HOOFDSTUK 1: EEN MENS LEEFT NOOIT ALLEEN
DE MENS MAAKT DE SAMENLEVING
Interacties op microniveau= interacties tussen individuen
Interacties op mesoniveau= interacties tussen groepen en organisaties
Interacite op macroniveau = interactie samenleving en jezelf
0.introductie
‘vis in het water’
- niet altijd bewust van invloed van samenleving op ons denken & doen
- Vis → niet bewust van water rond zich
→ beseft pas dat hij in water zwom als hij eruit gehaald wordt
Lees p 5 en 6
1.1 MENSEN MAKEN DE SAMENLEVING: INTERACTIE TUSSEN INDIVIDUEN
Kunt niet vermijden om andere te ontmoeten → stemmen het reageren + handelen op elkaar af
Doordat we samenleven met andere → in het handelen (on) bewust rekening houden met elkaar
→ Volgens Weber is dit sociaal handelen
Sociaal handelen
- Complex
- 2 dimensies
1. Interactie
- Actie - reactie
2. Communicatie
- Invloed uitoefenen op anderen en invloed ondergaan van anderen
- We brengen onze gedachten, gevoelens en wensen over aan anderen
Interactie en communicatie komen meestal samen voor
Hoe maken we samen-leving mogelijk?
→ VOORWAARDE: Interpreteren= betekenis geven aan
aan dezelfde situatie dezelfde betekenis/ interpretatie geven
- Zo weten we wat we van elkaar kunnen verwachten
- Ontstaan voorspelbaarheid ,rust en routine, orde
Voorspelbare patronen: dezelfde betekenis geven aan een situatie, en op dezelfde manier
reageren
,Waarom is gelijke interpretatie van de situatie belangrijk?
Voorbeelden:
Civil inattention = vriendelijk/ beschaafd negeren
• Goffman (Amerikaanse socioloog)
• Een gedeeld gedrag dat mensen stellen door ongeschreven regels.
Bv. Je staart elkaar niet aan maar kijkt subtiel om je heen
Bv. je schuift achteraan aan de rij aan de kassa
• Deze regels worden pas duidelijk wanneer ze overschreden worden.
• Je maakt duidelijk dat je elkaar hebt gezien → daarna op beschaafde manier elkaar
negeren
Garfinkel:
• Studenten moesten anders gedragen tegen ouders → kunnen kind niet meer
interpreteren → geen orde meer & geen voorspelbaarheid
Thomas theorema
‘ if men define situations as real, they are real in their consequences’
• De mens creëert zijn eigen sociale realiteit in de interactie
• Als we geloven dat iets zo is → gaan ernaar handelen
• Als mensen situaties als echt definiëren, dan worden die echt in hun gevolgen
• Iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid
Bv. thomas denkt dat spoken bestaan, dus hij heeft moeite met slapen door de angst.
Vb: brand roepen → plek verlaten & in paniek
Vb: cavia serveren als eten → er is een "afspraak" van welke dieren je mag eten
Vb: kind heeft pijn → je geeft kusje erop → denkt dat het over is
Thomas Theorema in praktijk:
• Als je in leefgroep werkt
o Als iemand een pik heeft op een kind → creeërt sociale werkelijkheid
o De andere begeleiders gaan dat ook ondervinden → denken dat het kind bv
problemen heeft maar dat komt omdat wij zo een werkelijkheid hebben gecrëerd
• Iemand gevallen met fiets → toverspreuk , kind gaat dat geloven en gaat dat dus als
werkelijkheid bezien
• Je gaat naar yoga → diep inademen → iedereen denkt dat we daarvan rustig worden (want
ook al veel gezegd tegen ons)
Het bestuderen van interactiepatronen is noodzakelijk voor het begrijpen van menselijk gedrag.
