Etiologie: open examenvragen
Anomie, Strain, Learning Theories and the adolescent brain
1) Waarom zegt Walsh dat Akers’ theorie een ‘holle automatentheorie” is?
a) Walsh positioneert zichzelf als iemand die criminologische theorieën
bekijkt vanuit reinforcement sensivitity theorie. Hij is kritisch voor
criminologie omdat die te lang een blank slate view of human nature
gehad. Hij benadrukt dat veel traditionele theorieën te top – down zijn en
persoonlijkheidsverschillen negeren.
b) Walsh noemt Akers social learning theorie geautomatiseerd omdat Akers
volgens hem geen echte plaats geeft aan individuele verschillen
(persoonlijkheid, aanleg, temperament). In Walsh’ kritiek lijken mensen bij
Akers passieve wezens die simpelweg door hun omgeving “gevormd”
worden: ze gaan een omgeving in en komen er als delinquent of niet-
delinquent weer uit, afhankelijk van blootstelling aan criminaliteit. Walsh
zegt dus dat Akers’ theorie mensen behandelt alsof ze automaten zijn: het
gedrag wordt bijna volledig verklaard door externe leerprocessen, zonder
rekening te houden met wat iemand zelf meebrengt aan eigenschappen.
Er is sprake van verschillende omgevingen,niet verschillende individuen,
de persoonlijkheidsverschillen die men meebrengt in deze verschillende
omgevingen worden compleet genegeerd.
c) Walsh noemt Akers’ theorie “hol” omdat ze criminaliteit verklaart alsof
individuen lege, identieke “automaten” zijn die enkel door blootstelling
aan beloning/straffen en criminele definities gevormd worden, terwijl
verschillen in aanleg en persoonlijkheid genegeerd worden.
2) Wat zegt Walsh over de anomietheorie bij Durkheim? Veranderde hij zijn
mening over de rol van het individu op het einde van zijn leven?
a) Durkheim kennen we vanuit zijn sociale feiten theorie. Sociale feiten
kunnen enkel verklaard worden vanuit andere sociale feiten. Maar later
besefte Durkheim dat we om samenleving te begrijpen ook mensen
moeten begrijpen.
b) Walsh is opvallend positief over Durkheim en zegt dat hij bijna een
biosociale visie had. Durkheim zag namelijk mensen als wezens met twee
belangrijke krachten:
i) Zelfbelang/ eigen verlangens: mensen streven naar meer
ii) Nood aan sociaal leven: samenleven vraagt wel remming en
discipline
Durkheim vond dat samenleving nodig is om mensen te disciplineren en
hun verlangers te beperken. Als die morele normen verzwakken (anomie),
onstaat er sneller criminaliteit.
c) Walsh zegt dat Durkheim niet echt de pure ‘social facist’ was zoals veel
mensen hem voorstellen. Hij wijst erop dat Durkheim wel individuele
verschillen erkende, zoals talent en erfelijkheid, en zelf sprak over een
crimineel character. Ook zou Durkheim later explicieter stellen dat
sociologie de maatschappij niet kan begrijpen zonder het individu te
, bestuderen. Dat toont dat hij meer aandacht gaf aan het individu dan men
dacht.
i) Social facist: vooral de maatschappij als geheel verklaart en minder
het individu. Denken in sociale feiten en structuren en het gedrag
verklaren aan de hand van maatschappelijke normen en
omstandigheden.
3) Wat is de algemene evaluatie van Walsh van strain theorieën? Over welke
variant is hij het meest positief en waarom?
a) Durkheim: anomie als tijdelijke sociale deregularisatie + morele discipline
nodig. Ziet anomie als een situatie waarin sociale normen te zwak worden
om mensen te disciplineren, terwijl mensen natuurlijke (onbegrensde)
verlangens hebben, waardoor criminaliteit kan ontstaan.
Merton: strain door structurele blokkades op American Dream,
maatschappij is hier de oorzaak. Neemt anomie over maar draait het om:
hij ziet maatschappij niet als rem op natuur, maar als een systeem dat
mensen onder druk zet omdat culturele doelen (American Dream) botsen
met beperkte legale middelen.
