H8: Ondernemingen op
outputmarkten
1Waarom zijn ondernemingen zo
verschillend?
2Winstmaximalisatie
2.1Economische winst
Economische winst
= totale opbrengsten – totale economische kosten
- Economische kosten = opportuniteitskosten
= de waarde van de inputs in de beste alternatieve aanwending
o ≠ de boekhoudkundige kosten (zie: de krantenhandelaar)
Boekhoudkundige kosten houden niet met andere
factoren rekening.
Economische kosten: kijken naar welk ander
alternatief verloren gaat
Bv: op reis gaan is niet enkel hotel enzo betalen
maar ook verlies in de zin dat je niet gaat werken.
o Als je zou gewerkt hebben had je geld
gemaakt dus je maakt verlies.
o Zijn verschillend op KT en LT
STEL:
Je steekt 100 000euro in bedrijf
Na 1 jaar: 1500 euro
Rendement: 1.5% (=1500/100.000)
Rente staatsobligatie = 2.5%
Na 1 jaar: 2500 euro
- Boekhoudkundige winst: 1500-0 = 1500 (winst gemaakt)
- Economische winst: 1500- 2500 = -1000 (verlies gemaakt)
De econoom denkt ‘je had ook iets anders kunnen doen’ (kijkt naar
alternatief)
o Die 2500 zijn de totale kosten: de opbrengsten die je niet hebt
door het niet investeren in dit.
,Tabel 8.3 boekhoudkundige en economische winst van een
krantenhandelaar
- Bij de krantenhandelaar zijn de economische kosten >
boekhoudkundige kosten
o Soms andersom, bv. prijsschommelingen bij
langetermijncontracten
Economische kosten op KT ↔ LT:
- Korte termijn: die periode waarin sommige productiefactoren
vastliggen en niet veranderd kunnen worden
o Bv. Autoproducenten: bij een plotse toename van de vraag in
het onmogelijk om zo snel nieuwe machines enzo te maken
dus, zal de productie verhoogd worden door meer arbeid in te
zetten (overuren, extra shiften,...)
o Vb: b-post tijdens de feestdagen: mensen moeten langere
uren werken.
- Lange termijn: alle inputs zijn variabel
De onderneming wordt niet langer gehinderd door
aanpassingskosten en vaste productiefactoren.
o Kapitaal en arbeid kunnen worden herschikt
o Merk op: is geen vaste periode (kan niet op voorhand bepaald
worden)
Op lange termijn: mogelijkheid tot toe- en uittreding
- Winst toetreding
o Als een onderneming winst maakt zal dat op lange termijn
nieuwe ondernemingen aantrekken.
Die toetreding zal de winst verlagen en zal dus duren tot
wanneer er geen economische winst meer gemaakt kan
worden door een potentiële nieuwkomer.
- Verlies uittreding
, o Indien er verliezen zijn, zal dat op lange termijn leiden tot het
verdwijnen van enkele bestaande ondernemingen tot wanneer
er geen verliezen meer gemaakt worden.
We gaan uit van de lange termijn, tenzij anders vermeld
2.2Opbrengsten en kosten in de broodjeszaak
Om haar opbrengsten te bepalen, moet de onderneming zich eerst
afvragen hoeveel output ze kan verkopen en tegen welke prijs. deze
info word samengevat in de ondernemingsvraag.
Je moet altijd efficiëntie nastreven in een concurrerende maatschappij.
Om tot maximale winst te komen
- Ondernemingen moeten beslissingen nemen:
o Hoeveel produceren?
q=?
o Tegen welke prijs verkopen?
p=?
Output- en prijsbeslissing
- De onderneming probeert de winst te maximaliseren
o Winst = totale opbrengsten – totale kosten
- Zoek p en q waarvoor de winst maximaal is
Totale opbrengsten 𝑇𝑂 𝑞 = 𝑝(𝑞) × 𝑞
- Hangen op dubbele wijze af van output:
o Outputstijging verhoogt de totale opbrengsten rechtstreeks bij
gegeven prijs
o Outputstijging vermindert de opbrengsten onrechtstreeks,
want Hogere output raakt enkel verkocht door prijs te verlagen
- Dus moeten een evenwicht vinden tussen beiden
- Bv. ondernemingsvraag:
𝑞 = 600 − 100𝑝 dus 𝑝 = 6 − 0,01𝑞
outputmarkten
1Waarom zijn ondernemingen zo
verschillend?
