SOCIOLOGIE
Semester 2 - blok 3
Voor tentamen focussen op theorieën en terminologie
COLLEGE 1
INLEIDING IN DE SOCIOLOGIE
Definitie sociologie: de sociale verbeeldingskracht om bewust te kijken naar hoe de
samenleving werkt en kritisch te onderzoeken wat vanzelfsprekend is
Het sociologisch perspectief:
1) Sociologie maakt deel uit van een veranderende wereld > onze kennis
verandert ook snel
2) Sociologen maken deel uit van wat ze bestuderen (etnocentrisme)
3) Sociologische kennis wordt onderdeel van de samenleving
Durkheim: de mens is een tweetal; een individu en iemand die onderdeel is van een
samenleving
Sociologische verbeelding: “het vermogen om persoonlijke ervaringen te verbinden
met bredere historische en maatschappelijke structuren”
persoonlijke vs. sociale problemen, bewust worden van hoe de samenleving werkt
Zygmunt Bauman:
1) Responsible speech: regels van verantwoorde argumentatie
2) Size of the field: overstijgen van de eigen sociale wereld
3) Making sense: verklaren en interpreteren van menselijk gedrag door te kijken
naar de verschillende figuraties en instituties waarin mensen zijn ingebed
4) Defamiliarize: het vermogen om bekende en vanzelfsprekende zaken ter
discussie te stellen
Omgevingsniveau’s (interacteren onderling):
Micro: familie/vrienden
Meso: kantoor/uni
Macro: overheid/land
Veranderingen in structuren van samenlevingen
Premoderne samenlevingen: jagers/verzamelaars, nomadische samenlevingen,
agrarische samenlevingen
Moderne samenlevingen: industriële samenlevingen
Postmoderne samenleving: postindustriële samenlevingen
Technologie: niet neutraal, mensen bepalen hoe het wordt gebruikt
Heeft grenzen, produceert nieuwe problemen
Technologisch determinisme: techniek is niet slecht, maar de manier van
omgang met kan dat wel zijn
,ONSTAAN VAN DE SOCIOLOGIE
Maatschappelijke veranderingen
1. Economische veranderingen: groei van het kapitalisme en de industriële revolutie
2. Politieke veranderingen: Franse revolutie
Vrijheid, gelijkheid, solidariteit
3. Kerkelijke ontwikkelingen
4. Groei van steden en ontstaan van sociale problemen
Ontdekking van de samenleving
1. Opkomst van de moderne wetenschap - herwaardering empirische waarneming
2. Ontdekking van de samenleving; “boek van de cultuur”
3. Sociologie is studie van de samenleving
Augustus Comte: bedacht de term sociologie
De wet der 3 stadia:
1. Theologisch stadium: verklaring door middel van goden en geesten
2. Metafysisch stadium: verklaring door abstracte, filosofische speculatie over
de “natuurlijke orde”; samenleving begon als natuurlijk gezien te worden,
minder invloed van God
3. Wetenschappelijk stadium: wetenschappelijke verklaring door objectieve
waarneming
19e eeuw
Opkomst sociaal-darwinistisch denken
sociaal-darwinisme: verbeteren van de samenleving
darwinisme: alles in de wereld veranderd, maar geen “richting” (beter/slechter
worden)
Spencer: survival of the fittest
Beschavingsarbeid: hogere klasses ontfermen zich over lagere klasses
Meer vertrouwen in de wetenschap (minder in de kerk)
De sociale quaestie: ellende van urbanisatie en industrialisatie
Karl Marx & Friedrisch Engels
Opkomst arbeidersbeweging
Reactie liberalen en confessionelen > uit welbegrepen eigenbelang zetten mensen
zich in voor anderen zonder er zelf profijt bij te hebben
PARADIGMA’S
De kuhn cycle: beschrijft hoe wetenschap evolueert
1. Normale wetenschap
2. Model drift
3. Model crisis
4. Model revolutie
5. Paradigma verandering
Benaderingswijzen:
Positivistische sociologie: volgens natuurkundige principe, op zoek naar
wetmatigheden, nadruk op empirische feiten, objectiviteit en replicatie
Humanistische sociologie: begrijpen van hoe mensen de werkelijkheid
interpreteren, inductief
, Kritische sociologie: feiten zijn maatschappelijke constructies
Theorie: samenhangend stelsel van uitspraken over hoe en waarom specifieke feiten
met elkaar verbonden zijn
Binnen een paradigma heb je meerdere theorieën
Dramaturgische analyse: individuen acteren in het dagelijks leven en passen gedrag
aan naar publiek, ze zijn performers, ontspanning in privé (Goffman)
Androcentrisme: alleen mannelijk perspectief (veel bij Marx)
COLLEGE 2
KARL MARX - HOE IS SOCIALE ONGELIJKHEID MOGELIJK?