De sociologie begrijpt de mens vanuit het sociale, vanuit interacties met zijn omgeving
,1.2 GROEPEN EN ORGANISATIES MAKEN DE SAMENLEVING
Een groep= een aantal personen met duurzame interacties, waarvan de leden een bepaalde
positie innemen, waarin spontaan groepsregels ontstaan die het gedrag bepalen en
voorspelbaar maken en waarvan de leden gebonden zijn door een gevoel van samenhorigheid.
kenmerken:
- Duurzame interacties (= langdurig en regelmatig)
- Gevoel van samenhorigheid (= gevoel van “wij zijn een groep”)
- Spontaan ontstaan van groepsregels
- Ieder heeft een positie in de groep
Bv. badmintonclub, vriendengroep, scouts,..
Verschillende soorten groepen
• Primaire groep
o Er heerst een sterke verbondenheid en emotionele relatie (niet taakgericht/
gewoon samen zijn)
o Interacties zijn intensief, frequent en hebben een emotionele kant → geen
smalltalk wel diepgaand
o Kleine groep
Bv. gezin, hechte vriendengroep,..
o Moeilijk om zo een groep te verlaten want je bent verbonden
o Peergroup:
- gelijke situatie - langdurig met elkaar optrekken
- dezelfde leeftijd
→ primaire groep & peergroep invloed in sociale wekelijkheid, hoe je wereld gaat
interpreteren
• Secundaire groep
o Vaak grotere groepen
o Interacties zijn minder intens,
o Zakelijk → gericht op doel
o Groep is middel geen doel
o onpersoonlijker
o zonder emotionele verbondenheid
Bv: monitorenploeg, sportclub, collega’s → bespreken over iets wat er mee te
maken heeft (doel gericht)
• Doelgroep
o Niet echt een groep, geen samenhang
o Categorie Mensen met deels dezelfde kenmerken
o Term die vaak in de zorg gebruikt wordt
Bv. 60+, jongeren die geld verdienen met seks, mensen met een verslaving,.
o Doelgroep is geen groep
o Leefgroep bestaat uit leden van doelgroep
Zit tussen primaire en secundaire groep
• Een organisatie
o Mensen die samenWERKEN
, o Vanuit duidelijk omschreven posities (leidinggevenden,..)
o Gemeenschappelijk doel die ze samen gaan bereiken.
o Herkenbaar als geheel
o Interageren met andere organisaties (organisaties passen zich aan elkaar aan en
beïnvloeden elkaar)
Verschil organisatie & secundaire groep
- Bij een organisatie is er een hiërarchie, bij de secundaire groep niet
- Bij organisaties zijn er meer formele regels
- Bij een organisatie heb je niet met iedereen interactie, bij een secundaire groep meestal
wel
Referentiekader
=sociale werkelijkheid die jij hebt opgebouwd
= manier hoe je kijkt geleerd door primaire en secundaire groep
Vb: je gaat met nieuwe mensen op stap → ene persoon wilt samen naar huis andere alleen → zo
wordt referentiekader gevormd
1.3 INSTITUTIES MAKEN DE SAMENLEVING
institutie = gedeelde sociale werkelijkheid bij veel mensen in samenleving → gaan op dezelfde
manier interpreteren → gaan zich zo gedragen
Het geeft routine, voorspelbaarheid en orde aan de samenleving. -> macroniveau
Bv. taal, arbeid, onderwijs, kerk, sociale media, jeugdbeweging, gezin..
Kenmerken:
- Zorgt voor gestandaardiseerd gedrag, routine, voorspelbaarheid en orde in de hele
samenleving
- Door mensen gecreëerd
- Stabiel, maar kan veranderen → eerder klein of traag
- Biedt antwoord op levensnoodzakelijke vragen
- Instituties interageren met elkaar
gestandaardiseerd gedrag = vast gedrag/ interactiepatronen in de hele samenleving dat bij
héél veel mensen hetzelfde is.
Bv. we zijn ziek => we gaan naar de dokter
Bv. arbeid = institutie
o Gestandaardiseerd: loon
o Door mens gecreëerd: mens moet beoefenen, heeft bedacht
o Het is stabiel en veranderlijk: vrouwen mogen nu wel werken, kinderarbeid weg
o Het zorgt voor orde: elke dag naar werk gaan, het zorgt dat we weten hoe we aan de
standaard dingen om te overleven hebben
o Het bied antwoord op levensnoodzakelijke vragen: werken want daardoor kunnen leven