Agnew (General Strain Theory): strain is breder dan geld en leidt via
negatieve emoties tot criminaliteit, met aandacht voor individuele
verschillen. Niet de strain zelf is het belangrijkste, maar hoe mensen
hiermee omgaan.
b) De algemene evaluatie is dat klassieke strain/ anomie theorieën vaak te
‘top -down’ en sociologisch zijn. Ze negeren vaak persoonlijkheid en
biologische verschillen, maar ze zijn wel bruikbaar wanneer ze erkennen
dat mensen niet allemaal op dezelfde manier reageren op strain.
c) Walsh is het meest positief over Agnew, vooral omdat deze theorie strain
niet meer ziet als iets dat iedereen op dezelfde manier treft. De theorie
legt nadruk op:
i) Coping en individuele verschillen
ii) Temperament, intelligentie, zelfbeeld, probleemoplossend
vermogen, ...
iii) Later zelfs een biosociale richting, de Super Traits Theory. Theory
die persoonlijkheid als kern neemt en vooral twee eigenschappen
centraal zet, namelijk low self – control en irritability. Deze twee
traits beïnvloeden hoe iemand zich ontwikkelt binnen 5
levensdomeinen (persoonlijkheid, familie, school, peers en werk) en
lokken reacties uit die elkaar versterken (feedback).
Hij benadrukt dat bij Agnew het belangrijkste niet de objectieve strain is,
maar hoe iemand hiermee omgaat. Dit sluit aan bij de biosociale visie.
General Strain Theory and Biosocial Criminology
4) Beschrijf hoe een biosociaal geïnformeerde algemene spanningstheorie (BIGST)
volgens Stogner kan worden gebruikt om te verklaren waarom individuen
verschillende niveaus van spanning ervaren. Hoe kan BIGST worden gebruikt
om de zwakke punten van GST te corrigeren?
a) BIGST: Biosocially Informed General Strain Theory
Anomie, Strain, Learning Theories and the adolescent brain
1) Waarom zegt Walsh dat Akers’ theorie een ‘holle automatentheorie” is?
a) Walsh positioneert zichzelf als iemand die criminologische theorieën
bekijkt vanuit reinforcement sensivitity theorie. Hij is kritisch voor
criminologie omdat die te lang een blank slate view of human nature
gehad. Hij benadrukt dat veel traditionele theorieën te top – down zijn en
persoonlijkheidsverschillen negeren.
b) Walsh noemt Akers social learning theorie geautomatiseerd omdat Akers
volgens hem geen echte plaats geeft aan individuele verschillen
(persoonlijkheid, aanleg, temperament). In Walsh’ kritiek lijken mensen bij
Akers passieve wezens die simpelweg door hun omgeving “gevormd”
worden: ze gaan een omgeving in en komen er als delinquent of niet-
delinquent weer uit, afhankelijk van blootstelling aan criminaliteit. Walsh
zegt dus dat Akers’ theorie mensen behandelt alsof ze automaten zijn: het
gedrag wordt bijna volledig verklaard door externe leerprocessen, zonder
rekening te houden met wat iemand zelf meebrengt aan eigenschappen.
Er is sprake van verschillende omgevingen,niet verschillende individuen,
de persoonlijkheidsverschillen die men meebrengt in deze verschillende
omgevingen worden compleet genegeerd.
c) Walsh noemt Akers’ theorie “hol” omdat ze criminaliteit verklaart alsof
individuen lege, identieke “automaten” zijn die enkel door blootstelling
aan beloning/straffen en criminele definities gevormd worden, terwijl
verschillen in aanleg en persoonlijkheid genegeerd worden.
