Inleidend college
Dit vak draait om de ‘waarom’-vraag: als oorzaak A dan gevolg B
Het gaat over vreemd, onaangepast, gestoord of onbegrijpelijk gedrag dat we willen begrijpen:
als we de oorzaak weten, kunnen we hen mss helpen
Toch is het ontstaan niet genoeg om te kunnen helpen
Hoe komt het dat bij sommige mensen gedrag blijft bestaan en bij anderen wegebt?
Depressie bij 1 persoon kan ontstaan zijn door bepaalde factoren, maar dit zijn mss niet
dezelfde factoren als degene die leiden tot de wegebbende depressie na enkele jaren
Terugval voorkomen ahv uitzoeken v factoren die er toe bijdragen
De verwondering of waarom-vraag zit gecentreerd rond:
• Ontstaan van psychopathologie
• Waarom-vraag cruciaal voor vele patiënten
• In stand houden van psychopathologie
• Niet noodzakelijk zelfde factoren
• Roept vaak nog meer verwondering/onbegrip op
• Terugval van psychopathologie
• Sommige stoornissen met hoog terugvalpercentage
• Secundaire preventie: vroege diagnose en behandeling
• Opnieuw: belang van studie van factoren (‘processen’) die hier cruciale rol spelen
• We spreken niet over werkzame psychologische behandelingen, want dit komt in andere
OPO’s voor
Psychopathologie heeft een maatschappelijke kost: daarom het belang v dit vak -> die kost kan
aangetoond worden ahv epidemiologische studies v prevalentie
1. National Comoribidity Study – Replication (2001-2003): 9000 representatieve Amerikanen
bevraagd via de DSM IV en bijhorend interview om vast te stellen of ze voldeden aan de diagnoses +
vraag naar klachten in verleden en diagnose v toen stellen
De vraag was hvl percent vd volwassen Amerikanen voldoet/voldeed aan diagnosen om
prevalenties na te gaan, meestal met onset in kindertijd of adolescentie
Conclusie: 46% voldeed aan min 1 stoornis, 27% aan twee of meer stoornissen en 17% aan
drie of meer
o “vreemd” gedrag is dus toch niet zo vreemd -> ideeën zoals geloven dat een patiënt te
anders is, kan ertoe leiden geen hulp te zoeken uit schaamte of angst
Lifetime prevalenties zijn geschat op: angst stoornissen 28%, stemmingsstoornissen 20%,
impuls controle stoornis 24%, verslaving/middelengebruik 15%
2. NEMESIS-2 studie in Nederland (2007-2009) een gelijkaardige studie zoals de NCS-R:
Interviews bij 6600 volwassenen + data vergeleken met NEMESIS-1
Besluit dat psychische klachten frequent voorkomen: 44% voldeed aan diagnose van min 1
stoornis
Geschatte lifetime prevalenties: 20% stemmingsstoornis, 19% angst, 19% middelen en 9%
aandachts- of gedragsstoornis
Hoe komt het dat zoveel mensen psychisch lijden? Welke processen maken dat deze personen hierin
terecht komen?
1
,Impact v COVID?
Onvoorspelbare, stresserende tijd: lockdown was een periode waar factoren die slechte
mentale gezondheid voorlopen, versterkt waren
Hoge opstoot v angst, depressie etc na de quarantaine – nu kleine afvlakking
Schatting v toename v 27% depressieve stoornissen en 25% angststoornissen na de epidemie
Besluit dat de pandemie de oproep was voor het verbeteren v mentale gezondheid en het
inzetten op preventies en interventies
3. Burden of Disease Project (WHO): welke last brengen stoornissen met zich mee?
Cijfermatig in kaart brengen ahv daily adjusted life years (DALY‘s): hvl gezonde jaren
verliest iemand door een stoornis?
Een stoornis doet kwaliteit v leven altijd dalen -> predicties
Hoogste aantal DALY’s in de wereld zit bij HIV, maar de tweede in de lijst is een unipolaire
depressieve stoornis (in rijke landen staat depressie op nummer 1)
Juist omdat psychopathologie een maatschappelijk probleem vormt, is er een belangrijke rol
weggelegd voor klinisch psychologen: Verantwoordelijk handelen (in onze gezondheidszorg) kan
alleen op basis van grondige wetenschappelijke kennis van de materie (d.i. psychopathologie en cruciale
onderliggende processen) en het is veel meer dan gewoon goed luisteren en een goed gesprek hebben met
mensen die het psychisch lastig hebben !
