LES 1: ENERGIEMETABOLISME EN SUBSTRAATSELECTIE TIJDENS INSPANNING
BASISPRINCIPES VAN SPIERSTRUCTUUR, DEPOLARISATIE EN CROSS -BRIDGE CYCLING
SPIER → SPIERBUNDELS → SPIERVEZELS → MYOFIBRILLEN → SARCOMEREN
EPIMYSIUM → PERIMYSIUM → ENDOMYSIUM → SARCOLEMMA
Rond de spier hebben we verschillende types van bindweefsel,
respectievelijk:
Epimysium: rond de spier
Perimysium: rond de spierbundels
Endomysium: rond de spiervezels
Sarcolemma = celmembraan van een spiercel (fosfolipide
dubbellaag)
SARCOMEER
Afbeelding gemaakt met elektronenmicroscopie
Z-lijnen
Donker: dikke myosinefilamenten
Wit: dunne actinefilamenten
1
,SPIERVEZEL
Sarcolemma = celwand
Spiercel zit vol met organellen (niet veel ruimte)
Cytoplasma/sarcoplasma = tussenruimte
Myofibrillen met sarcomeren
Myosine- en actinefilamenten
Verschillende mitochondria tussen de myofibrillen
Geel: rondom elke myofibril zie je T-tubuli
Blauw: sarcoplasmatisch reticulum rondom elke myofibril omwikkeld
T-tubuli en sarcoplasmatisch reticulum
T-tubuli
Tunnel van het sarcolemma: laten toe om in de spiervezel binnen te gaan
Om elke myofibril gewikkeld
In contact met het SR
Voortzetting van elektrochemische depolarisatiegolf van het sarcolemma naar het
SR → calciumvrijgave in de cel initieert samentrekking van het sarcomeer
Sarcoplasmatisch reticulum
Om elke myofibril gewikkeld → structurele integriteit van de cel
Calciumopslag (actief transport naar SR): laat toe om spiercontracties te laten plaatsvinden
In rust: calciumconcentratie hoger in SR vs sarcoplasma (zit vol met calcium in rust)
DEPOLARISATIE VAN MOTORISCHE EINDPLAAT → SARCOLEMMA → T-TUBULI → SR
Neuromusculaire junctie
Zenuwimpuls bereikt axonterminal
Afgifte van acetylcholine
Activering van acetylcholinereceptoren → worden ionenkanalen
- Ionenkanaal doet 2 dingen: beetje kalium uit de spiercel, maar nog meer natrium in de spiercel
Verandering in membraanpotentiaal: binnenkant van spiercel wordt positief geladen → actiepotentiaal
Voortdurende voortplanting van actiepotentiaal langs het sarcolemma en langs de T-tubuli
Calcium vrijlating uit het SR, want T-tubuli staat in contact met SR
Calcium bindt op troponine en legt de myosine-bindingsplaats op actine bloot, zodat actine en myosine kunnen binden
→ cross-bridge cycling
2
,SLIDING FILAMENT THEORY
Cross-bridge vorming
Calciuminstroom in sarcoplasma (vanuit SR)
Calcium bindt troponine
Troponine verandert vorm
‘Geactiveerde’ myosinehoofdje bindt actine
Activering van myosinehoofdje
ATP bindt myosine
ATP-hydrolysatie → ‘cocked’ positie
Crossbridge cycle
Myosine bindt actine (Pi vrijlating)
Power stroke (ADP vrijlating)
Loslating van myosine van actine (ATP-binding)
Reactivatie myosinehoofdje
ATP: ENERGIEOPSLAG OF ENERGIEDRAGER?
ENERGIE VOOR SPIERCONTRACTIES: ATP HYDROLYSE
Energie/ATP is op verschillende plaatsen nodig
Belangrijkste: plaats waar de cross-bridge cycling plaatsvindt
- Daar wordt chemische energie omgezet in mechanische energie
Thv het SR: om calcium die was vrijgezet in het cytoplasma terug in het SR te krijgen
- Dat vindt plaats via een actieve pomp, SERCA, nodig om spieren terug te laten ontspannen
• Spier ontspant pas als calcium terug in het SR opgenomen is
Natrium-kaliumpomp: belangrijke pomp die energie vergt in de spiercel om de membraanpotentiaal adequaat
te houden
- Natrium wordt terug uit de cel gepompt
ATP
= Adenosinetrifosfaat
Bestaat uit adenosine (adenine + ribose) en 3 fosfaatgroepen eraan gebonden
- De fosfaatgroepen zijn gebonden met een binding die veel energie bevat → high energy bonds
Wanneer de bindingen gesplitst worden komt er energie vrij
- Bij ATP-hydrolyse met water
• Gaat reageren onder invloed van een katalysator, myosine ATPase
• Daaruit wordt gevormd: ADP (adenosinedifosfaat), Pi (inorganisch fosfaat), proton (zorgt
voor verzuring in de spiercel) en energie (31kJ)
- ADP kan verder gehydrolyseert worden door een enzym (als het nodig is)
• Daaruit wordt gevormd: AMP (adenosinemonofosfaat; nog met 1 fosfaatgroep aan), Pi
(inorganisch fosfaat), proton en energie (31kJ)
3
, ATP-SYSTEEM: ENERGIEOPSLAG OF ENERGIEDRAGER?
ATP voorraad in de spier
Weinig of niet verschillend tussen mannen en vrouwen/weinig of niet verschillend tussen atleten en niet-
atleten
- Het is een vrij vast gegeven, circa 5-6 mmol ATP/kg spier
Hoe snel verbruiken we dat?
Bv. Fietssprint van 900W
- Tijdens een dergelijke sprint verbruik je 3,7 mmol ATP / seconde
- Stel dat we enkel die ATP hadden voor energie te leveren, dan zou dat op zijn binnen 2 sec → kunnen
we niet veel mee doen
Bv. 100m sprint met een gemiddelde van 30km/u
- Verbruikt ook 3 mmol ATP/ seconde
➔ Dat systeem is heel snel uitgeput aan hoge intensiteiten
Hoe hoger de intensiteit, hoe hoger de ATP-afbraak per seconde
Bv. 20km/u lopen voor 10km: we verbruiken 1,7 mmol
ATP/seconde
Bv. 30km/u sprinten: we verbruiken 3 mmol ATP/seconde
10 km lopen
20km/u, in 30 min, 1,7 mmol ATP/seconde verbruikt →
stel je rekruteert 10kg actieve spiermassa tijdens het lopen → 16
kg ATP afgebroken en heropgebouwd tijdens het lopen
➔ ATP is geen goede chemische molecule om als energievoorraad te dienen: het is veel te zwaar
➔ Het is eerder een energiecarrier die continu opnieuw aangemaakt moet worden door andere systemen
VERSCHILLENDE ENERGIESYSTEMEN: VERMOGEN, CAPACITEIT EN ENERGIEBIJDRAGE
ENERGIESYSTEMEN EN SUBSTRATEN VOOR DE RESYNTHESE VAN ATP
We hebben hiervoor 3 belangrijke energiesystemen:
1. Phosphocreatine systeem
2. Glycolyse
Onderverdeeld in 2 zaken: anaërobe glycolyse en aërobe glycolyse
Maar de glycolyse is per definitie anaëroob (zonder zuurstof), want dat is van glucose of glycogeen tot
pyruvaat
Anaërobe glycolyse is de afbraak van glucose tot melkzuur
- Melkzuur is een combinatie van lactaat en een proton, H+
4