3.1
Drukkende lucht
- Lucht wordt door de aarde aangetrokken.
Lucht moleculen worden samengedrukt -> drukt alle richtingen op.
Verschillen in druk
- Temperatuur heeft het meeste invloed op de luchtdruk -> bij warmte zet
lucht uit en stijgt de warme lucht. Aan de top stroomt de lucht weg via de
bovenkant naar de zijkant. Op warme plaatsen drukt daarom minder lucht
naar beneden, het wordt een lage luchtdruk (minimum of depressie).
Omdat stijgende lucht vaak voor regen zorgt regent het bij lagedrukgebieden
meer.
- Bij koude lucht gebeurd precies het omgekeerde, de lucht krimpt, de
dichtheid neemt toe en de lucht daalt. Je krijgt dan een hogedrukgebied
(maximum). De samengeperste lucht wordt warm en kan de waterdamp
vasthouden, het is er droog.
Wind
- Wind is verplaatsing van lucht, en waait altijd van een hoog naar een lagedrukgebied. Omdat de
aarde draait waait de wind niet in een rechte lijn maar met een afwijking. Op het noordelijk halfrond
met een afwijking naar rechts, op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links.
Luchtcirculatie
- De temperatuurverschillen op aarde zorgt voor luchtdrukzones met vaste wind systemen.
1. Bij de evenaar zorgt warme lucht voor lage druk en veel neerslag
2. In het subtropisch gebied daalt de warme lucht vanaf de evenaar, dat zorgt voor hogedruk en
droge klimaten
3. In de Polen is door de kou een hoge luchtdruk.
4. De lucht die vanaf de Polen naar gematigde gebieden stroomt wordt steeds warmer, daardoor kan
het weer opstijgen. Er is een lagedruk.
5. Lage en hogedrukgebieden bewegen met de zon mee een daarom kan de druk per seizoen
verschillen.
Zeestromen
- Warme zeestromen stromen van de evenaar naar de polen en nemen warm
water mee, dat zorgt voor een warmere zee en temperatuur die de wind
vanaf de zee meeneemt. Koude zeestromen doen het omgekeerde.
- Afzinkgebieden zijn plaatsen in de zee met dalend zeewater, omdat het zout
in bevroren water niet bevriest zit er veel meer zout in koude dan warme
zeestromen. Hoe zouter het water hoe sneller het zinkt.
Drukkende lucht
- Lucht wordt door de aarde aangetrokken.
Lucht moleculen worden samengedrukt -> drukt alle richtingen op.
Verschillen in druk
- Temperatuur heeft het meeste invloed op de luchtdruk -> bij warmte zet
lucht uit en stijgt de warme lucht. Aan de top stroomt de lucht weg via de
bovenkant naar de zijkant. Op warme plaatsen drukt daarom minder lucht
naar beneden, het wordt een lage luchtdruk (minimum of depressie).
Omdat stijgende lucht vaak voor regen zorgt regent het bij lagedrukgebieden
meer.
- Bij koude lucht gebeurd precies het omgekeerde, de lucht krimpt, de
dichtheid neemt toe en de lucht daalt. Je krijgt dan een hogedrukgebied
(maximum). De samengeperste lucht wordt warm en kan de waterdamp
vasthouden, het is er droog.
Wind
- Wind is verplaatsing van lucht, en waait altijd van een hoog naar een lagedrukgebied. Omdat de
aarde draait waait de wind niet in een rechte lijn maar met een afwijking. Op het noordelijk halfrond
met een afwijking naar rechts, op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links.
Luchtcirculatie
- De temperatuurverschillen op aarde zorgt voor luchtdrukzones met vaste wind systemen.
1. Bij de evenaar zorgt warme lucht voor lage druk en veel neerslag
2. In het subtropisch gebied daalt de warme lucht vanaf de evenaar, dat zorgt voor hogedruk en
droge klimaten
3. In de Polen is door de kou een hoge luchtdruk.
4. De lucht die vanaf de Polen naar gematigde gebieden stroomt wordt steeds warmer, daardoor kan
het weer opstijgen. Er is een lagedruk.
5. Lage en hogedrukgebieden bewegen met de zon mee een daarom kan de druk per seizoen
verschillen.
Zeestromen
- Warme zeestromen stromen van de evenaar naar de polen en nemen warm
water mee, dat zorgt voor een warmere zee en temperatuur die de wind
vanaf de zee meeneemt. Koude zeestromen doen het omgekeerde.
- Afzinkgebieden zijn plaatsen in de zee met dalend zeewater, omdat het zout
in bevroren water niet bevriest zit er veel meer zout in koude dan warme
zeestromen. Hoe zouter het water hoe sneller het zinkt.