Er zijn zeer veel theorieën over psychopathologie: wat is dan het vertrekpunt?
Klinisch psychologen willen vragen beantwoorden over het ontstaan, instandhouden en de
terugval v psychopathologisch gedrag
Deze cursus is daarom niet gebaseerd op 1 vd grote referentiekaders of mensbeelden
Wel gebaseerd obv eigen wetenschappelijke disciplines zoals functieleer, sociale psych,
leerpsych etc -> zuiver wetenschappelijke benadering
o Theorieën zijn er om getoetst, en vervolgens aangepast, uitgebreid of verlaten te
worden, met als richtlijn de empirische cyclus
o Elke vraag is toegelaten, zolang ze zo gesteld is dat ze toetsbaar is.
o Met theorieën die niet toetsbaar zijn, zijn we niets (klinisch/theoretisch) !
Onderzoeksmethoden
Empirische cyclus: vanuit observaties onderzoek uitvoeren
1. Vraag: Hoe komt het dat depressieve personen zo weinig initiatief vertonen ?
2. Klinische observatie: Depressieve personen zijn soms weinig actief en niets lijkt hen nog te
interesseren.
a. Onderzoeksobservatie: Dieren die geconfronteerd werden met negatieve ervaringen
waarover ze geen controle hebben, vertonen vergelijkbare gedragsinhibitie.
i. Ook in situaties waar ze deze controle wel hebben (Learned Helplessness)
3. Hypothese: De inactiviteit van depressieve personen is gebaseerd op negatieve oncontroleerbare
ervaringen uit het verleden.
a. Net zoals de dieren uit de proeven van Seligman hebben ze geleerd dat hun gedrag irrelevant is voor de
outcome ervan.
4. Voorspelling: “Indien personen geconfronteerd worden met onvermijdbare negatieve ervaringen, dan leidt dit tot
het uitblijven van gedragsinitiatieven in vergelijkbare situaties”.
5. Toetsen: Drie groepen van proefpersonen, (a) aversieve oncontroleerbare tonen, (b) aversieve controleerbare
tonen, (c) geen tonen. Test in taak waar wel vermijden van negatieve ervaringen mogelijk is.
6. Evaluatie: resultaten (a) bevestiging de hypothese/theorie, of (b) verwerpen de theorie, dan
aanpassen van de theorie en zeker opnieuw observeren.
2
,De nadruk vd cursus ligt niet op het beschrijven maar op het verklaren van fenomenen
Doel: causale mechanismen blootstellen (daarvoor is correlatie nodig of het samen
voorkomen vd fenomenen) -> welke methoden dienen we te hanteren zodat we vragen over
ontstaan, in stand houden en terugval kunnen beantwoorden?
Pas om het correlationeel onderzoek: vaak wordt het gebruikt om causaliteit aan te tonen maar dit is
wetenschappelijk incorrect. Er is soms een omgekeerd verband aanwezig dan men origineel verwacht,
of een derde verklarende factor of gewoon geen verband (spurious correlation)
Masturbatory Insanity Hypothesis:
In mental hospitals werd gezien dat vele mannen zichzelf bevredigden in openbaar
Er werd gesteld dat mensen met psychische problemen meer zichzelf bevredigden
Maar het bleek dat de patiënten gwn geen privacy hadden om het ergens anders te doen
= voorbeeld v verkeerde interpretatie v correlaties
“Science says drinking wine can benefit cardiovascular health”:
Vaak in media verkeerd beeld v correlaties
Studie naar drink gewoonten: ze vonden dat mensen die vaker wijn dronken beter scoorden op
gezondheid dan bierdrinkers
Conclusie dat wijn helpt bij gezondheid, maar ander verband aanwezig!
Wijn drinkers combineren dit vaak met wit vlees en vis, zijn over algemeen rijker en hebben
dus betere health factors dan mensen die meer bier drinken
Dus feit dat wijndrinkers gezonder zijn heeft niks te maken met de health indications vd wijn
RCT: experimenteel design voor klinische trial met conditie v medische behandeling en conditie
zonder met random toewijzing om te achterhalen of de behandeling werkt (= Randomised
Control/Clinical Trials)
Prospectief/longitudinaal onderzoek is een type correlatie: biedt deels hoofd aan beperkingen v
standaard cross-sectioneel onderzoek, maar nog steeds een kans op derde factor als verklarend
mechanisme
Experimenteel onderzoek:
• Als oorzaak A dan gevolg B
• Op A ingrijpen effect op B
• A oproepen of intensifiëren (Type 1): heeft iets weg van stoornis creëren.