2Winstmaximalisatie
2.1Economische winst
Economische winst
= totale opbrengsten – totale economische kosten
- Economische kosten = opportuniteitskosten
= de waarde van de inputs in de beste alternatieve aanwending
o ≠ de boekhoudkundige kosten (zie: de krantenhandelaar)
Boekhoudkundige kosten houden niet met andere
factoren rekening.
Economische kosten: kijken naar welk ander
alternatief verloren gaat
Bv: op reis gaan is niet enkel hotel enzo betalen
maar ook verlies in de zin dat je niet gaat werken.
o Als je zou gewerkt hebben had je geld
gemaakt dus je maakt verlies.
o Zijn verschillend op KT en LT
STEL:
Je steekt 100 000euro in bedrijf
Na 1 jaar: 1500 euro
Rendement: 1.5% (=1500/100.000)
Rente staatsobligatie = 2.5%
Na 1 jaar: 2500 euro
- Boekhoudkundige winst: 1500-0 = 1500 (winst gemaakt)
- Economische winst: 1500- 2500 = -1000 (verlies gemaakt)
De econoom denkt ‘je had ook iets anders kunnen doen’ (kijkt naar
alternatief)
o Die 2500 zijn de totale kosten: de opbrengsten die je niet hebt
door het niet investeren in dit.
,Tabel 8.3 boekhoudkundige en economische winst van een
krantenhandelaar
- Bij de krantenhandelaar zijn de economische kosten >
boekhoudkundige kosten
o Soms andersom, bv. prijsschommelingen bij
langetermijncontracten
Economische kosten op KT ↔ LT:
- Korte termijn: die periode waarin sommige productiefactoren
vastliggen en niet veranderd kunnen worden
o Bv. Autoproducenten: bij een plotse toename van de vraag in
het onmogelijk om zo snel nieuwe machines enzo te maken
dus, zal de productie verhoogd worden door meer arbeid in te
zetten (overuren, extra shiften,...)
o Vb: b-post tijdens de feestdagen: mensen moeten langere
uren werken.
- Lange termijn: alle inputs zijn variabel
De onderneming wordt niet langer gehinderd door
aanpassingskosten en vaste productiefactoren.
o Kapitaal en arbeid kunnen worden herschikt
o Merk op: is geen vaste periode (kan niet op voorhand bepaald
worden)
Op lange termijn: mogelijkheid tot toe- en uittreding
- Winst toetreding
o Als een onderneming winst maakt zal dat op lange termijn
nieuwe ondernemingen aantrekken.
Die toetreding zal de winst verlagen en zal dus duren tot
wanneer er geen economische winst meer gemaakt kan
worden door een potentiële nieuwkomer.
- Verlies uittreding
, o Indien er verliezen zijn, zal dat op lange termijn leiden tot het
verdwijnen van enkele bestaande ondernemingen tot wanneer
er geen verliezen meer gemaakt worden.
We gaan uit van de lange termijn, tenzij anders vermeld
2.2Opbrengsten en kosten in de broodjeszaak
Om haar opbrengsten te bepalen, moet de onderneming zich eerst
afvragen hoeveel output ze kan verkopen en tegen welke prijs. deze
info word samengevat in de ondernemingsvraag.
Je moet altijd efficiëntie nastreven in een concurrerende maatschappij.
Om tot maximale winst te komen
- Ondernemingen moeten beslissingen nemen:
o Hoeveel produceren?
q=?
o Tegen welke prijs verkopen?
p=?
Output- en prijsbeslissing
- De onderneming probeert de winst te maximaliseren
o Winst = totale opbrengsten – totale kosten
- Zoek p en q waarvoor de winst maximaal is
Totale opbrengsten 𝑇𝑂 𝑞 = 𝑝(𝑞) × 𝑞
- Hangen op dubbele wijze af van output:
o Outputstijging verhoogt de totale opbrengsten rechtstreeks bij
gegeven prijs
o Outputstijging vermindert de opbrengsten onrechtstreeks,
want Hogere output raakt enkel verkocht door prijs te verlagen
- Dus moeten een evenwicht vinden tussen beiden
- Bv. ondernemingsvraag:
𝑞 = 600 − 100𝑝 dus 𝑝 = 6 − 0,01𝑞