2) Wat zegt Walsh over de anomietheorie bij Durkheim? Veranderde hij zijn
mening over de rol van het individu op het einde van zijn leven?
a) Durkheim kennen we vanuit zijn sociale feiten theorie. Sociale feiten
kunnen enkel verklaard worden vanuit andere sociale feiten. Maar later
besefte Durkheim dat we om samenleving te begrijpen ook mensen
moeten begrijpen.
b) Walsh is opvallend positief over Durkheim en zegt dat hij bijna een
biosociale visie had. Durkheim zag namelijk mensen als wezens met twee
belangrijke krachten:
i) Zelfbelang/ eigen verlangens: mensen streven naar meer
ii) Nood aan sociaal leven: samenleven vraagt wel remming en
discipline
Durkheim vond dat samenleving nodig is om mensen te disciplineren en
hun verlangers te beperken. Als die morele normen verzwakken (anomie),
onstaat er sneller criminaliteit.
c) Walsh zegt dat Durkheim niet echt de pure ‘social facist’ was zoals veel
mensen hem voorstellen. Hij wijst erop dat Durkheim wel individuele
verschillen erkende, zoals talent en erfelijkheid, en zelf sprak over een
crimineel character. Ook zou Durkheim later explicieter stellen dat
sociologie de maatschappij niet kan begrijpen zonder het individu te
, bestuderen. Dat toont dat hij meer aandacht gaf aan het individu dan men
dacht.
i) Social facist: vooral de maatschappij als geheel verklaart en minder
het individu. Denken in sociale feiten en structuren en het gedrag
verklaren aan de hand van maatschappelijke normen en
omstandigheden.
3) Wat is de algemene evaluatie van Walsh van strain theorieën? Over welke
variant is hij het meest positief en waarom?
a) Durkheim: anomie als tijdelijke sociale deregularisatie + morele discipline
nodig. Ziet anomie als een situatie waarin sociale normen te zwak worden
om mensen te disciplineren, terwijl mensen natuurlijke (onbegrensde)
verlangens hebben, waardoor criminaliteit kan ontstaan.
Merton: strain door structurele blokkades op American Dream,
maatschappij is hier de oorzaak. Neemt anomie over maar draait het om:
hij ziet maatschappij niet als rem op natuur, maar als een systeem dat
mensen onder druk zet omdat culturele doelen (American Dream) botsen
met beperkte legale middelen.
Agnew (General Strain Theory): strain is breder dan geld en leidt via
negatieve emoties tot criminaliteit, met aandacht voor individuele
verschillen. Niet de strain zelf is het belangrijkste, maar hoe mensen
hiermee omgaan.
b) De algemene evaluatie is dat klassieke strain/ anomie theorieën vaak te
‘top -down’ en sociologisch zijn. Ze negeren vaak persoonlijkheid en
biologische verschillen, maar ze zijn wel bruikbaar wanneer ze erkennen
dat mensen niet allemaal op dezelfde manier reageren op strain.
c) Walsh is het meest positief over Agnew, vooral omdat deze theorie strain
niet meer ziet als iets dat iedereen op dezelfde manier treft. De theorie
legt nadruk op:
i) Coping en individuele verschillen
ii) Temperament, intelligentie, zelfbeeld, probleemoplossend
vermogen, ...
iii) Later zelfs een biosociale richting, de Super Traits Theory. Theory
die persoonlijkheid als kern neemt en vooral twee eigenschappen
centraal zet, namelijk low self – control en irritability. Deze twee
traits beïnvloeden hoe iemand zich ontwikkelt binnen 5
levensdomeinen (persoonlijkheid, familie, school, peers en werk) en
lokken reacties uit die elkaar versterken (feedback).
Hij benadrukt dat bij Agnew het belangrijkste niet de objectieve strain is,
maar hoe iemand hiermee omgaat. Dit sluit aan bij de biosociale visie.
General Strain Theory and Biosocial Criminology
4) Beschrijf hoe een biosociaal geïnformeerde algemene spanningstheorie (BIGST)
volgens Stogner kan worden gebruikt om te verklaren waarom individuen
verschillende niveaus van spanning ervaren. Hoe kan BIGST worden gebruikt
om de zwakke punten van GST te corrigeren?
a) BIGST: Biosocially Informed General Strain Theory