• A reduceren of weghalen (Type 2): heeft iets weg van behandelen
• Vaak redenering andersom: iets dat B doet dalen, zegt iets over A (oorzaak)
• Ex-juvantibus; bijv. hoofdpijn & aspirine (of neurotransmitters en AD)
• het is niet omdat iets werkt, dat dit de oorzaak is -> verminderde hoofdpijn na het
nemen v een pilletje, betekent niet dat dat de hoofdpijn kwam door een tekort aan aspirine
• Therapie effectonderzoek hand in hand met met onderz. Type 1= psychopathologische
fenomenen experimenteel oproepen
Taxonomie v methoden:
• Steekproefgrootte (groep vs. N=1)
• Aard steekproef (mensen vs. dieren)
• Klinische status (patiënt, subklinisch, gezond)
• Type setting (veldstudie vs. labo)
• Type vraagstelling (risicofactoren, mediator, moderator, oorzakelijk verband)
3
, Er is een verband tussen geslacht en depressie (bv meer vrouwen dan mannen):
Hoe komt het dat vrouwen vaker depressie vertonen?
Mediator: verklaart waarlangs de onafh variabele de afh var beïnvloedt – het mechanisme
achter waarom vrouwen vaker depressief zijn -> in dit onderzoek is een antwoord ‘piekeren’
Mensen die veel traumatische dingen meemaken, krijgen een depressie:
Maar niet alle mensen met een trauma krijgen een depressie
Er zijn variabelen die het verband versterken of verzwakken
= Moderator bv piekeren -> piekeren maakt de kans groter op een depressie
De variabele ‘piekeren’ verklaart de sterkte van het verband
Welke uitspraken laat elk design toe?
• Correlationele of observationele designs: Verwijst naar studies waarbij de onderzoeker het
verband tussen twee variabelen systematisch onderzoekt, zonder deze relatie te manipuleren
• Cross-sectioneel:
• Niet alles kan experimenteel (bijv. depressie en verlies v ouder)
• Verband op één en hetzelfde moment
• Ook differentieel onderzoek
• Longitudinaal
• Retrospectief – prospectief (bv.: vernederende ervaringen en sociale angst)
• Cave: recall biases > follow-back onderzoek
• Veronderstelde oorzaken (A) gemeten op eerste moment, om vervolgens band
met afhankelijke variabele (B) te meten op tweede moment
• Richting (+), recall bias (+), derde variabele (-)
• Experimenteel design: verwijst naar studies waarbij de onderzoeker het verband tussen twee
variabelen systematisch onderzoekt, door deze relatie te manipuleren
• Men manipuleert minstens één variabele om effect op andere variabele(n) na te gaan
(bv. therapie-effect studies)
• Laat causale uitspraken toe (mits goede controle conditie(s) en regels van methodologie gevolgd)
• Zuiver experimenteel design: toewijzing v proefpersonen aan condities is zuiver
random -> sluitende conclusies, maar slechte externe validiteit
• Quasi-experimenteel design: toewijzing is niet random (patiënten versus gezonde populatie)
-> meer kans op confounders maar betere externe validiteit
Enkele reflecties:
Ethische grenzen
o Bv impact trauma op intrusieve gedachten (hoogstens een minimale operationalisatie)
o Informeren (informed consent) over procedure (vs. methodologische eisen)
Grenzen aan generalisatie
o Je creëert geen psychopathologie in labo, slechts model, ”naar analogie”
o Model analoog aan werkelijkheid
≈ Fenomenen (symptomen) als in de ‘natuurlijke’ stoornis
≈ Oorzaak (bijv. cyberball paradigma en sociale exclusie)
Types analoge designs:
1. Subklinische onderzoeksgroepen (Bv. verhoogd scoren op klachtmaar niet aan de diagnose voldoen)
2. Inductie van ‘psychopathologie’ (Bv. stemmingsinductie of angstconditionering)
3. Dierstudies (diermodellen) (Bv. learned helplessness model)
4. Computersimulaties
4