INVLOEDEN VAN MARX
Politiek:
Kapitalisme is groter geworden - bijvoorbeeld Amerika
Privébezit, winst, marktwerking, economisch productief, economische
ongelijkheid
Socialisme/communisme
Alle leden samenleving gelijk (publiek bezit), collectieve doelen,
economisch minder productief, minder economische ongelijkheid
Ongelijkheidsvraagstuk: Europese landen zijn rijk, maar waarom zoveel armoede?
Kapitalistische systeem is de oorzaak
Marx & Engels
Ideeën Marx & Engels:
1. Conflict tussen klassen centraal (klassen; wel bezit/geen bezit)
2. Geschiedenis bepaalt klassenstrijd
3. Klassenstrijd bepaalt verdere loop geschiedenis - in tegenstelling tot “Gods plan”
“Filosofen hebben de wereld geduid, maar het wordt nu tijd om die wereld te
veranderen”
Manifest: mensen die niks bezitten, zijn met hun arbeid geketend aan hun werkgever en
hoeven alleen die keten los te scheuren en in opstand te komen om de wereld te
veranderen
Gedurende de hele geschiedenis zijn er altijd groepen in strijd over
bezit/status/macht = historisch materialisme
Maatschappelijke onderbouw = economie: productie en verdeling van
maatschappelijke rijkdom.
machthebbers (geldwinner/overheid/etc.) bepalen hoe het geld wordt verdeeld
Maatschappelijke bovenbouw =
politieke/juridische/ethische/wetenschappelijke/filosofische inzichten: opvattingen,
ideeën en cultuur
Klassiek historisch materialisme:
Kapitalistische samenlevingen > daling arbeiderslonen/stijging winst kapitalisten >
kapitalisten dreigen arbeiders te vervangen > gewelddadig verzet van arbeiders >
Semester 2 - blok 3
Voor tentamen focussen op theorieën en terminologie
COLLEGE 1
INLEIDING IN DE SOCIOLOGIE
Definitie sociologie: de sociale verbeeldingskracht om bewust te kijken naar hoe de
samenleving werkt en kritisch te onderzoeken wat vanzelfsprekend is
Het sociologisch perspectief:
1) Sociologie maakt deel uit van een veranderende wereld > onze kennis
verandert ook snel
2) Sociologen maken deel uit van wat ze bestuderen (etnocentrisme)
3) Sociologische kennis wordt onderdeel van de samenleving
Durkheim: de mens is een tweetal; een individu en iemand die onderdeel is van een
samenleving
Sociologische verbeelding: “het vermogen om persoonlijke ervaringen te verbinden
met bredere historische en maatschappelijke structuren”
persoonlijke vs. sociale problemen, bewust worden van hoe de samenleving werkt
Zygmunt Bauman:
1) Responsible speech: regels van verantwoorde argumentatie
2) Size of the field: overstijgen van de eigen sociale wereld
3) Making sense: verklaren en interpreteren van menselijk gedrag door te kijken
naar de verschillende figuraties en instituties waarin mensen zijn ingebed
4) Defamiliarize: het vermogen om bekende en vanzelfsprekende zaken ter
discussie te stellen
Omgevingsniveau’s (interacteren onderling):
Micro: familie/vrienden
Meso: kantoor/uni
Macro: overheid/land
Veranderingen in structuren van samenlevingen
Premoderne samenlevingen: jagers/verzamelaars, nomadische samenlevingen,
agrarische samenlevingen
Moderne samenlevingen: industriële samenlevingen
Postmoderne samenleving: postindustriële samenlevingen
Technologie: niet neutraal, mensen bepalen hoe het wordt gebruikt
Heeft grenzen, produceert nieuwe problemen
Technologisch determinisme: techniek is niet slecht, maar de manier van
omgang met kan dat wel zijn
,ONSTAAN VAN DE SOCIOLOGIE
Maatschappelijke veranderingen
1. Economische veranderingen: groei van het kapitalisme en de industriële revolutie
2. Politieke veranderingen: Franse revolutie
Vrijheid, gelijkheid, solidariteit
3. Kerkelijke ontwikkelingen
4. Groei van steden en ontstaan van sociale problemen
Ontdekking van de samenleving
