend) (buitenste
primaire, secundaire context krijtlaag)
afhalen
kloppers (geweien etc) eindproduct
als hamers met kern
Methode 1: Methode 2:
Klopsteen -> scherp om merg uit botten te halen vorm w nagestreefd, planning, symmetrisch
(chopper) gevoel, voorbereiden kern (vuistbijl)
4
Ex: jargon, begrippen, materiële cultuur, openvragen(vb verschillen tussen periodes etc),
vgl, Boxgrove, Lascaux en andere grote sites kennen, andere niet, beeldvragen (foto’s) wiewaarwat ..
inleidingsvragen:
1. Einde laatste ijstijd: ong 17.000 jaar geleden?
2. Vroegste mensachtigen?
archeologen bep dit via bronmateriaal/gebruiksvwp
/artefacten -> 2,5 miljoen jaar geleden
3. Uitsterven dinosauriërs? 65 miljoen jaar geleden
4. Begin ijzertijd bij ons? v.C.
5. Vroegste afbeeldingen zijn door neanderthalers? neen, geen bewijs
6. Tijdens ijstijden stijgt de zeespiegel? nee
7. Konijnen gedomesticeerd in neolithicum?
neolithicum = periode van domesticatie, maar nee,
nog geen konijnen toen (alleen hazen)
8. Met 14C- methode precieze kalenderjaar? nee (niet precies)
9. Is dit een vuistbijl? nee, het is een gepolijst artefact vanuit het neolithicum,
terwijl een vuistbijl in het vroeg paleolithicum voorkwam
° Cultureel gedrag: aangeleerd (vb: mes en vork gebruiken)
° Andere: instincten (vb: gillen bij spin)
myr: miljoenen jaren
ka: duizend jaar (kilo annum)
periodes:
huidige periode: holoceen
periode van de ijstijden: pleistoceen
kwartair
Geschiedenis v/d mens: laatste paar decennia enorm veel evolutie
1
,H1: ALGEMENE INLEIDING • keltoi (oudgrieks)
• galli (romeins)
DE TERMEN PRE- EN PROTOHISTORIE -> kelten / galliërs
• Periode zonder geschr bronnen en kijkt naar wetenschappelijke disciplines
• Geen namen -> verwijst naar kenmerken v/d materiële productie
• Einde protohistorie: ontstaan schrift romeinen
GESCH PREHISTORISCHE ARCHEOLOGIE
• Impulsen: Nationale identiteit, “roots”
Antediluviale mens: Charles Lyell en Charles Darwin (onstaan wereld, mens + context)
• Pioniers: Christian Thomsen: Driedeling (steen, brons, ijzertijd, adhv archeologische resten)
Jens Worsaae: Archeologische stratigrafie
Oscar Montelius: Typologische methode (chronologisch -> evolutieleer)
En Schmerling die menselijke
• Theorie van sociale evolutie: savagery, barbarism, civilization
beenderen met vuurtenen
werktuigen en uitgestorven
• 20ste Eeuw: Cultuurhistorische benadering
zoogdieren vond
Processuele archeologie
Post-processuele archeologie
Multidisciplinair en Erfgoed, maatschappelijk draagvlak
Paradigma: algemeen idee over hoe je de wereld bekijkt
Paradigma shift: vb: verandering naar heliocentrisme
Cultuurhistorisch paradigma: 3 manieren voor archeologie:
• cultuurhistorische benadering (kader en begrippenkader hebben)
- “Archeologische cultuur” = verbanden v artefacten i/e gebied met dezelfde stijl..
- Inductief-beschrijvend
- Verklaring diffusie, migratie en invasie
- V. Gordon Childe
• processuele archeologie (reconstrueren en verklaren v processen)= “New Archeology”
- Cultuur = systeem met subsystemen
- Hypothetico-deductief: testen van theoretische modellen
- middle range research: onderzoek naar links tussen gedrag en materiele cultuur
- zoeken naar wetmatigheden
• post-processuele benaderingen (hangt af van interpretatie v/d archeoloog = subjectief)
- Cultuur = particulier
- Materiële cultuur = intern actief
- Hermeneutiek: interpretie van binnen uit
- Contextuele analyse: betekenis-associaties
- Interpretatie zelf is contextgebonden, relatief
2
,OVERZICHT VAN BRONNENMATERIAAL EN BEWARINGSTOESTANDEN
• Archeologische sites:
- Open lucht nederzettingen: constructies: -> hutten/tenten (tentringen) negatieve
- Afvalhopen -> houten gebouwen (paalkuilen) sporen
- Begraafplaatsen
- Monumentale structuren
- Grotten en abris-sous-roche
-> oermensen leefden niet in grotten.. alleen muurschilderingen
-> wel in overhangende rotsen: buitenlucht + beschut tegen wind en regen
-> kalkrijk milieu in a-s-r -> conservatie beendermateriaal
paalkuilen vuistbijlen (door rivier meegenomen of eolische migratie)
perfect bewaarde vuurplaatsen Lommel Sahara
zandstreek, poolwoestijn, saltatie
grijs = bodemhorizont (houtskool, humus accumulatie, stabiele fase)
geel = verkleuring van stukjes ijzer -> roest, gelaagd
mesolithicum (jager, verzamelaars, visvangst, kano)
bewaard onder grondwatertafel
-> veen (accumulatie organisch materiaal)
graven
keuken afvalhoop
(køkkenmøddinger) hunebed, megalithische
constructies (vlaanderen
heeft dat niet)
Dolmen, vaak ook grafheuvels
• Bewaring:
- Kalkrijk milieu bij grotten
- Afzetting rivier (alluviale sites -> slib)
-
3
, OVERZICHT VAN BRONNENMATERIAAL EN BEWARINGSTOESTANDEN
ARTEFACTEN:
• Lithisch materiaal (reductieproces: grote steen -> kleiner voorwerp)
Productie Verwerving
Selectie Preparatie Eindproduct (vb. bijlen)
Debitage: Productie Kern & halffabricaten
Consumptie: Aanmaak werktuig: Retouche
Polijsten
Cyclisch verloop: Schachting
Gebruik (microwear-analyse)
Aanpassing
Afdanking
Er is altijd een biografie (voor reconstructie: o.a. refitting)
verwerving: knollen van vuursteen schors
(geaccumuleerd en versteend) (buitenste
primaire, secundaire context krijtlaag)
afhalen
kloppers (geweien etc) eindproduct
als hamers met kern
Methode 1: Methode 2:
Klopsteen -> scherp om merg uit botten te halen vorm w nagestreefd, planning, symmetrisch
(chopper) gevoel, voorbereiden kern (vuistbijl)
4