H6) Sociale cognitie en sociale perceptie
Leerplandoelstellingen:
• Definiëren van belangrijke concepten zoals sociale perceptie, selectie, structurering, interpretatie.
• Verschillende factoren die de sociale waarneming beïnvloeden met eigen woorden uitleggen en te
illustreren met een voorbeeld
• Geleerde concepten toepassen in een aangereikte casus.
• Uitleggen waarom het als psychologisch consulent belangrijk is om weet te hebben van attributiefouten
en andere factoren, en dit illustreren met een eigen voorbeeld.
• Uitleggen wat impliciete persoonlijkheidstheorieën zijn en dit toepassen op voorbeelden.
• Reflecteren op je eigen impliciete persoonlijkheidstheorieën en de impact daarvan op je functioneren als
toekomstig psychologisch consulent.
Tijdens de Vietnamoorlog werden nieuw aangekomen soldaten vaak met wantrouwen en vijandigheid
behandeld. Ze kregen het label Fucking New Guy (FNG), werden sociaal uitgesloten en pas aanvaard
na verloop v tijd of wanneer er andere nieuwelingen arriveerden. = FNG-syndroom.
Soortgelijke dynamieken komen ook vaak voor op de werkvloer.
Hoe we anderen behandelen = sterk bepaald door hoe we hen waarnemen en hoe we over hen denken.
Deze processen noemen we sociale perceptie en sociale cognitie.
Hoe we naar iemand kijken beïnvloedt hoe we over die persoon denken en omgekeerd. Samen vormen
deze processen onze houding tov de ander.
Sociale perceptie kan begrepen worden via 3 basisprocessen v waarneming:
• Selectie: niet alle prikkels worden bewust waargenomen
• Structurering: geselecteerde informatie wordt geordend
• Interpretatie: informatie krijgt betekenis obv ervaringen en verwachtingen
Deze processen verlopen niet strikt na elkaar en beïnvloeden elkaar wederzijds. Er sprake v een top-
downverwerking, waarbij bestaande kennis en overtuigingen de waarneming sturen.
De verwerkte zintuiglijke informatie vormt een percept (= persoonlijk geïnterpreteerde waarneming).
Dit percept wordt opgeslagen als een concept. Concepten helpen ons om de wereld te begrijpen en
nieuwe informatie te verwerken.
6.1) Selectie in de sociale waarneming
Waarneming = altijd subjectief. Binnenkomende informatie wordt altijd persoonlijk gekleurd. Een
volledig objectieve waarneming bestaat niet, zeker niet in sociale contexten. Persoonlijke inkleuring is
zowel de oorzaak als het gevolg v hoe we informatie selecteren.
Sociale waarneming is sterk interpretatiegevoelig. Hetzelfde gedrag kan door versch personen totaal
anders beoordeeld worden.
6.1.1) We kunnen niet alles zien wat er is
We kunnen nooit alles waarnemen wat er waar te nemen valt. Dit is een passief selectieproces waar we
weinig controle over hebben.
43
, We kennen anderen slechts in beperkte contexten. → Gedrag buiten die context blijft onzichtbaar.
Daardoor is onze kennis over anderen altijd onvolledig en fragmentarisch.
6.1.2) We zien vaak slechts fracties van gedragingen
Wanneer we gedrag waarnemen, gaat het vaak om korte momentopnames in een specifieke situatie.
Toch hebben we de neiging om hieruit snelle en algemene conclusies te trekken.
➔ We gaan te snel oordelen, ons oordeel niet meer kritisch bevragen en nieuw gedrag interpreteren ifv
dat eerste oordeel.
Omdat we vooral bevestiging zien, groeit ons vertrouwen in ons eigen oordeel, ook al is dat onterecht.
6.1.3. We selecteren zelf actief wat we willen zien en wat niet
Vanuit bestaande oordelen selecteren we actief info die onze verwachtingen bevestigt. Tegenstrijdige
informatie negeren we / herinterpreteren we zodat ze geen bedreiging vormt.
Hierdoor ontstaat een selffulfilling prophecy (= eigen verwachtingen worden bevestigd omdat je erin gelooft
en je ernaar gedraagt). Onze verwachtingen sturen onze waarneming + het verdere verloop vd interactie.
Hetzelfde mechanisme ligt aan de basis vh hardnekkigheidseffect (perseverance effect). ➔ Eens een
oordeel / label is gevormd, verandert dit zelden, zelfs wanneer er duidelijke tegenargumenten zijn.
Het principe geldt ook voor zelfwaarneming. Mensen merken vooral die aspecten op die hun zelfbeeld
bevestigen. Mensen met een laag zelfbeeld kunnen zo belanden in een neerwaartse spiraal.
Rosenhan-experiment 1973
Het Rosenhan-experiment onderzocht de objectiviteit v psychiatrische diagnoses. Hij liet gezonde
personen zich aanmelden in psychiatrische instellingen met slechts 1 gesimuleerd symptoom.
OZvraag: Kunnen hulpverleners normaal gedrag onderscheiden van psychopathologie?
De bevindingen toonden dat alle proefpersonen een ernstige diagnose kregen. Normaal gedrag werd
geïnterpreteerd als pathologisch. Het label bleef bestaan, zelfs bij ontslag
➔ Toont aan hoe sterk de waarneming gestuurd wordt door eenmaal toegekende labels.
6.1.4. We lokken het gedrag uit dat we verwachten te zien
We nemen niet alleen selectief waar, maar gedragen ons ook ifv onze verwachtingen. Daardoor lokken
we vaak precies het gedrag uit dat ons vooroordeel bevestigt.
Dit gebeurt meestal onbewust. Onze houding beïnvloedt hoe de ander zich tov ons gedraagt.
Vbn: Pygmalion-effect (+), Golem-effect (-),…
Experiment v Word, Zanna en Cooper onderzocht dit mechanisme in sollicitatiegesprekken.
OZvraag: Beïnvloedt de houding v interviewers het gedrag v sollicitanten?
Bevindingen:
• Witte interviewers gedroegen zich non-verbaal afstandelijker tov zwarte sollicitanten.
• Deze afstandelijke houding had een neg. invloed op de prestaties vd sollicitanten.
• Sollicitanten die zo behandeld werden, presteerden slechter + werden negatiever beoordeeld.
➔ Hierdoor werd het oorspronkelijke vooroordeel bevestigd: ongelijke behandeling lokte het verwachte
gedrag uit (selffulfilling prophecy).
44