1. Opkomst van de moderne wetenschap - herwaardering empirische waarneming
2. Ontdekking van de samenleving; “boek van de cultuur”
3. Sociologie is studie van de samenleving
Augustus Comte: bedacht de term sociologie
De wet der 3 stadia:
1. Theologisch stadium: verklaring door middel van goden en geesten
2. Metafysisch stadium: verklaring door abstracte, filosofische speculatie over
de “natuurlijke orde”; samenleving begon als natuurlijk gezien te worden,
minder invloed van God
3. Wetenschappelijk stadium: wetenschappelijke verklaring door objectieve
waarneming
19e eeuw
Opkomst sociaal-darwinistisch denken
sociaal-darwinisme: verbeteren van de samenleving
darwinisme: alles in de wereld veranderd, maar geen “richting” (beter/slechter
worden)
Spencer: survival of the fittest
Beschavingsarbeid: hogere klasses ontfermen zich over lagere klasses
Meer vertrouwen in de wetenschap (minder in de kerk)
De sociale quaestie: ellende van urbanisatie en industrialisatie
Karl Marx & Friedrisch Engels
Opkomst arbeidersbeweging
Reactie liberalen en confessionelen > uit welbegrepen eigenbelang zetten mensen
zich in voor anderen zonder er zelf profijt bij te hebben
PARADIGMA’S
De kuhn cycle: beschrijft hoe wetenschap evolueert
1. Normale wetenschap
2. Model drift
3. Model crisis
4. Model revolutie
5. Paradigma verandering
Benaderingswijzen:
Positivistische sociologie: volgens natuurkundige principe, op zoek naar
wetmatigheden, nadruk op empirische feiten, objectiviteit en replicatie
Humanistische sociologie: begrijpen van hoe mensen de werkelijkheid
interpreteren, inductief
, Kritische sociologie: feiten zijn maatschappelijke constructies
Theorie: samenhangend stelsel van uitspraken over hoe en waarom specifieke feiten
met elkaar verbonden zijn
Binnen een paradigma heb je meerdere theorieën
Dramaturgische analyse: individuen acteren in het dagelijks leven en passen gedrag
aan naar publiek, ze zijn performers, ontspanning in privé (Goffman)
Androcentrisme: alleen mannelijk perspectief (veel bij Marx)
COLLEGE 2
KARL MARX - HOE IS SOCIALE ONGELIJKHEID MOGELIJK?
INVLOEDEN VAN MARX
Politiek:
Kapitalisme is groter geworden - bijvoorbeeld Amerika
Privébezit, winst, marktwerking, economisch productief, economische
ongelijkheid
Socialisme/communisme
Alle leden samenleving gelijk (publiek bezit), collectieve doelen,
economisch minder productief, minder economische ongelijkheid
Ongelijkheidsvraagstuk: Europese landen zijn rijk, maar waarom zoveel armoede?
Kapitalistische systeem is de oorzaak
Marx & Engels
Ideeën Marx & Engels:
1. Conflict tussen klassen centraal (klassen; wel bezit/geen bezit)
2. Geschiedenis bepaalt klassenstrijd
3. Klassenstrijd bepaalt verdere loop geschiedenis - in tegenstelling tot “Gods plan”
“Filosofen hebben de wereld geduid, maar het wordt nu tijd om die wereld te
veranderen”
Manifest: mensen die niks bezitten, zijn met hun arbeid geketend aan hun werkgever en
hoeven alleen die keten los te scheuren en in opstand te komen om de wereld te
veranderen
Gedurende de hele geschiedenis zijn er altijd groepen in strijd over
bezit/status/macht = historisch materialisme
Maatschappelijke onderbouw = economie: productie en verdeling van
maatschappelijke rijkdom.
machthebbers (geldwinner/overheid/etc.) bepalen hoe het geld wordt verdeeld
Maatschappelijke bovenbouw =
politieke/juridische/ethische/wetenschappelijke/filosofische inzichten: opvattingen,
ideeën en cultuur
Klassiek historisch materialisme:
Kapitalistische samenlevingen > daling arbeiderslonen/stijging winst kapitalisten >
kapitalisten dreigen arbeiders te vervangen > gewelddadig verzet van arbeiders >